Nationaal Park Kornati

We werden vanochtend al vroeg verwacht bij de kade in het centrum voor onze boottocht naar het Kornati Nationaal park. De wekker ging om 7:00 uur en we moesten er uiterlijk om 8:30 uur zijn. Ik was niet vooruit te branden en hield iedereen daarmee op. We kwamen uiteindelijk rond 8:15 uur aan bij de boot en deze zat al aardig vol. We betaalden voor de trip en zochten naar een plaatsje aan boord van het schip “Arbiana”.

Op het bovendek en langs de reling zat alles al vol. We vonden een paar plekjes aan een tafel waar al een paar mensen zaten. Eerst werden er nog op twee andere plekken passagiers opgehaald voordat we op weg gingen naar het Nationaal park. Het zou ongeveer 3 tot 3 ½ uur varen zijn tot onze bestemming. De tijd kwamen we door met spelletjes kaarten en Sudoku.

Ik had met Keyro steeds ruzie en dat maakte het er niet gezelliger op. Vreselijk zo’n puberende broer. We kregen een broodje met ham of kaas als ontbijt. Tussendoor konden we water en een soort van waterige sinaasappelsap pakken. Al snel kwamen we in de wateren van het nationaal park Kornati (Nationaal park Kornaten).

Het park bestaat voor het grootste gedeelte uit onbewoonde eilanden (Kornaten) voor de kust van Dalmatië ten zuiden van Zadar. De archipel (eilandgroep) die binnen het park vallen bestaat uit 89 eilanden. De eilanden zijn dus onbewoond, ze bestaan uit rotsen en kalksteen en  zijn niet of nauwelijks begroeid.

Rond 11:15 uur begon het personeel met het serveren van de lunch maar wij kregen als een van de laatsten. Een beetje vervelend want de vis was ondertussen koud en we naderden onze bestemming voor de middag. Het was chaotisch en haasten.

De vis viel bij mij wel in de smaak maar voor de rest viel het allemaal wat tegen. Veel van de restjes werden gevoerd aan de groep kokmeeuwen die de boot volgden. We meerden aan bij het eiland Dugi Otok wat behoort tot het Telašćica Natuurpark. Het is een 10 kilometer lange baai die tot 1988 deel uit maakte van het nationaal park Kornati. Het is één van de mooiste baaien van de Adriatische kust.

Het was vrij druk en we verlieten de boot en volgden de mensenmassa het eiland op. Na 5 minuten lopen kwamen we bij het zoutwater meer Mir waar veel mensen hun handdoeken neerlegden om te gaan relaxen. Wij wilden dit niet en volgden het wandelpad van 2.2 kilometer rondom het meer. Het was heel erg mooi.

Overal zagen we pijnbomen, olijfbomen en vijgenbomen. Toen we wat verder van het strandje af waren, hoorden we geen geroezemoes meer van de vele mensen maar het getsjirp van de krekels. Ongelofelijk wat een verschil het maakt als je bij de mensenmassa vandaan bent. We kwamen aan de andere kant van het meer uit bij een steile klif met uitzicht op de open zee. Er stonden veel opgestapelde steentjes en het uitzicht was prachtig.

We besloten om een duik te nemen in het Mir lake. We waren vooraf gewaarschuwd dat het water heel erg zout zou zijn. Het meer is door ondergrondse kanalen verbonden met de zee. De concentratie zout is echter hoger dan de zee door verdamping die plaats vind. De temperatuur van het water kan enorm verschillen en daarom is er maar weinig leven mogelijk in het meer.

Er zijn een paar uitzonderingen zoals plankton, algen, schelpdieren, slakken zeebaars en mul (vissoort). Na even het water in geweest te zijn, maakten we ons klaar om terug te lopen. We zochten een plekje in de baai waar de boot lag aangemeerd en gingen daar nog een tijdje snorkelen. De boot vertrok om 14:30 uur terug naar Zadar.

We waren nu op tijd aan boord en zochten een andere plaatsje dan op de heenweg. Blijkbaar werd ons dat niet in dank afgenomen door de mensen die op de heenreis op deze plek zaten. De blikken zeiden genoeg maar ze zeiden er niets van. Mensen zijn wat dat betreft echt kuddedieren en volgen een zelfde patroon. Wij lekker niet. Na een uurtje begonnen we allemaal wat te doezelen en hadden we geen tijd om ruzie te maken. Ik lag aan de ene kant tegen mamma en Keyro aan de andere kant, arme mamma.

We kwamen exact volgens schema aan in de haven van Zadar. Het was 18:00 uur en we liepen nog even het centrum in voor een paar foto’s te maken. Het weer was een stuk beter dan gisteren. We waren rond 20:00 uur terug in het appartement. Pappa maakte een heerlijke tikka masala met rijst klaar en we genoten ervan.

Eigenlijk wilden we terug gaan naar het centrum om nog twee kunstwerken te bezoeken: de Zonnegroet (glazen tegels die oplichten op basis van zonne-energie) en het zee-orgel (gepeeld door de golven van het water). Echter hadden we alle vier geen puf meer om weer naar het centrum heen en terug te lopen.

 

We bleven in het appartement en smikkelden als toetje van de geitenkaasjes met honing. Achteraf hadden we hier best nog een dag langer door kunnen brengen maar we hadden onze volgende accommodatie al geboekt dus dat ging niet meer. ’s Avonds lagen we weer laat in bed maar we hoeven morgen niet vroeg op dus dat is fijn.

Nationaal Park Plitvicemeren

Onze wake-up call was rond de klok van 6:00 uur. Wassen, aankleden en met de auto op weg naar de entree van het bekende Nacionalnj park Plitvička Jezera. Het was maar 6 kilometer rijden naar ingang 1, de meest noordelijke ingang. We parkeerden de auto en zagen, dat het ondanks dat het park net open was, al erg druk was.

We stonden een kwartiertje in de rij voor de tickets en toen konden we het park betreden. In 1979 werd het nationale park op de werelderfgoedlijst beschermde natuurgebieden van UNESCO gezet en het trekt in het hoogseizoen dagelijks duizenden bezoekers. Het totale oppervlakte van het park is maar liefst 266 vierkante kilometer. Het park is verdeeld in de bovenmeren (Gornja) en de benedenmeren (Donja).

In totaal zijn er in het park zestien meren die variëren in grootte en zijn er meer dan negentig watervallen te vinden. We begonnen aan de kant waar de meeste hoge watervallen van het park zich bevinden. We volgden een steil pad met haarspeldbochten naar beneden totdat we op het niveau kwamen van de meren. We hielden beneden in eerste instantie rechts aan om zo dichterbij de waterval te kunnen komen.

We liepen over een vlonder pad en stonden ineens bij de Veliki Slap (grote waterval). Het is de grootste waterval van het park en het water valt van 78 meter naar beneden in de rivier de Korana. We liepen het stukje vlonderpad terug en vervolgden route C door het park. De wandeling was zo’n 8 kilometer en zou 4 tot 6 uur duren volgens de bordjes. Gewone wandelpaden wisselden af met houten vlonderpaden.

Het ene moment liepen we door het bos en het andere moment langs of over een meer. Door afzetting gedurende duizenden jaren van het stromende water van de rivier de Korana zijn in dit gebied dammen ontstaan. De dammen hebben weer gezorgd dat er meren, watervallen en grotten zijn gevormd. Het park is echt adembenemend mooi. Naar mate de zon steeds meer door kwam, werden de meren steeds feller turquoise van kleur.

De kleurtinten kunnen veranderen door regen, zon en de hoeveelheid mineralen en organismen in het water. Het water is kraakhelder en je kon de hele onderwaterwereld aanschouwen vanaf de waterkant. Vissen zwommen in scholen voorbij, af en toe zagen we een kikker of een soort van kreeft. We namen de boot van P3 (pier 3) over het Kozjak meer naar P2 (pier 2), het gebied van de bovenmeren.

De meren in dit gebied waren kleiner en minder diep en de watervallen waren ook kleiner maar wel talrijker. Er was meer bos en alles was dichter begroeid. Blijkbaar wonen er in dit bos ook herten, wilde zwijnen, dassen, lynxen, beren en wolven. Tegen 11:00 uur waren we bij het eindpunt van de wandeling. We namen even een korte pauze om te bepalen wat we verder zouden gaan doen.

Het was aanzienlijk drukker aan het worden in het park en het was goed dat we zo vroeg waren begonnen met onze wandeling. We besloten om een andere route te volgen om nog wat meer van het park te zien. Sommige stukken waren hetzelfde als die van route C maar dat maakte ons niet uit. We kwamen in de file op de paden doordat die te smal waren om de enorme mensenmassa aan te kunnen.

We twijfelden of we nog de juiste route volgden maar konden nergens anders heen dus bleven we maar hopen dat we goed liepen. We moesten uiteindelijk een uur wachten op een vlonderpad dat uiteindelijk uitkwam bij de pier voor de bootjes.

Iedereen stond in de rij bij P2 (pier 2) om per boot naar de beneden meren te gaan maar wij moesten de andere boot naar P1 (pier 1) hebben. Uiteindelijk konden we het laatste stukje rij afsnijden door van het vlonderpad af te stappen en langs de wachtrij te lopen.

Niet heel erg netjes maar het scheelde ons zeker een half uur voor niets in de rij staan. Voor de boot die wij nodig hadden, stond geen wachtrij en we konden direct aan boord.

Vanaf P1 was het nog maar een klein stuk lopen naar het beginpunt van het treintje dat naar ingang 1 van het park reed. Het eindpunt was niet direct bij de ingang maar iets daarvoor. We moesten nog een stukje lopen. Een straf was het echter niet want we hadden van bovenaf een prachtig uitzicht over de verschillende meren en volle vlonderpaden.

We brachten nog een kort bezoekje aan een grot waar we geen hand voor ogen zagen. Fijn dat we tegenwoordig bijna allemaal een mobiele telefoon bij ons hebben met zaklamp-functie zodat we toch nog iets konden zien. Vanaf de grot waren we zo bij de parkeerplaats en met de auto ook zo weer bij de camping. ’s Avonds aten we bij de frituur van de camping een hamburgermenu.

Voor mij is het tot nu toe de vakantie van de hamburgers want die eet ik toch wel heel erg graag. Na het eten werd op het veldje voor onze tent nog lekker wat gevoetbald en gevolleybald. Morgen gaan we weer verder. Het plan was om naar Bosnië te gaan maar dat hebben pappa en mamma weer abrupt veranderd gezien de weersvoorspellingen die gedaan zijn. We gaan verder met onze reis door Kroatië en gaan de kust van Dalmatië afzakken.

Centraal Europa: Dag 16; Grotten van Nationaal Park Aggtelek

Helaas verlieten we vandaag de camping en het Slowaaks paradijs alweer. We zouden doorrijden naar buurland Hongarije. Jammer want in deze streek zijn nog een hoop mooie wandelingen te maken. Samen met pappa en mamma ruimde ik de tent op terwijl Keyro zijn boek lag te lezen op de picknicktafel. Hij had helemaal geen oog voor zijn omgeving en zat compleet met zijn gedachten in het boek. Voor de grap reden wij weg en nog had hij niets door. Pas toen we hem van een afstandje riepen besefte hij dat wij en de tent weg waren. Hij stapte snel in en we checkten uit.


Keyro zat zo diep in zijn boek dat hij ons niet hoorde vertrekken.

Om bij de grens te komen moesten we eerst rondom de bergen van het Slovenský Raj rijden. Het was een slingerende weg en op een gegeven moment moest ik overgeven. Normaal merk ik het altijd wel op tijd en heb ik de mogelijkheid om een plastic zak te pakken en daar in de spugen maar nu kwam het totaal onverwachts. Mijn tablet, kleding, autostoeltje, de grond en stoel voor mij spuugde ik helemaal onder. De weg was smal en er was maar weinig plek voor pappa om de auto te stoppen. De plek waar we stopten was niet ideaal maar alles moest schoongemaakt worden. De tablet was de eerste zorg en daarna moest ik uit de auto om me te verkleden en zo kon de auto ook schoongemaakt worden. Gelukkig hadden we twee flessen water bij ons en afwasmiddel. Het lukte pappa en mamma het meeste overgeefsel weg te halen. De geur bleef helaas wel hangen en dat zou ook nog wel even duren.

We vervolgden onze weg in de richting van de grens met Hongarije. We kwamen door kleine dorpjes en soms leek het of de tijd even had stil gestaan. In de omgeving met de grens zagen we het uiterlijk van de mensen veranderen. In de geschiedenis werden de grenzen van Slowakije en Hongarije vaker verlegd. Daardoor wonen er veel Duitsers en Serviërs in Slowakije en Hongarije.

De groep mensen die we hier zagen zijn zigeuners die Roma genoemd worden. Het is de verzamelnaam voor de grootste groep zigeuners die we kennen. Roma betekent “mensen” in het Romani (zigeunertaal). De Roma wonen in Europa, Noord en Zuid- Amerika, het Midden-Oosten en India. De meeste Roma wonen in Hongarije, Roemenië en de Balkanlanden. In de vijftiende eeuw trokken er voor het eerst zigeuners van India naar Hongarije. Het waren nomaden en ze trokken rond van land naar land. Ze hebben hun eigen taal en eigen cultuur. Onder andere de Hongaarse regering vond dat ze op één plek moesten blijven. Nu wonen de Roma vaak in woonwagenkampen of armoedige wijken.

Het leven van de Roma is niet gemakkelijk. Ze hebben een slechte naam en er zijn er veel vooroordelen over de Roma. Zo zouden ze stelen, liegen en veel dingen doen die volgens de wet niet mogen. Volgens de Roma is er zeker criminaliteit maar niet iedere Roma doet hier aan mee. Vroeger kwamen de Roma aan geld door het volk te vermaken. Zo traden ze op als waarzegster op de kermis of werd de toekomst voorspeld door middel van de hand of kaarten te lezen. De Roma staan bekend om hun opzwepende manier van muziek maken. Ze spelen vaak in een orkest op een viool, een bas, een gitaar of een accordeon. De kleding van de vrouwelijke Roma is vaak kleurrijk en sierlijk. Ze dragen jurken of rokken en veel sieraden ( gouden ringen, armbanden, oorringen en kettingen), kleurige hoofddoekjes en sjaaltjes. Het haar van de Roma is meestal zwart en de huid donker. Logisch want hun voorouders komen uit India.

Net voorbij de grens ligt het Nationaal Park Aggtelek met de bekendste en grootste druipsteengrotten in Hongarije. Samen met het aangrenzende Nationaal Park Slovenský kras (Slowaaks karst) staat het op de werelderfgoedlijst van de UNESCO. In het Nationaal Park Aggtelek zijn tot nu toe 712 grotten gevonden. Natuurlijk zijn deze niet allemaal toegankelijk voor publiek. Er zijn drie ingangen (één natuurlijke en twee kunstmatige) om het Baradla Barlanggrottenstelsel te bezoeken. Wij reden naar de natuurlijke ingang bij het dorpje Aggtelek en zouden de Baradia-grot gaan bezoeken. Het kaartjes kopen ging erg vlot en we konden er met onze Europas betalen.

Heel fijn omdat we nog geen Hongaarse Forinten hadden kunnen pinnen. We moesten nog even wachten tot de rondleiding zou beginnen. De groep bleek vrij groot te zijn en de rondleiding was in het Hongaars. We hadden wel een Engels programma met uitleg meegekregen zodat we beter begrepen wat we allemaal zagen. Het Baradia grottenstelsel is op Hongaars grondgebied zo’n 17 kilometer lang en het werd in het verleden bewoond door de prehistorische mens. De grot wordt nog steeds bestudeerd door wetenschappers vanwege de prachtige geologie.

In de grot zagen we de ondergrondse rivier Styx, enorme druipstenen (stalagmieten en stalactieten) en enorme rotshallen. De grotten zijn op een natuurlijke manier ontstaan in het kalksteen. Het ontstaat door stromen van koolzuurhoudend water die door de kalksteen heen vloeien. Hierdoor wordt de kalksteen langzaam oplost. Het proces van oplossen wordt het Karst verschijnsel genoemd. Er ontstaan vaak prachtige vormen zoals pegels, zuilen en pilaren. Op de plaats waar de waterdruppels door het dak van de grot sijpelen ontstaat een stalactiet.

Op de plaats waar de druppels op de bodem vallen ontstaat een stalagmiet. Als beiden elkaar raken ontstaat er een zuil. De stalactieten en stalagmieten groeien maar enkele centimeters per eeuw. Pappa en mamma leerden ons het verschil te onthouden tussen stalactieten en stalagmieten. Het ezelsbruggetje is: stalactieten zijn net tieten, die hangen! Haha, wat een lol hebben we hierom gehad.

Onze gids was af en toe wat snel met het uitdoen van het licht maar toen we hem dit duidelijk hadden gemaakt, bleef hij netjes wachten tot de laatste deelnemers aan de rondleiding, voorbij waren. Wat we tijdens de rondleiding zagen was echt sprookjesachtig en onbeschrijfelijk. Je moet het gewoon zelf zien, echt heel mooi! Na de rondleiding reden we verder in de richting van de stad Eger in het Noordoosten van Hongarije.

Halverwege werd het even spannend omdat we bijna zonder diesel zaten. Gelukkig vonden we net op tijd een Shell tankstation en konden we daar in de buurt ook direct Forinten pinnen bij een bankgebouw. Het was best nog een stuk rijden en de weg ging vooral binnendoor. Eger ligt in een vallei tussen het Mátra- en het Bükk-gebergte en de uitzichten onderweg waren prachtig.

We hadden een camping gevonden aan de rand van het centrum van Eger en hoopten dat er nog plaats vrij was. Camping Tulipán had nog plaats en we reden wat rond voor een plekje. De meeste plaatsen waren afgebakend met heggetjes en er was maar weinig schaduw te vinden. De tent was vrij snel opgezet en we hadden wat tijd om even te relaxen en verder niets te doen.

De camping is omringd door wijngaarden en ligt in Szépasszonyvölgy, de vallei van de Mooie Vrouwen. In deze vallei vindt men veel wijnkelders waar de streek om bekend staat. We liepen er naar toe en zagen direct dat het vrij toeristisch van opzet was. Er bleek zelfs een treintje vanuit het centrum hier naar toe te rijden. Er zijn veel restaurants en op grote schaal wijnkelders, zo’n 200 in totaal.

Hier kun je wijn proeven en direct van de wijnboeren een fles wijn kopen. De bekendste wijn van Eger is de donkerrode, kruidige Egri Bikavér. De wijn wordt ook wel het “Stierenbloed van Eger” genoemd. Wij namen plaats bij één van de vele restaurants en Keyro en ik bestelden een schnitzel met frietjes en pappa en mamma namen een schotel met gepaneerde groenten (bloemkool, champignons), gebakken kaas, schnitzel en aardappelen.

Mamma bestelde een glas stierenbloedwijn (Egri Bikavér) en ze vertelde ons dat het haar goed smaakte. Op de terugweg maakte ik nog een flinke smakker op de straat. Keyro liep te treiteren en daardoor stapte ik naast de stoeprand. Ik kwam keihard met mijn mond en kin op de straat terecht. Gelukkig bloedde alleen mijn tong en had ik geen gat in mijn kin. Het was vooral de schrik die mij van streek maakte. Op de camping gingen Keyro en ik nog wat spelen in het donker totdat het licht begon te regenen en we naar bed moesten.

Centraal Europa: Dag 9; Wandeling Velký Rozsutec

Voor vandaag stond er een wandeling op het programma in het Nationaal Park Malá Fatra. Met de auto reden we naar Hotel Diery nabij het dorp Biely Potok. Hier vandaan vertrekken veel wandelingen het Malá Fatra gebied in. Het Nationaal Park Malá Fatra behoort al jarenlang tot de drukst bezochte plaatsen. Het zou ook één van de mooiste berggebieden van het land zijn.

We parkeerden (betaald) onze auto en maakten aan de hand van de plattegrond een keuze welke wandeling we wilden gaan maken. Het werd de blauwe route in de richting van de op 1344 meter hoogte gelegen Veľký Rozsutec. De wandeling is een vrij populaire dagtocht en in het begin liepen we af en toe in optocht over het wandelpad. In het begin liepen we door het beekdal op een wandelpad met bruggetjes en trappetjes.

Ronac struikelde al vrij snel doordat er iemand in de weg stond en schaafde zijn hele knie open op het grindpad. Bij het kruispunt van Podžiar aangekomen namen wij de blauwe route rechtdoor en veel mensen volgden een kortere route linksaf. Het werd al snel een stuk rustiger om te lopen.

De route kreeg wel steeds meer uitdaging en het pad ging over de rotsen en af en toe moesten we bij steile stukken een ketting vast houden. De wandelroute volgde de rivier Dierový potok. Het rots massief, de kloven en de ravijnen werden afgewisseld met dennenbossen en watervalletjes.

We kwamen langs waterval Horné Diery naar de bergpas Sedlo Miedzirozsutce. Het laatste stuk naar de Sedlo Miedzirozsutce was flink zweten en de vermoeidheid van het naar boven lopen en klimmen en klauteren sloeg toe. We rustten lange tijd uit en genoten van het uitzicht. In dit gebied leefde Juraj Jánošík. Deze opstandeling, strijder en rover was een soort Robin Hood en is een nationale held van Slowakije. De verhalen van deze volksheld leven nog steeds voort in literatuur, opera’s en musicals.

Pappa besloot om alleen het laatste stuk naar de Veľký Rozsutec te lopen en mamma en wij zouden aan de terugweg beginnen. Het eerste stuk was lastig door een stuk bos dat tegen de steile bergwand van de Veľký Rozsutec was gelegen. Het was glad en modderig en met angst om niet naar beneden te glijden, wist mamma ons één voor één veilig verder te loodsen. Wij waren op sommige momenten toch wel wat angstig.

Na ongeveer een half uur gelopen te hebben, zagen we pappa alweer aan komen. Hij haalde ons in en met zijn vieren liepen we verder. Het laatste gedeelte van de wandeling was vrij vlak en we eindigden bij Hotel Diery.

We hadden honger gekregen en zochten een tafel bij restaurant Terchovská Koliba Diery. Ronac nam een pannenkoek met fruit, pappa en mamma een schotel met diverse Slowaakse specialiteiten (o.a. halušky, bryndza en worst ) en ik een schnitzel met spek en gebakken aardappelen. Op de camping speelden we nog voetbal en in de speeltuin. We eindigden de dag met een ijsje en vielen in slaap bij de gitaar spelende buurman.

Komodo National Park


Ergens rond de klok van 5:00 uur werden we in onze slaap even gewekt door de zingende klanken van de muezzin, de persoon die de moslims oproept tot gebed. Gelukkig vielen we daarna nog even in slaap om rond 7:30 uur wakker te worden en op te staan. We pakten onze spullen en genoten nog even snel van een lekker ontbijtbuffet met pannenkoeken, mie goreng en nasi putih. Op de afgesproken tijd (08:30 uur) stonden we bij het kantoor van de rederij. Er waren sinds gisteravond nog acht extra mensen bij gekomen en zo kwam het aantal passagiers aan boord in totaal op veertien. We moesten lopend naar de haven en de straat langs de haven is een combinatie van traditionele havenbedrijvigheid, souvenir shops, duikscholen, restaurants en kleine hotelletjes. In de haven moesten we wat hindernissen overbruggen om bij de boot te komen.


Het werd klimmen en klauteren over de relingen van de schepen. Op de boot maakten we kennis met de hele groep. Twee Duitsers (Berndt en Franziska), twee Noord Italianen, twee Fransen (broer en zus), een Engelsman, een Amerikaans/Japans koppel en een Indonesisch meisje. Een gevarieerd gezelschap dus. Het personeel aan boord bestond uit een man of acht. We lieten de haven al snel achter ons en gingen over de Flores zee op weg naar het Komodo National Park. Het was een paar uur varen en in de tussentijd werd aan boord de lunch bereidt en verorberd. Lekkere nasi putih met gado gado en kroepoek. Als toetje was er vers fruit van watermeloen en ananas. De maaltijden, water, koffie en thee aan boord zijn inclusief. In de zeestraat tussen de eilanden Sumbawa en Flores liggen Pulau Komodo en Pulau Rinca. Op deze eilanden leeft de Komodovaraan. Het is een hagedis uit de familie die ze ook wel varanen noemen. Het is de grootste varaan/hagedis ter wereld en één van de oudste nog levende diersoorten die 60 miljoen jaar geleden leefde.

De lokale bevolking noemt de varaan “ora” wat ‘mond’ betekent. Andere namen zijn biawak raksasa (reuzenvaraan) en buaja darat wat landkrokodil betekent. We bezochten als eerste Pulau Rinca. Met een klein bootje werden we van de grote boot naar het eiland gebracht. Op de steiger stond een bord dat waarschuwde voor krokodillen in het water maar wij zagen alleen heel veel vissen in het heldere water. We moesten een klein stukje lopen naar het hoofdkwartier van het park om ons te laten registreren. Hier werden we door een in onze ogen “belangrijke” man welkom geheten. We moesten hier ook betalen, onder andere de entree voor het park, toeslag voor de fotocamera en de gids tijdens de wandeling over het eiland. We liepen naar buiten en kregen een ranger toegewezen die ons zou begeleiden tijdens de wandeling. Je mag niet alleen rondlopen in het park. Je moet altijd onder begeleiding van een ranger die een grote stok met een V-vormig einde heeft. Hiermee kan hij de varanen op afstand houden als het nodig is. We konden kiezen uit een aantal “hikes” en namen de “medium trek” van ongeveer anderhalf uur lopen.

We liepen het kamp een klein stukje uit en zagen, net voorbij het hoofdkwartier bij de gaarkeuken, al een aantal komodovaranen in de zon liggen om op te warmen. Ondanks dat de varanen niet gevoerd worden, komen ze toch op de geur van het eten af. De komodovaraan werd pas on 1910 ontdekt en bestudeerd door biologen. Vanwege het kleine gebeid waar de komodovaraan voorkomt is het een kwetsbare diersoort en is het afhankelijk van bescherming. Het zijn enorme beesten, die tot wel drie meter groot kunnen worden. We liepen het bos in op zoek naar een andere varaan. Al snel had onze ranger er eentje gespot in de begroeiing langs het pad. De varaan stond net op en liep een stuk voor ons uit langs de bosrand. Met de grote varaan nog in onze ooghoeken, zagen we aan de andere kant een kleine jonge varaan van ongeveer één jaar oud lopen. Even dachten we dat de grote varaan achter de kleine varaan aan zou gaan, het zijn namelijk echte kannibalen, maar ze kruisten elkaar op een aantal meter en gingen ieder hun eigen weg. Na een tijdje lopen verlieten we de beschutting van het bos en kwamen we in een open gebied met grasachtige begroeiing.


Het was in de zon echt bloedheet en dat maakte de wandeling minder aangenaam. Het zweet parelde op ons lichaam en liep in straaltjes naar beneden. We zagen nog een kolonie langstaartmakaak apen, wilde zwijntjes, Javaanse hertjes en een bijennest. Onze wandeling eindigde bij het park hoofdkwartier en daar vandaan liepen we terug naar de steiger voor de boten. We gingen aan boord en vervolgden de tocht naar het volgende eiland, pulau Komodo. Als je alle eilanden vanaf bovenaf ziet liggen, lijken ze dicht bij elkaar te liggen. Het lijkt zo want in de praktijk valt dat wel tegen. Het was nog een aardig stukje varen. Ondertussen was het later op de middag geworden (16:00 uur)  en de meeste toeristen hadden Pulau Komodo al bezocht en waren weer vertrokken. Onze groep was samen met een andere groep nog de enige die op zoek gingen naar de komodovaranen. We kregen een ervaren gids/ranger toegewezen en drie helpers gewapend met V-stok. Wij mochten hier zelf ook een stok in de hand nemen om de varanen op afstand te houden. Ronac had direct een “click” met de gids en liep al snel hand in hand met hem voorop.


We waren net vertrokken toen we al een varaan zagen liggen in het gras. Het was een van de oudere varanen van het park. We konden hem goed bekijken. We zagen een langwerpig lichaam en een lange staart. Ze kunnen tot wel drie meter lang worden en een volwassen mannetje kan wel 150 kilo wegen. Een mannetje is beduidend groter dan het vrouwtje maar omdat jongere en oudere varanen samen leven is het in de praktijk moeilijk te onderscheiden. Hij heeft vier gebogen poten en een brede en platte kop. Aan de poten zitten lange platte, gekromde mesachtige nagels. De huid van de varaan is bedekt met schubben die ongeveer zo dik zijn als je nagel. In de bek van de varaan zitten ongeveer een 60-tal tanden waardoor ze als een zaag makkelijk door het vlees van hun prooi kunnen snijden en er stukken af kunnen scheuren. De komodovaraan is een echte vleeseter en hij eet naast levende prooien ook wel aas (dode dieren). Met behulp van zijn oren, ogen en vooral zijn tong zoekt hij een mogelijke prooi. De varaan zal proberen om zijn prooi direct te doden maar dit lukt niet altijd. Een prooi bezwijkt echter snel door de (giftige) beet van de varaan die kan leiden tot bloedvergiftiging. Door zijn gespleten tong, kan een varaan bij een gunstige wind, een rottend karkas op een afstand van meer dan acht kilometer opsporen. De stok in onze handen voelt ineens als een wat klein wapen tegen deze bijna drie meter lange ‘draak’, zoals ontdekkingsreizigers het zeldzame dier vroeger beschreven.


Wij liepen rustig verder met Ronac en de gids voorop. Het duurde niet lang of een varaan kruiste ons op het pad. Hij/zij besloot om het pad te volgen en liep voor ons uit. Wij volgden op gepaste afstand. Ronac en de gids als eerste. Ronac voelde zich natuurlijk wel heel erg cool om zo dicht achter de varaan te lopen. Het imposante van de varanen is dat ze zich bij het lopen helemaal oprichten. Ze zien er bij het lopen direct veel dreigender en enger uit. Ze waggelen van links naar rechts, en kunnen een behoorlijke snelheid ontwikkelen. De varaan ging uiteindelijk het pad af en verdween rustig in de struiken. We hadden erg veel geluk want niet veel later zat er weer eentje midden op onze trail. Deze wilde echter niet van het pad afwijken en wij moesten daarvoor zelf uitwijken naar de struiken. Ronac en de gids gingen voorop. Toen mamma ging, hoorde de varaan takken kraken en hij keek haar een lange tijd aan. Gelukkig bleef ze muisstil staan. Eén van de helpers moest uiteindelijk voor afleiding zorgen zodat de hele groep de varaan veilig kon passeren. Wow, het was wel een spannende ervaring.

Echt heel gaaf om deze imposante beesten van dichtbij mee te maken in hun eigen leefomgeving. We wandelden verder en kwamen bij een hoger gelegen gebied en daar vandaan hadden we ook weer een mooi uitzicht over de omgeving. Weer terug bij het kamp, kochten we van één van de helpers, twee kleine beeldjes van een varaan. Het begon al schemerig te worden toen we Pulau Komodo verlieten. We zouden richting Pulau Kalong varen om daar voor anker te gaan en de nacht door te brengen. Op dit eiland hangen ook duizenden vliegende honden in bomen die uitvliegen tegen de schemering.


We kwamen er pas bij donker aan en er waren geen vliegende honden meer te zien.We kregen een lekker diner voorgeschoteld en daarna mochten we nog even op de tablet een spelletje doen en een filmpje kijken. Omdat we met veel minder mensen aan boord waren dan de berekende capaciteit, konden we kiezen waar we wilden slapen. Je kon ook boven op dek slapen dan heb je natuurlijke airco. Wij sliepen de eerste nacht beneden onder het dek. In het begin bleek het beneden toch wel erg warm te zijn en de dieseldampen zijn ook niet echt lekker. Ik zou er niet aan moeten denken dat je hier met 16 of meer personen slaapt! In de loop van de nacht koelde het echter flink af en hadden we niet genoeg aan alleen de dunne deken. Onze lange broek en fleece vest bood uiteindelijk genoeg warmte om lekker te kunnen slapen.

Dag 7; Oppdal; Nasjonal park Rondane

De wekker stond vanmorgen op 7:00 uur afgesteld en we hadden allemaal weinig zin om op te staan. Uiteindelijk werd er in sneltreinvaart aangekleed, gegeten, ingepakt en schoongemaakt. We verlieten de leuke camping Pluscamp Rustberg om 8:30 uur. De route naar Oppdal zou gaan via de Rondeveien en het Dovrefjell Nasjonal Park. Net zoals gisteren was het bewolkt maar droog. We verlieten net na Ringebu de hoofdweg om de 75 kilometer lange toeristische route door het Ronadane Nasjonal Park te volgen. Het park is het oudste park van Noorwegen en werd in 1962 opgericht. Het ligt deels in de provincie Hedmark en deels in de provincie Oppland. In het gebied ligt een hooggebergte met 10 bergtoppen boven de 2000 meter.

Ontbijten langs de weg.

Wat ons al snel op viel was dat er weinig begroeiing was. Het is een vrij droog klimaat en de bodem bevat weinig voedingstoffen. We zagen vooral rotsen bedekt met korstmossen en af en toe wat struiken veenbessen of bosbessen. Het was een prachtige ongerepte en ruige wildernis. Onderweg waren mooie parkeerplaatsen met mooie uitzichten. Zo stopten we bij het uitzichtpunt Sohlbergplassen. Hier hadden we een schitterend uitzicht over het meer Atnsjøen en de “blauwe”bergen van Rondane. Schilder Harald Sohlberg gebruikte dit decor voor zijn schilderij “Winternacht in de Bergen”. Halverwege maakten we bij Strømbu een stop om te gaan lunchen. De parking is ontworpen door architect Carl-Viggo Hølmebakk. Het was een mooie plek met zicht op de bergen aan de Atna, een wild stromende rivier. We smeerden een boterham en aten deze met veel smaak.

Na de lunch trokken we onze wandelschoenen aan voor een korte wandeling. We volgden de oever van de rivier tot aan de hangbrug. De hangbrug staken we voorzichtig over en we volgden een route over een onverhard pad. Het begon Het pad was modderig en overal lagen nog plassen waar we voorzichtig om heen moesten lopen om geen natte voeten te krijgen.

Het begon licht te regenen maar het eerste stuk van de wandeling ging door een groen bos en we hadden weinig last van de regen. In het bos groeiden onder andere kleine berkjes, naaldbomen en prachtige varens. Het gebied bleef drassig en we werden flink belaagd door zwermen muggen die hier leven in de moerassen. We moesten blijven lopen om zo min mogelijk geprikt te worden.

We werden af en toe geraakt door Ronac de “muggenmepper” die maar om zich heen bleef slaan om de vervelende muggen van iedereen af te houden. Na een paar kilometer kwamen we in een open gebied met rotsen en mosgebied. Het rendiermos dat hier groeide is struikvormig en groengrijs gekleurd. Het dankt zijn naam aan de vorm die lijkt op een hertengewei. Het mos lijkt op een plant maar bestaat in werkelijkheid uit twee organismen, een schimmel en een alg (groenwier). In sommige gebieden zoals in Lapland eten rendieren het mos. Vroeger werd het ook wel gebruikt om matrassen en kussens van te maken. Het mos zorgde voor een sprookjesachtige sfeer in het bos.


Tijdens de wandeling zagen we sporen van dieren. We vonden hoopjes met keutels die waarschijnlijk van konijnen en herten waren. Ook leeft in dit gebied de veelvraat, vos, marter en nerts maar daar zagen we geen sporen van. Terwijl wij na een kilometer of twee aan de terugweg begonnen, liep pappa nog een stukje door. Net voor de hangbrug bij een klein beekje wachtten we op zijn terugkeer. Het duurde nog even en we hadden dorst gekregen van de wandeling. Mamma vertelde ons dat je in onbewoonde gebieden in Noorwegen water uit beken en rivieren kunt drinken. Wij maakten kommetjes van onze handen en dronken zo het koele en schone water uit de beek. Heerlijk! Toen pappa terugkeerde liepen we het laatste stukje gezamenlijk terug naar de parkeerplaats. Met de auto vervolgden we onze tocht in de richting Hjerkinn.

We misten de afslag naar Snøhetta uitzichtpunt aan de rand van het Nasjonal Park Dovrefjell. Ondanks de regen was ook hier het landschap weer adembenemend. We maakten onderweg nog een paar stops. Bij één van deze stops liepen we een klein stukje van de oude “Hogronden” weg. Vanaf een brug hadden we mooi zicht op een van de vele watervallen die hier langs de bergwanden naar beneden storten. In de namiddag arriveerden we bij de Granmo camping zo’n zes kilometer ten zuiden van Oppdal. We kregen bij de receptie de sleutel van onze kampeerhut (nr.24).

Naast onze hut lag direct de speeltuin en ook het vernieuwde sanitairgebouw met familiebadkamers lag dichtbij. Terwijl wij speelden deed mamma de was en pappa pakte de auto uit. Ik liep met pappa nog even naar de rivier de Driva die langs de camping stroomt.

Kok pappa maakte vandaag een overheerlijke chili con carne waar ik van bleef eten. Na het eten vermaakten we ons met Noorse en Finse kindjes in de speeltuin. Vanaf een bankje werd er op de trampoline gesprongen. Sommigen haalden wel hele gevaarlijke toeren uit op de trampoline. In de avond koelde het behoorlijk af en zetten we zelfs heel even de verwarming in het hutje aan. We vielen laat in slaap maar dat maakte niet uit want morgen kunnen we lekker uitslapen en zijn er nog geen plannen.

Created with Nokia Smart Cam

Dag 18; Op safari

Jeetje, het was heel erg vroeg en nog donker toen pappa en mamma ons wakker maakten. We gingen op jeepsafari in het Yala National Park. De jeep stond buiten het hek van het hotel op ons te wachten. We stapten in en het duurde niet lang meer of we vielen weer in slaap door al het gehobbel van de 4WD jeep. Het bleek nog een half uurtje rijden te zijn naar de ingang van het nationale park. We waren de tweede wachtende in de rij om het park binnen te gaan en moesten wachten tot het hek open ging. Yala National Park is een van de oudste en bekendste nationale parken van Sri Lanka. Het park beslaat een oppervlakte van 1297 km² wat Yala National Park het grootste natuurgebied van het land maakt. Het Yala National park wordt gezien als één van de hoogtepunten van Sri Lanka en is daarom ook zeer druk bezocht door toeristen.


Op zoek naar wildlife in Yala National Park.
Eenmaal in het park reden we over zandpaden met tientallen andere jeeps en af en toe zelfs in colonne. Elke jeepchauffeur wilde zijn gasten zoveel mogelijk vogels en dieren laten zien. Nana had onze chauffeur cq spotter gevraagd om naar het leefgebied te gaan van het luipaard. Olifanten zaten hier ook maar deze hebben we in Minneriya National Park al goed kunnen zien. Het gebied was droog bosland met veel open vlaktes en kleine meertjes. We zien al snel verschillende vogels onder andere bijeneters, Indische Nimmerzats (soort ooievaar), ibissen en de nationale vogel van Sri Lanka de Ceylonhoen. Ook zagen we een aantal jakhalzen rondlopen op zoek naar karkassen van dieren om op te eten. Ook zagen we herten, wilde zwijnen, olifanten en krokodillen. Keyro miste het allemaal want die was in een hele diepe slaap en met geen kanon wakker te krijgen.

We zagen verschillende grote krokodillen.

 

Na een paar uur rond rijden en hobbelen, stopten we bij de kust. Op deze plaats konden we even uitstappen, de benen strekken en even iets eten uit ons ontbijtpakket. Op deze plek stond ook het tsunami-monument. Op tweede kerstdag 2004 kwamen in dit park 49 toeristen, chauffeurs en gidsen om het leven door de tsunami die toesloeg tijdens hun safari. Het lukte Keyro uiteindelijk om wakker te worden en het laatste stukje van de safari mee te beleven. Een luipaard werd helaas niet gevonden. Uiteindelijk verlieten we Yala park en waren we rond de klok van 11:00 uur terug bij ons hotel.


Nu weet ik waarom ze deze dieren waterbuffels noemen.

Natuurlijk werd ons gevraagd of we op eigen kosten in de middag nog een keer op safari wilden gaan. Keyro wilde het zo graag dat pappa en mamma toezegden en we dus nog een keer gingen. Om de tussenliggende tijd te overbruggen gingen we lekker naar het zwembad om te zwemmen. Er waren twee Nederlandse meisjes waar we een tijdje mee speelden totdat zij vertrokken naar hun nieuwe bestemming. We werden om 15: 00 uur  opnieuw afgehaald door dezelfde chauffeur. Eerst de circa 21 kilometer naar het park en toen snel naar het west-blok van het park. In dit gebied van het park heb je de meeste kans om het mysterieuze luipaard te spotten. Keyro zat op zijn “spotterstoel” en zag heel erg veel dieren maar geen luipaard.


Even genieten op het strand tijdens een pauze in Yala NP.

We reden lange tijd rondjes over de verschillende wegen net zoals veel andere jeeps. Het leek erop dat iedereen op zoek was naar één van de 35 in het park levende luipaarden. Ondanks de vele auto’s werd het luipaard niet gespot. Onze chauffeur belde met bevriende collega’s maar niemand had iets vernomen of gezien. Gelukkig werd onze zoektocht af en toe wel onderbroken door andere dieren die wel konden spotten. We zagen een paar bijeneters en een landvaraan van wel heel dicht bij. Ook zagen we een paar die op de weg liepen. Onze gids haalde wat acrobatische toeren uit en wurmde zich met zijn jeep tussen de andere jeeps voor een betere positie. Toen de olifanten weg waren reden we verder en draaide de chauffeur op de weg. Dit werd gezien door de parkbewaking en hij kreeg een flink standje van een man met een geweer in zijn hand dat hij dat niet mocht doen. De reden waarom hij draaide was dat er bericht was dat er in de buurt een luipaard gesignaleerd was.

We reden samen met een hoeveelheid andere jeeps drie keer hetzelfde pad af maar geen luipaard. Helaas begon het donker te worden en moeten de jeeps voor een bepaalde tijd het park uit zijn. Indien de chauffeur zich hier niet aan de regels houdt , krijgt hij een boete. We moesten dus echt omdraaien en terug keren naar de uitgang. Vlak voordat we het park uitreden, kwamen we oog in oog te staan met een zogenaamde “tusker”. Zo noemt men een mannetjesolifant met enorme slagtanden ook wel. Het was weliswaar nog geen volgroeid mannetje maar hij had wel flinke slagtanden. Hij liep wat heen en weer op de weg. We konden hem echt heel goed bekijken en bijna aanraken. Van zo dichtbij hadden we de olifanten zelfs in Minneriya National Park niet gezien.


Overstekende olifanten.

Ondanks dat de luipaarden zich ook tijdens deze twee safari’s niet lieten zien vonden we het allemaal toch zeker de moeite waard. Het landschap was prachtig en we hebben veel dieren kunnen zien. Na terugkomst fristen we ons snel op en gingen daarna direct naar het restaurant voor het avondeten. Opnieuw was het goed verzorgd met een voorgerecht, soep en keuze uit twee hoofd- en nagerechten. Morgen verlaten we deze plek voor voor een volgende bestemming aan het strand.

 

 

Christoffelpark (dag 22)

Op onze laatste volledige dag op Curaçao vertrokken we naar de Noordwest kant van het eiland. We reden als eerste naar het grootste Nationale park van het eiland. Het Christoffelpark bleek verdeeld te zijn over twee gedeelten. We hadden eigenlijk een wandeling willen gaan maken maar waren weer te laat opgestaan en besloten om beide autoroutes in het park te doen.  In het park lagen drie plantages (savonet, Zevenbergen en Zorgvlied) en het werd in 1978 beschermd gebied.

We betaalden de entree en staken met de auto de grote weg over. De autoroute was eenrichtingsverkeer dus konden we niet verdwalen. De eerste stop was bij de ruïne van de Zorgvlied plantage. We liepen er rond en zagen veel kaarscactussen met enorme stekels en hagedisjes. Een cactus is een vetplant die water opslaat in wortel, stengel of blad. Cactussen groeien met name in gebieden met droge tot minder droge seizoenen. De doorns zijn voor de warmteregulering en bescherming tegen dieren. We zagen ook een grote ronde paal en men vermoedde dat deze diende om slaven wrede straffen te geven.

 

We reden verder door het natuurpark over steile wegen en ons kleine KIA autootje trok het berg op maar net. Er was flink wat hoogteverschil in het heuvellandschap. We maakten een paar stops bij mooie uitzichtpunten. De flora was heel gevarieerd en anders dan op andere plekken op het eiland. Er groeiden wilde orchideeën, cactussen, acacia, agave, baardmos en bromelia’s. Een van de laatste stops was aan de voet van de Christoffelberg, met 377 meter het hoogste punt van Curacao. De berg is vernoemd naar de ontdekkingsreiziger Christoffel Columbus. Als laatste zagen we nog een ingang van de oude kopermijn. In de rotsen was de koper nog duidelijk zichtbaar.


Uitzicht over het mooie park.

We reden terug naar de ingang bij landhuis Savonet. Het landhuis werd gebouwd in 1645 en behoort tot één van de oudste en grootste plantages van Curacao. Het is nu een museum maar wij bezochten het niet. We aten bij het kleine café een tosti of broodje met iets te drinken. Om ons heen liepen allemaal hagedisjes en Ronac riep steeds “Hadisje, nog één, nog hadisje” grappig was dat. Wij zagen vaak de Blauw-Blauw hagedis die veel voorkomt hier op het eiland. De mannetjes hebben een blauwe kop en blauwgroene poten en staart. De vrouwtjes en kinderen zijn bruinachtig van kleur. Voor ons was het leuk om deze snelle beestjes te spotten.

Onze tweede autoroute ging naar de ruige noordkust. We waren net onderweg of pappa zag al een grote leguaan (Iguana Iguana). Hij rende er hard vandoor en klom snel in een hoge boom.


Ons laatste prachtige strandje.

De lokale bevolking noemt de leguaan ook wel “Yuana” en hij wordt vaak gevangen en gegeten. We maakten een paar tussenstops bij mooie uitzichtpunten. Bij Boka Grandi (grote baai) maakten we een langere stop. We wandelden eerst over een kalksteen rotsplateau op een ondergrond van vulkanisch gesteente. De noordkust was ruig, rotsachtig en er waren hoge golven. De kustlijn was woest en wild en er waaide een flinke wind. De oostelijke tot noordoostelijke passaatwind is bijna altijd aanwezig aan deze kant van de kust. We liepen verder naar beneden om de inham van een andere kant te bekijken.

Verder bezochten we later op de route nog een rotswand met indianentekeningen. De tekeningen zijn bekende diersoorten al kon ik er maar weinig uithalen. De tekeningen zijn vermoedelijk tussen de 500 en 2000 jaar oud. We eindigden onze rondrit weer bij het Landhuis Savonet. Het Christoffelpark is een absolute aanrader, schitterend!


Nog één keer spetteren in het heldere water.

We reden met de auto verder en kwamen al vrij snel aan in het dorp Westpunt. Het werd gesticht door vrijgemaakte slaven na de afschaffing van de slavernij. In het dorp staan veel vakantiehuisjes en verder was er weinig te doen. We stopten bij een restaurant langs de weg om iets te gaan drinken. We maakten kennis met een lokale man die zijn leguaan bovenop pappa’s hoofd zette. Ook sprongen er een paar lokale jongens van de kalkstenen klippen (zo’n 5 meter hoogte) in het heldere water van de baai. We dronken iets op het terras met uitzicht op zee. Ze hadden hier ook een kinderspeelhuisje en we hoefden ons dus niet te vervelen.

Op de weg terug stopten we bij een bekend strand namelijk Kleine Knip (Playa Kenepa Chiki). Ook hier komen veel lokale mensen om te spelen, zwemmen en te barbecueën. Vlakbij dit strand ligt ook het Grote Knip strand.
De stranden zijn vergelijkbaar alleen is het ene groter en het andere kleiner. Wij  hadden we de kleinere gekozen omdat dit vaak wat minder druk en toeristisch is.


Ronac kan ook al heel goed onderwater zwemmen.

Het strand van Kleine Knip lag in een inham ingeklemd tussen de steile rotsen. De Kleine Knip was een gratis strand en er waren verder geen faciliteiten aanwezig. Er stonden een paar palapa’s en bankjes op het strand. Om in de zee te komen moesten we eerst over steenkoraal lopen die regelmatig uit zee aanspoelen. Er werd weer lekker gezwommen, gesnorkeld, gebouwd (zandkastelen en dammen) en gerelaxt. We bleven een lange tijd tot het begon te schemeren en vertrokken toen weer terug naar het appartement.

De avond sloten we af met een diner dat we bestelden bij Kunuku’s Hut. Natuurlijk wilden we weer frietjes met een hamburger, jummie. We gingen vanavond op tijd naar bed want pappa en mamma moesten de spullen weer in gaan pakken. Morgen zit onze vakantie er helaas op en vertrekken we weer naar Nederland.