Brownsberg (dag 16)

Onze laatste tour in Suriname maakten we natuurlijk weer met onze vertrouwde gids Reginald. Hij haalde ons vanmorgen om 7:15 uur op en was deze keer niet alleen. Hij had zijn dochtertje Kaitlin van 5 jaar meegenomen om op school af te zetten. Kaitlin was een mooi meisje die qua uiterlijk veel op haar vader leek.  Zoals alle kinderen was ze wat verlegen maar ik weet zeker dat als we haar wat langer hadden gezien ze wel los was gekomen. We zetten Kaitlin af bij haar school en begonnen aan de tocht van ongeveer 110 kilometer naar de Brownsberg natuurpark in het Brokopondo district. We reden deze keer niet in de normale auto van Reginald maar in een gehuurde 4WD. Eenmaal uit het centrum van Paramaribo was het één lange rechte weg met aan beide kanten hoogspanningsmasten en af en toe dorpjes op zandgrond.
We hadden ons ontbijt langs de weg bij een eethuisje en kregen heerlijk belegde broodjes en samosa’s. Ronac sliep en bleef in de auto. Vanaf het terras hadden we zicht op het bedrijf Suralco of vroeger ook wel Surinaamse Bauxiet Maatschappij genoemd. Het bedrijf Suralco is een onderdeel van het Amerikaanse bedrijf Alcoa, één van de grootste aluminiumproducenten in de wereld. Suralco was en is de Surinaamse producent van bauxiet en aluinaarde. Bauxiet is een mineraal dat een erts van aluminium vormt. In 1915 werd het voor het eerst in Suriname gevonden en het werd een van de belangrijkste inkomsten van de staat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er veel vraag naar aluminium. Het grootste gedeelte van de luchtvloot werd gebouwd met aluminium uit Suriname. De bauxietreserves in Suriname beginnen uitgeput te raken dus de vraag is hoelang er nog bauxiet gewonnen kan worden. Na ons ontbijt vervolgden we de lange rechte weg tot de afslag naar het dorp Brownsweg. We reden door Brownsweg dat een transmigratiedorp is. Het is een heel nieuw dorp gebouwd ter vervanging van het oude dorp dat bij het bouwen van de Afobakadam onder water kwam te liggen.

De laatste 13 kilometer ging over de Bakaabato weg naar het Mazaroniplateau op 500 meter hoogte. Het gebied staat onder toezicht van Stinasu (Stichting Natuurbehoud Suriname). De weg was slecht begaanbaar en er wordt geadviseerd om deze weg alleen met een 4wd auto te rijden. Al snel was duidelijk waarom Reginald de 4wd had gehuurd want we schudden werkelijk alle kanten op. Steile stukken weg met modder, kuilen, hobbels, bobbels, takken en noem het maar op en we kwamen het op de weg tegen. Af en toe glipten de banden wat weg maar Reginald wist duidelijk hoe hij hier moest rijden. Met een hand aan het stuur manoeuvreerde hij de auto binnen een uurtje naar boven.

Eind 19de eeuw kwam een Amerikaan, John Brown, in dit gebied om goud te zoeken. Veel geluk had hij niet en later leverde de bauxietwinning ook weinig op. Uiteindelijk werd de Brownsberg in 1969 een natuurreservaat. Het gebied is bedekt met tropisch regenwoud dat deel uit maakt van het Amazoneregenwoud. We reden direct naar een parkeerplek in de buurt van de Leo waterval die we wilden bezoeken. We zorgden dat we voldoende drinken hadden voor onderweg en begonnen aan de wandeltocht. Het werd een pittige wandeling want het pad ging flink omhoog en omlaag. Ronac wilde in het draagstel maar Reginald wist hem zo te motiveren dat hij de hele wandeling zelf liep.  Zelfs de grootste stappen maakte hij zelf met hulp van Reggie’s hand. Ik liep natuurlijk voorop en wandelde goed.


Op de Brownsberg.

Hier in het bos leven allerlei dieren zoals toekans, agouti’s, kikkers, slangen en apen. Natuurlijk moet je een beetje geluk hebben om deze dieren tegen te komen. Hoewel het hier vrij gemakkelijk moet zijn om de dieren te spotten, zagen we er maar weinig. Na een tijd lopen kwamen we uit bij de Leo waterval. Hier namen Reggie, pappa, Ronac en ik een verkoelende duik in het koude water van de waterval. Het water kwam best hard naar beneden en ik durfde er niet helemaal onder te gaan staan. Na deze verfrissing in het oerwoud aten we lekkere bananenchips, die je hier overal krijgt, voordat we aan onze terugweg begonnen.

Het was een pittige klim omhoog en in de tropische hitte zweetten we dubbel zoveel. Aan het einde van de wandeling werden we beloond met een groep roodbruine brulapen die hoog in de bomen boven ons zaten. Het duurde mij allemaal te lang en ik besloot om stiekem alvast een stukje terug te lopen. Ik haastte mij weg maar gleed uit op een boomstronk en kwam ten val. Ik begon te huilen en pappa en Reginald snelden zich naar mij toe. Er zat een kleine en oppervlakkig bloedende snee aan de zijkant van zijn hoofd. Reginald maakte de wond schoon en plakte er een pleister op. Ik was zo geschrokken dat pappa en mamma mij niet straften voor het feit dat ik stiekem bij hun was weggeglipt. Het was daar vandaan nog maar een klein stukje lopen naar de geparkeerde auto.


Grote Tarantula spin op een boomtak.

We stapten in en reden met de auto naar het kamp van Stinasu. We hadden deze keer echter een andere chauffeur. Ik mocht van Reginald plaats nemen achter het stuur. Ik dacht eerst dat Reginald een grapje maakte maar hij meende het serieus. Ik moest de auto besturen en Reginald gaf gas. Voor mijwas dit natuurlijk een fantastische belevenis. Met gespannen gezichtje zat ik achter het stuur om de kuilen in de weg te ontwijken. Ik reed in de auto als een volleerd chauffeur en parkeerde zelfs bij het kamp. Hier liepen we naar een uitzichtpunt met zicht op het Van Blommensteinstuwmeer (Brokopondomeer).


Ik achter het stuur van een echte terreinwagen.

Het meer is ontstaan door de aanleg van de Afobakadam in de Surinamerivier. De stuwdam werd aangelegd om elektriciteit op te wekken met behulp van waterkracht. Voor de bauxietwinning van het bedrijf  Suralco was veel elektriciteit nodig. Veel dieren werden geëvacueerd en 5000 Marron (bosnegers) werden verhuisd naar de nieuwe transmigratiedorpen. Het  meer was vrij groot maar naar horen zeggen niet diep (zo’n 40 centimeter). Het bos wat ten tijde van de bouw van de stuwdam zich daar bevond werd niet gekapt. Nu steken uit het stuwmeer nog steeds boomstammen omhoog die al tientallen jaren onder water staan. Een bizar gezicht.

We aten in het basiskamp van Stinasu waar de opzichter een heerlijke maaltijd bestaande uit gebakken rijst, kip en kousenband, voor ons had gemaakt. Terwijl wij daar zaten te eten kwam een tuinman nog naar ons toe met een tarantula op zijn hark. Ook dit was weer een redelijk groot exemplaar en we bekeken het dier uitgebreid. Na het eten begonnen we aan de terugweg die langer zou gaan duren dan de weg omhoog. Het had licht geregend en de weg was een beetje glad geworden. We waren allemaal moe van de wandeling en we werden een beetje slaperig van het hobbelen. Ronac en ik vielen in slaap en ze maakten ons pas wakker toen we bij de Afobakadam waren.

Reginald wilde ons de dam ook nog van dichtbij laten zien. Het was een imposant bouwwerk van 1,3 kilometer lang. Tijdens de bouw werden er ook nog 14 hulpdammen gebouwd om te zorgen dat het water niet weg liep. In 1964 werd de hoofddam gesloten en enkele maanden later stond het meer vol met water. Vanaf dat moment kon er worden begonnen het opwekken van elektriciteit uit waterkracht. Tegenwoordig wordt de meeste opgewekte elektriciteit verbruikt door de hoofdstad Paramaribo. Vanaf de dam begon onze reis terug over de lange saaie weg naar Paramaribo. Rond zeven uur waren we terug bij het appartment.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *