Met de jeep over de Wolkenpas

Ons verblijf in Hué zat er al weer op. We reisden vandaag verder naar kustplaats Hoi An. Pappa en mamma brachten rond 8:00 uur onze rugzakken naar Brothers Travel en die zouden per bus naar Hoi An vervoerd worden. Ons vervoer voor vandaag was een oude Amerikaanse legerjeep. Onze chauffeur en gids was Huy. We maakten even een paar foto’s voordat we rond de klok van 9:00 uur vertrokken. Al snel lieten we Hué achter ons. Huy reed rustig en we hadden alle tijd.

Op weg naar Hoi An!

We zouden de populaire route nemen over de Hai Van pas. In totaal was de trip zo’n 160 kilometer. Onderweg zouden we diverse stops maken zodat we ook wat van de omgeving kunnen zien. Keyro voelde zich vandaag niet zo heel fit en was nog erg moe. Ergens langs de hoofdweg maken we een stop bij klein vissersdorp. Hiervandaan was er ook een prachtig uitzicht over de kust en de bergen in het achterland.

We reden verder en namen na een half uur een afslag naar recht, landinwaarts. We passeerden een controle punt waar betaald moest worden. De weg die we volgden was een zandweg met putten en het was hobbelig en we slingerden alle kanten op. De natuur was hier echt prachtig.

Spannende jeep rit, Ronac als hulpchauffeur

We parkeerden de auto en liepen te voet verder naar Soui Voi, de olifantenwaterval. We waren de drukte net voor en kleedden ons snel om zodat we een duik konden nemen in de verschillende bassins bij de waterval. Het geheel is erg toeristisch ingericht en ingesteld maar dat neemt niet weg dat het een mooi stukje natuur is. Het uitzicht op de bergen is echt geweldig mooi.

Samen met pappa of mamma gleed ik van de stenen af naar beneden. Nog geen half uur later begon het druk te worden en konden wij ons weer aankleden om verder te gaan.

Een prachtig uitzicht vanaf ons lunchadres.

De volgende stop was voor de lunch. We stopten bij een bekend visrestaurant waar Huy zich moeite deed om kleinere porties te bestellen want normaal wordt er per kilo besteld.

Keyro en ik hadden nergens zin in en waren wat dwars. Mamma bestelde garnalen en pappa had oesters. Voor ons werd er een bord gebakken rijst gebracht. Bij het zien van mamma’s garnalen kregen wij er ineens toch zin in en was mamma zo lief om haar garnalen met ons te delen. Aan de lange tafel naast ons werd luidruchtig gegeten en gedronken.

Om de minuut werd er wel een “toast” uitgebracht en werden de glazen geheven. De overgebleven schelpen, servetten, graten etc. belandde zo op de grond, wat een rotzooi! Bij ons had de Keuringsdienst van Waren het restaurant allang gesloten, hihi.

Na de lunch was het een klein stukje rijden naar het begin van de Hai Van pas. Tegenwoordig gaat het meeste verkeer door de aangelegde tunnel dus op scooters, motors en toeristen bussen na, rijdt er niet veel verkeer over de pas. Voordat we de pas op rijden maken we nog even een korte fotostop met uitzicht over de kust en het plaatsje Lang Co.

 

De Hai Van pas, ook wel wolkenpas of in het Vietnamees Deo Hai Van genoemd wordt gezien als een van de mooiste kustwegen ter wereld. De Hai Van pas is het stuk over de bergen wat het plaatsje Lang Co verbindt met de moderne stad Da Nang. De pas is een 21kilometer lange bergweg. Langzaam aan brengt de jeep ons via de kronkelende weg naar het hoogste punt (496 meter).

Hier stoppen we bij een oude bunker en is er naar beide richtingen een mooi uitzicht over de kustlijn. We dalen af naar de grote stad Da Nang dat vroeger bekend stond als Tourane. In 1965 richtten de Amerikanen hier een militaire basis in. Er was een vliegveld, haven en depots met wapens. Er werden veel economische en industriële activiteiten ontwikkeld en het werd een van de belangrijkste handelscentra van het land.

De stranden rondom de stad zagen er mooi uit maar verder vonden wij het niet erg aantrekkelijk door alle grote, hoge gebouwen. Een stuk buiten Da Nang, langs de kustweg, stopten we bij de Marble Mountains.

De marmerbergen bestaan uit marmer en zandsteen. De Vietnamese naam: Ngu Hanh Son betekent “bergen van de 5 elementen”. Elke berg vertegenwoordigt een element en is daar ook naar vernoemd: Hoa Son (vuurberg), Moc Son (houtberg), Kim Son (metaalberg), Tho Son (aardeberg) en Thuy Son (waterberg).

Zelf was ik in de jeep in slaap gevallen en had ik geen zin om mee te gaan. Ik mocht bij Huy blijven terwijl pappa, mamma en Keyro de trappen op klommen om de bergen te bezoeken.

Er waren mooie grotten, pagodes, tempels en mooie uitzichtpunten. Het was nog ongeveer een half uurtje rijden van de Marble mountains naar Hoi An. Onderweg pikten we bij het busstation onze rugzakken op. We hadden gereserveerd bij Rural Scene hotel. Het ligt op het Cam Nam, een van de riviereneilanden. Het is een rustige locatie, twee kilometer van het historische centrum van Hoi An. Huy zette ons er af en wij namen afscheid van hem.

De terugweg zou voor hem een stuk sneller gaan via de tunnel. Wij checkten in en kregen een lekker drankje. We hadden al snel het zwembad gespot. Snel brachten we de spullen naar onze twee grote, aaneengeschakelde slaapkamers op de tweede etage. Daarna snel het zwembad in en lekker even spetteren. We stonden om 19:00 uur klaar zodat we met een elektrisch golfkarretje van het hotel naar het centrum werden gebracht. Wat een top service! Het centrum was erg sfeervol en de straten werden verlicht door lampionnen.

Er zijn talloze restaurants en barretjes te vinden. We liepen door een van de straatjes en zagen bij toeval nog een bekend Nederlandse koppel uit Noord Vietnam zitten bij een van de restaurantjes. Wij maakten even een praatje over wat zij hadden gedaan na de trekking in Sa Pa. Zij gingen verder met hun eten en wij zochten een tafeltje en ook iets bestelden.

Keyro en ik namen pizza, pappa Sint Jacobsschelpen en mamma nam een lokale specialiteit met vis en  een cocktail. Keyro en ik hadden uiteindelijk niet zo’n honger en lieten meer dan de helft van onze pizza over. Gelukkig konden we deze mee krijgen in een doos. We werden om 21:00 uur weer opgepikt door het karretje en zo waren we snel weer terug in het hotel. Terwijl Keyro meteen naar bed ging, keek ik nog even een Vietnamees filmpje op televisie.

Pulau Satonda

Vroeg in de morgen werden we gewekt door de geur van tosti. We kregen zelfs een soort van ontbijt op “bed”. De tosti was wel apart en anders dan bij ons. Het bestond uit kaas en pindakaas, een vreemde maar toch lekkere combinatie. Mamma en Ronac voelden zich weer helemaal oké.

Ondertussen waren we de hele nacht doorgevaren en lag de boot voor anker bij Satonda eiland. Het eiland ligt enkele kilometers voor de kust van Sumbawa. Het was vroeger een vulkaan maar is nu uitgedoofd. De krater die toen gevuld was met hete lava is nu gevuld met water. Oorspronkelijk was dit zoet water maar na de tsunami in 1815 is het water in het meer zout. De tsunami ontstond na de dodelijkste vulkaan eruptie uit de geschiedenis namelijk de uitbarsting van de vulkaan Tambora. Deze vulkaan lag aan de noordkust van het eiland Sumbawa waarbij deze van ca 5100 meter naar 2800 meter hoogte is gehalveerd.


We gingen van boord en maakten een kleine wandeling langs de kraterrand en het meer. Ook was er nog tijd om het koraalrif voor de kust van Satonda te ontdekken. Ook hier was weer een kleurrijke onderwaterwereld te vinden. Het lijkt wel of het ene plekje nog mooier is dan het andere. Vervolgens moesten we een stukje varen en hadden tussendoor een lunch met groenten nasi putih en tempeh (soort koek op basis van sojabonen). We maakten even na de middag een stop bij Pulau Moyo. Dit eiland ligt aan het begin van Sumbawa.


Op dit eiland was een waterval waar we met z’n allen naar toe wandelden. Ik had geen zin om mijn wandelschoenen aan te doen en wilde op blote voeten lopen. Achteraf bleek dit een goede keuze te zijn want we moesten door meerdere riviertjes heen waden. We liepen door een dichte bebossing en hoorden van de kapitein dat hier veel herten leven. De waterval (Air Beling) is een waterval met een zoutwater meer. Er waren verschillende poeltjes waar je in kon zwemmen. Op een soort stoeltje van lianen konden we rustig heen en weer schommelen boven het water. Pappa klom met een deel van de groep nog verder langs de waterval omhoog.



Boven gekomen was hier ook een poel met een echte liaan waar men aan kon slingeren als een echte Tarzan. Al zwierend liet iedereen zich vanaf de liaan in het water plonsen. Na deze kort wandeling konden we nog even snorkelen en van de boot af springen en duiken. Een keer probeerde ik te duiken maar kwam iets te plat op mijn buik terecht, au. In de avond kregen we ons laatste diner aan boord en vertrokken we in de richting van Lombok. Ook weer een flink aantal uren varen. Samen met pappa sliep ik deze nacht op het bovendek. We waren de dieseldamp en benauwdheid een beetje zat en wilden wat frisse lucht. Ik sliep als een roosje.


Slapen op het dek onder de sterrenhemel.

Dag 18; Byglandsfjord; Setesdal

De wekker ging erg vroeg af vanmorgen. We bleven een kwartier langer liggen en stonden rond 7:00 uur op. Keyro werd zoals bijna alle dagen het laatste wakker en stond als laatste op. Alles was al ingepakt in de auto en het wachten was op Keyro. Uiteindelijk reden we om 8:10 uur de camping af en hadden we een rit van totaal 350 kilometer voor de boeg.

Het eerste stuk ging via de E13 in de richting van Odda. De weg liep langs het fjord en op de oevers waren veel fruitboomgaarden te zien. Het gebied is te vergelijken met onze Betuwe. We zagen appel, peren, pruimen –en kersenbomen. Ook werd er langs de weg fruit uit de boomgaarden verkocht. In de stalletjes werden op dit moment voornamelijk kersen verkocht. De kersen waren 50 NOK voor een bakje van 500 gram en eigenlijk een beetje te duur.

In Odda stopten we bij een tankstation voor het vullen van onze 60 liter tank. Hier eindigde ook het fjord en gingen we de bergen weer in. Opnieuw langzaam rijden, maximaal 60 kilomter per uur en veel bochten. We kwamen door verschillende tunnels en langs prachtige meertjes waarin lucht en bergen weerspiegelden. We maakten een korte stop bij de Låtefossen waterval, een tweeling waterval die direct langs de weg lag.

Op een gegeven moment buigen we af naar de E134 richting Røldal en komen we door een bergachtig gebied. In de winter sneeuwzeker en goed om te skiën. Na weer een uur rijden nemen we de afslag naar RV9 in de richting van Hovden. Daar haalden we bij de supermarkt wat broodjes die we later bij een mooie picknickplaats langs de autoweg nuttigen. We hadden vandaag niet alleen een brood (Kanalsbrot) maar ook pizzabroodjes en prinsessenbrot (brood met krenten en room in het midden).

Voor het eerst deze vakantie neemt mamma het stuur van pappa over omdat hij toch wat vermoeid was van het rijden. Voor mamma was het wel even wennen in de auto. Het is tenslotte een automaat en het piepen van de snelheidsoverschrijder maakte haar af en toe woest.

Na een kilometer of honderd nam pappa het stuur weer over voor het laatste gedeelte. In het zuidelijke deel van het Setesdal lag de Neset camping. Het is prachtig gelegen tussen de bergen en direct aan het Byglandsfjord. De camping was groot en er bleken veel Nederlandse gasten te zijn. We checkten in om 15:00 uur en we kregen drie sleutels mee en konden kiezen uit drie kampeerhutten. We namen uiteindelijk de hut met de slaapbank en één stapelbed.

Qua oppervlakte was deze net wat ruimer dan de andere twee hutten. Het enige nadeel was dat deze hut geschakeld zat aan een andere hut en dus niet vrijstaand was. Onze buren bleken oude bekenden te zijn namelijk Esther, Daniel en hun ouders. Zij waren hier een dag eerder gearriveerd. Vanaf het balkon hadden we een mooi zicht over het water en de camping. Terwijl pappa en mamma wat spullen uitlaadden, gingen wij er direct vandoor om de camping te verkennen. Ook hier weer voldoende ruimte en speeltoestellen voor ons. En natuurlijk was er een strand waar we zo het water in konden om te zwemmen. Al snel gingen we terug om onze zwembroeken te vragen.

Pappa en mamma gingen wel mee naar het water want mijn zwemdiploma heb ik natuurlijk nog niet. Keyro zwom met Esther naar een ponton om daar vanaf verhogingen in het water te springen en te duiken. Uiteindelijk nam pappa mij ook zwemmend mee naar het ponton en kon ik er ook en keer vanaf springen. Samen met Esther zwom ik nog een paar keer op en neer. Wat hadden we geluk met dit mooie en warme weer (circa 26 graden).

We maakten nog meer vriendjes Suus van 9 jaar en Jip van 11 jaar. Het was een gezellige kinderbende in het water. ’s Avonds aten we spaghetti met ham en tomatensaus. We aten binnen omdat er buiten veel te veel wespen rond circuleerden. Helaas wisten ze ondanks dat we de deur dicht hadden zich toch een weg naar binnen te vinden. Na het eten vertrokken we weer naar buiten om te spelen langs het water. Keyro en Esther zwommen tot 22:00 uur maar ik bleef lekker aan de kant in het zand. We gingen laat naar bed maar ik had me prima vermaakt vandaag.

Dag 17; Vøringsfossen; Klimmen en klauteren naar de waterval

We hoefden vandaag geen lange autorit te maken en konden het rustig aan doen. We sliepen uit tot 8:45 uur. Nadat we ons gewassen hadden, gingen we samen met mamma naar de campingwinkel voor wat boodschappen. We namen onze ontbijtspullen mee naar een nabij gelegen uitzichtpunt op de camping en ontbeten daar. Hier stond tenminste een tafel en bank, bij onze hut ontbraken deze. Met het kabbelen van de rivier op de achtergrond en de zon die steeds warmer werd, was het echt genieten.

We vertrokken rond de klok van 11:00 uur in de richting van de Vøringfossen waterval. We volgden de bordjes en kwamen uit bij de betaalde parking (40 NOK) van het Fossli Hotel. Aan de rand van de kloof nabij het hotel kun je de waterval van boven bekijken. Ronac moest aan de hand bij mamma en ik kreeg instructie om extra goed op te letten want niet overal zijn afzettingen geplaatst.

De Vøringfossen in de Måbødalen is de bekendste waterval van Noorwegen. Het water maakt een loodrechte vrije val van 145 meter op een totale hoogte van 182 meter. We zochten naar een wandelpad maar dat was er niet of wij vonden geen duidelijke aanduidingen hiervoor. Het meisje bij de souvenirshop adviseerde ons het bij de andere parking een stukje verder te proberen. Langs de RV7 hadden wij op de heenweg inderdaad een stopplaats met winkeltjes etc. gezien. We reden hier naar toe en parkeerden gratis de auto. We liepen een klein stukje terug over de oude weg in de richting van de tunnels en daar vandaan hadden we een mooi zicht op de waterval. We liepen ook nog even aan de andere kant het plateau op. Ook hier werd overal gewaarschuwd om goed op te letten bij de randen van de kloof. De afgrond is diep en er stonden geen hekken. Wijs bleven wij maar uit de buurt van de afgrond. Wij zagen nog een monument voor omgekomen personen die blijkbaar niet zo goed hadden uitgekeken en naar beneden waren gevallen.

Op een kaartje bij een van de winkeltjes stond een wandeling naar “bottom of the waterfall” aangegeven. Hiervoor moesten we weer een stukje in de auto. De eerste parking waar we langs kwamen was vol en we reden naar de volgende. Hier stopten we even en liepen naar de brug over de rivier. Toch bleek dit niet het startpunt van de wandeling te zijn. We besloten terug te rijden naar de volle parking langs de RV7 en te kijken of het startpunt daar was. Inmiddels was er een plekje vrijgekomen en konden we de auto parkeren. En ja hoor, hier begon de wandeling die we graag wilden maken. Spullen gepakt, plasje gedaan en toen konden we om 12:30 uur aan de wandeling beginnen.

De wandeling naar de waterval was 1.7 kilometer maar bleek een echte uitdaging. Het begin ging bergaf door loofbos met drassige bodem en wortels. We moesten goed opletten om niet uit te glijden. Het tweede gedeelte moest er over enorme rotsblokken geklommen en geklauterd worden. Samen met pappa ging ik voorop en mamma en Ronac volgden ons. Wij liepen goed door maar ook mamma en Ronac konden ons goed volgen. Ronac klom aan de hand van mamma met gemak over de grote rotsblokken. Ik zag een aantal mensen onderweg die veel slechter en langzamer liepen dan zij.

Eenmaal beneden in het dal moesten we een wiebelige brug oversteken. We werden nu echt goed nat van het opspattende water van de waterval. Het pad was nat en glibberig en mamma en Ronac besloten niet verder te gaan. Ik ploeterde nog een stuk door de blubber met pappa om zo dicht mogelijk bij de waterval te komen. Onze inspanning werd in ieder geval beloond met het oorverdovende geraas van de waterval en het mooi uitzicht. Wat een watermassa zeg! De terugweg, berg op, liepen we ook zonder problemen.

In de auto konden we lekker even op adem komen. We reden langs de caming en vlgden de RV7 een stuk en kwamen uit bij het Sysenvatn, een stuwmeer. We parkeerden en liepen naar de damwand van een kilometer breed. Het stuwmeer is het belangrijkste waterbekken van de Sima krachtcentrale. Het meer kan een middelgrote stad van energie voorzien. Wij zochten een plekje langs de oever van het stuwmeer om daar onze lunch te verorberen. In de verte zagen we nog bergen liggen met sneeuw, zou zelfs ook een gletsjer kunnen zijn. Het geheel was een heel mooi plaatje.

We waren rond 17:00 uur terug op de camping en kwamen daar oude bekenden tegen. Mathijs en zijn ouders waren vandaag gearriveerd op deze camping. Ze hadden via Monique, die ons eerst als vermist had op willen geven, haha, gehoord dat we autopech hadden gehad. Onze ouders praatten even bij en wij gingen lekker voetballen op het speelveld.

Al snel sloten zich meerdere kindjes bij ons aan, zo ook de twee Nederlandse kindjes Daan en Bo. Tussendoor snel even een bord pompoencurry met kip gegeten en daarna snel weer verder voetballen. Uiteindelijk lagen we pas rond 23:00 uur in bed. Gelukkig hebben we morgen alleen een lange autorit op het programma naar Byglandsfjord. Onze laatste bestemming en camping van onze rondreis in Noorwegen.

Dag 15; Balestrand

De routine aan het begin van de ochtend zat er ondanks de relaxdagen in Åndalsnes nog prima in. Het wassen, aankleden, eten en inpakken verliep allemaal erg vlot. We verlieten de Folven Camping rond de klok van negen uur. We reden in de richting van het Jostedalsbreen Nasjonalparksenter.

Hier bezochten we het museum en bezoekerscentrum met informatie over de Jostedalsbreen gletsjer. Het gebouw waarin het museum gevestigd is, is gebouwd in stijl van een Viking langhuis. De ligging aan het Oppstrynsvatnet was prachtig. In de tuin zagen we een tentoonstelling van Noorse gesteenten en mineralen. Binnen zagen we de algemene informatie over het ontstaan van gletsjers.


Jostedalsbreen Nasjonalparksenter

De Jostedalsbreen gletsjer in Noorwegen is samen met de zijarmen Nigardsbreen en Briksdalsbreen de grootste gletsjer van het Europese continent. Een gletsjer (breen) ontstaat in de winter en is een groot en dik pak sneeuw dat bij elkaar is gedrukt. Er valt in de bergen in de winter meer sneeuw, dan er in de zomer kan smelten. Het ijs wordt vervolgens zo zwaar dat het begint te bewegen.

Daardoor ontstaat er een soort ijshelling die met soms wel een meter per dag over de berghelling schuift. Tijdens het schuiven neemt de gletsjer alle losse stenen mee om ze aan het eind van de berg, als de gletsjer smelt, weer achter te laten. Dit meegesleepte ‘puin’ noemt men ook wel morene. Een gletsjer wordt ook wel een ijsrivier genoemd. Omdat het ijs net als water in een rivier, langs de berg naar of door het dal naar beneden komt. Op dit moment smelten de meeste gletsjers sneller dan dat er hoog in de bergen nieuw ijs bijkomt. Hierdoor worden de gletsjers korter. Dit komt waarschijnlijk door de temperatuurverhoging op aarde als gevolg van het broeikaseffect.

We reden richting het dorpje Olden en daarna over een smalle slingerweg door de Briksvallei om een bezoek te brengen aan de Briksdalsbreen gletsjer. Deze toeristische trekpleister is een zijarm van de Jostedalsbreen en wordt jaarlijks door miljoenen mensen bezocht. We parkeerden aan het einde van het Briksdal op één van de grote parkeerplaatsen, we waren hier zeker niet alleen en kochten een parkeerkaartje van 40 NOK. Vanaf de laatste parkeergelegenheid en het restaurant was het ongeveer drie kilometer omhoog lopen naar de gletsjer. Zoals overal in Noorwegen was de omgeving weer adembenemend. In het begin regende het wat maar met onze softcelljassen aan, hadden we daar weinig hinder van. We liepen langs een riviertje, passeerden kleine watervallen en de Kleivafossen, een grote waterval die met veel kracht naar beneden stort. We hadden onze jassen al aan omdat het regende maar anders konden we ze bij de waterval zeker ook goed gebruiken.

Het pad naar de gletsjer was prima te lopen en het was best druk. Mensen die wat minder goed ter been waren of zij die niet zoveel zin in de wandeling hadden (busladingen Aziaten) konden het grootste deel met een soort golfkarretje afleggen. Wij zijn jong en hebben een goede conditie dus voor ons geen golfkarretje maar de “benenwagen”. Aan het einde van het pad werden we beloond met een uitzicht op de gletsjer en de morene.

Van de gletsjer zelf hadden we ons misschien iets meer voorgesteld. Helaas is de gletsjer de afgelopen jaren kleiner geworden en mocht je niet meer te dichtbij komen. Toch waren de Briksdalsbreen en het gletsjermeer (Briksdalsbreenvatnet) in felblauwe kleuren nog steeds indrukwekkend. We scheerden met steentjes over het water en sprongen van steen naar steen in het gletsjermeer.

Het weer klaarde op en met een warm zonnetje op ons gezicht liepen we terug naar de parkeerplaats. Keyro voerde zelfs een dansje op in het opspattend water van de Kleivafossen (waterval). Als beloning voor het goede lopen kregen we allemaal een lekker ijsje bij het restaurant. We stapten in de auto en hadden nog een flinke rit naar Balestrand voor de boeg. De route ging via weg 60, weg 39 en later via weg 5 in de richting van Sogndal en Leikanger.

Om in Balestrand te komen, moesten we bij Hella met de ferry oversteken naar Dragsvik. Helaas moesten we zeker een half uur wachten tot de juiste ferry kwam. De overtocht was kort en al snel reden we de ferry weer af om de laatste kilometers tot aan de camping af te leggen.

We moesten even zoeken en mamma moest uiteindelijk in een apart huis naast de camping de sleutel van onze kampeerhut ophalen. De kampeerhut was niet zo groot maar wel redelijk nieuw en modern ingericht. Erg jammer was dat de hutten, tenten en campers allemaal er dicht op elkaar stonden. Privacy had je op deze drukke camping niet echt. Pappa en mamma wisten in korte tijd alweer een snelle en makkelijke maaltijd te maken die we in de schemering op het terras op aten. Ik probeerde nog even met pappa wat te voetballen maar er was gewoon te weinig vrije ruimte. We blijven hier maar voor één nachtje en morgen gaat onze reis alweer verder naar Vøringfossen.

Dag 7; Oppdal; Nasjonal park Rondane

De wekker stond vanmorgen op 7:00 uur afgesteld en we hadden allemaal weinig zin om op te staan. Uiteindelijk werd er in sneltreinvaart aangekleed, gegeten, ingepakt en schoongemaakt. We verlieten de leuke camping Pluscamp Rustberg om 8:30 uur. De route naar Oppdal zou gaan via de Rondeveien en het Dovrefjell Nasjonal Park. Net zoals gisteren was het bewolkt maar droog. We verlieten net na Ringebu de hoofdweg om de 75 kilometer lange toeristische route door het Ronadane Nasjonal Park te volgen. Het park is het oudste park van Noorwegen en werd in 1962 opgericht. Het ligt deels in de provincie Hedmark en deels in de provincie Oppland. In het gebied ligt een hooggebergte met 10 bergtoppen boven de 2000 meter.

Ontbijten langs de weg.

Wat ons al snel op viel was dat er weinig begroeiing was. Het is een vrij droog klimaat en de bodem bevat weinig voedingstoffen. We zagen vooral rotsen bedekt met korstmossen en af en toe wat struiken veenbessen of bosbessen. Het was een prachtige ongerepte en ruige wildernis. Onderweg waren mooie parkeerplaatsen met mooie uitzichten. Zo stopten we bij het uitzichtpunt Sohlbergplassen. Hier hadden we een schitterend uitzicht over het meer Atnsjøen en de “blauwe”bergen van Rondane. Schilder Harald Sohlberg gebruikte dit decor voor zijn schilderij “Winternacht in de Bergen”. Halverwege maakten we bij Strømbu een stop om te gaan lunchen. De parking is ontworpen door architect Carl-Viggo Hølmebakk. Het was een mooie plek met zicht op de bergen aan de Atna, een wild stromende rivier. We smeerden een boterham en aten deze met veel smaak.

Na de lunch trokken we onze wandelschoenen aan voor een korte wandeling. We volgden de oever van de rivier tot aan de hangbrug. De hangbrug staken we voorzichtig over en we volgden een route over een onverhard pad. Het begon Het pad was modderig en overal lagen nog plassen waar we voorzichtig om heen moesten lopen om geen natte voeten te krijgen.

Het begon licht te regenen maar het eerste stuk van de wandeling ging door een groen bos en we hadden weinig last van de regen. In het bos groeiden onder andere kleine berkjes, naaldbomen en prachtige varens. Het gebied bleef drassig en we werden flink belaagd door zwermen muggen die hier leven in de moerassen. We moesten blijven lopen om zo min mogelijk geprikt te worden.

We werden af en toe geraakt door Ronac de “muggenmepper” die maar om zich heen bleef slaan om de vervelende muggen van iedereen af te houden. Na een paar kilometer kwamen we in een open gebied met rotsen en mosgebied. Het rendiermos dat hier groeide is struikvormig en groengrijs gekleurd. Het dankt zijn naam aan de vorm die lijkt op een hertengewei. Het mos lijkt op een plant maar bestaat in werkelijkheid uit twee organismen, een schimmel en een alg (groenwier). In sommige gebieden zoals in Lapland eten rendieren het mos. Vroeger werd het ook wel gebruikt om matrassen en kussens van te maken. Het mos zorgde voor een sprookjesachtige sfeer in het bos.


Tijdens de wandeling zagen we sporen van dieren. We vonden hoopjes met keutels die waarschijnlijk van konijnen en herten waren. Ook leeft in dit gebied de veelvraat, vos, marter en nerts maar daar zagen we geen sporen van. Terwijl wij na een kilometer of twee aan de terugweg begonnen, liep pappa nog een stukje door. Net voor de hangbrug bij een klein beekje wachtten we op zijn terugkeer. Het duurde nog even en we hadden dorst gekregen van de wandeling. Mamma vertelde ons dat je in onbewoonde gebieden in Noorwegen water uit beken en rivieren kunt drinken. Wij maakten kommetjes van onze handen en dronken zo het koele en schone water uit de beek. Heerlijk! Toen pappa terugkeerde liepen we het laatste stukje gezamenlijk terug naar de parkeerplaats. Met de auto vervolgden we onze tocht in de richting Hjerkinn.

We misten de afslag naar Snøhetta uitzichtpunt aan de rand van het Nasjonal Park Dovrefjell. Ondanks de regen was ook hier het landschap weer adembenemend. We maakten onderweg nog een paar stops. Bij één van deze stops liepen we een klein stukje van de oude “Hogronden” weg. Vanaf een brug hadden we mooi zicht op een van de vele watervallen die hier langs de bergwanden naar beneden storten. In de namiddag arriveerden we bij de Granmo camping zo’n zes kilometer ten zuiden van Oppdal. We kregen bij de receptie de sleutel van onze kampeerhut (nr.24).

Naast onze hut lag direct de speeltuin en ook het vernieuwde sanitairgebouw met familiebadkamers lag dichtbij. Terwijl wij speelden deed mamma de was en pappa pakte de auto uit. Ik liep met pappa nog even naar de rivier de Driva die langs de camping stroomt.

Kok pappa maakte vandaag een overheerlijke chili con carne waar ik van bleef eten. Na het eten vermaakten we ons met Noorse en Finse kindjes in de speeltuin. Vanaf een bankje werd er op de trampoline gesprongen. Sommigen haalden wel hele gevaarlijke toeren uit op de trampoline. In de avond koelde het behoorlijk af en zetten we zelfs heel even de verwarming in het hutje aan. We vielen laat in slaap maar dat maakte niet uit want morgen kunnen we lekker uitslapen en zijn er nog geen plannen.

Created with Nokia Smart Cam

Dag 17; Ceylon thee

Vandaag verlieten we de bergen en namen we afscheid van het aardige personeel van Hotel Heaven Seven. Voordat we echt vertrokken naar Tissamaharama bezochten we nog een theeplantage in de buurt van Nuwara Eliya. Helaas werd er in het weekend niet gewerkt op de theeplantages maar konden we toch een fabriek bezoeken. De fabriek Pedro Estate lag tussen de hellingen van de groene theeplantages.

Voordat we aan de rondleiding begonnen kregen we mutsjes op en schorten aan. De mevrouw die ons rondleidde vertelde ons alles over de afkomst en het ontstaan van thee. Van oorsprong komt thee uit China. Rond 1610 werd een eerste kleine hoeveelheid thee naar Nederland gebracht. Pas later in de 17e eeuw begon de VOC grotere hoeveelheden thee naar Nederland te verschepen. Op Java en Sumatra werden door de Nederlanders theeplantages aangelegd. De Engelsen deden hetzelfde in India en op Sri Lanka (toen Ceylon, vandaar de naam ‘Ceylonthee’).


Thee was tot de 18e eeuw een zeer dure drank en werd alleen gedronken door rijke mensen. Het proces om thee te fabriceren begint allemaal met het plukken van de theebladeren. De theestruiken groeien voornamelijk in een tropisch of subtropisch klimaat en liggen meestal op een berghelling. Hoe hoger de struiken liggen, hoe beter de kwaliteit van de thee. Het plukken van de theebladeren gebeurde hier met de hand. Bij de oogst worden alleen de jonge blaadjes van de struik geplukt. De pluksters brengen de volle manden naar de fabriek en dan begint het verwerkingsproces.

Op de verzamelplaats wordt de oogst gecontroleerd en gewogen en naar de fabriek getransporteerd. Eerst worden de theebladeren gedroogd totdat er ongeveer 30% vocht uit is. Het drogen duurt op de natuurlijke manier circa 18 uur en op de machinale manier circa 8 – 10 uur. Vervolgens gaan de bladeren in een machine die de blaadjes kapot maakt en opgerold en zich daarna mengen met zuurstof (oxidatie).

De uitzondering is de groene thee, deze wordt niet geoxideerd maar alleen gestoomd. Het oxideren en het gistingsproces gaat daarna verder. De bladeren worden bij circa 25 graden verwarmd en natgemaakt. Hierdoor krijgt het blad de bruine kleur en de smaak (het aroma). Na dit proces worden de bladeren opnieuw gedroogd en gezeefd door schudschijven en op grootte gesorteerd. De theebladeren worden op afmeting in bakken gedaan en vervolgens in grote zakken gedaan.


Na al deze bewerkingen blijft er van ongeveer 100 kilogram geplukte bladeren, ongeveer 20 kilogram zwarte thee over. Als de zakken gevuld zijn worden ze getransporteerd naar veilingen waar de thee wordt verkocht. De thee wordt verkocht aan theepakkers/fabrikanten in verschillende landen. Zij kunnen theesoorten mengen en smaakjes toevoegen (aromatiseren) bijvoorbeeld; Earl Grey (citrusfruit), perzik, kaneel etc. Daarna wordt de thee verpakt in theezakjes (95%) en de rest wordt los verkocht. Na de rondleiding kregen we nog een heerlijk kopje Ceylonthee om van te genieten. Mamma kocht nog een pakje losse Ceylon thee om thuis te kunnen thee leuten.


Aan het einde van de rondleiding een lekker kopje thee drinken.

We stapten in de minibus en vertrokken in de richting van Tissamaharama. Het rijden op de wegen in Sri Lanka bleef iedere dag een belevenis. Zelfs hier in de bergen werd er voor een bocht nog net even een bus, vrachtwagen of iets anders ingehaald. Je ziet het gebeuren en het gaat toch iedere keer net goed. Onderweg stopten we nog bij een Hindu tempel. Pappa en mamma stapten uit om te kijken maar Keyro en ik bleven lekker even zitten. De slingerweggetjes maakten ons wat misselijk maar de uitzichten bleven schitterend. We maakten een stop net na Ella, een klein dorpje in de heuvels.

We zagen een mooie waterval waarvan het water van metershoog naar beneden kletterde en zagen de bekende Ella kloof. Natuurlijk stonden ook hier veel kraampjes en probeerden ze mensen allerlei prullaria te verkopen. Ze probeerden zelfs gewone stenen te verkopen als edelstenen en we zagen ze gewoon langs de kant van de weg liggen?! Ik kan me niet voorstellen dat er mensen zijn die daar in trappen?


Vlakbij Tissamaharama werd het een stuk drukker. Tissamaharama (ook wel Tissa genoemd) is een eeuwenoud stadje en tegenwoordig populair als startpunt voor een bezoek aan het Yala national Park. Tissamaharama was tot de 3de eeuw voor christus de hoofdstad van de regio Ruhuna. In de wewa ( een waterreservoir) aangelegd in de 3de eeuw als waterbevoorrading, zagen we veel mensen zwemmen. Ook zagen we een grote witte stupa die ook nog dateert uit deze periode. Toen we bijna op onze plaats van bestemming waren, gingen we nog wat eten bij een groot restaurant in Tissamaharama. Het eten was goed maar werd een beetje overschaduwd door het feit dat ik onverwacht werd gekrabd door een kat die onder mijn stoel zat. Ik had het dier helemaal niet gezien of aangeraakt. Waarschijnlijk was het geschrokken en zette hij daarom zijn nagels lichtjes in mijn been.

Mamma maakte het meteen goed schoon maar het personeel begon meteen te zeggen dat we naar het ziekenhuis moesten gaan in verband met hondsdolheid. Pappa en mamma gingen meteen zoeken naar informatie op internet (met dank aan Wifi verbinding in het restaurant) om een beslissing te kunnen nemen of er wel of geen actie ondernomen moest worden. Uiteindelijk namen ze het besluit om de kleine kras komende dagen goed schoon te maken en er niet mee naar het ziekenhuis te gaan, gelukkig voor mij. Vanaf het restaurant was het nog maar vijf minuten rijden naar ons hotel dat net buiten Tissamaharama lag.


En opnieuw was er weer tijd voor waterpret, joepie!

Bij het kleinschalige Hibuscus Garden Hotel checkten we in en kregen we een mooie ruime kamer in een van de bungalows. De opzet van het hotel is ruim met een aantal bungalows met in totaal 16 kamers gelegen aan een mooie natuurlijke tuin en zwembad. Wij trokken onze zwembroeken aan en doken in het fijne zwembad. Het avondeten werd geserveerd in het hoofdgebouw op de eerste verdieping. Keyro was zo moe dat hij na de soep al terug naar de kamer ging om te slapen. Ik bleef met mamma achter en at mijn eten en natuurlijk mijn “icecream”. Het was uiteindelijk een lange dag en ik lag ook al snel in dromenland.

Brownsberg (dag 16)

Onze laatste tour in Suriname maakten we natuurlijk weer met onze vertrouwde gids Reginald. Hij haalde ons vanmorgen om 7:15 uur op en was deze keer niet alleen. Hij had zijn dochtertje Kaitlin van 5 jaar meegenomen om op school af te zetten. Kaitlin was een mooi meisje die qua uiterlijk veel op haar vader leek.  Zoals alle kinderen was ze wat verlegen maar ik weet zeker dat als we haar wat langer hadden gezien ze wel los was gekomen. We zetten Kaitlin af bij haar school en begonnen aan de tocht van ongeveer 110 kilometer naar de Brownsberg natuurpark in het Brokopondo district. We reden deze keer niet in de normale auto van Reginald maar in een gehuurde 4WD. Eenmaal uit het centrum van Paramaribo was het één lange rechte weg met aan beide kanten hoogspanningsmasten en af en toe dorpjes op zandgrond.
We hadden ons ontbijt langs de weg bij een eethuisje en kregen heerlijk belegde broodjes en samosa’s. Ronac sliep en bleef in de auto. Vanaf het terras hadden we zicht op het bedrijf Suralco of vroeger ook wel Surinaamse Bauxiet Maatschappij genoemd. Het bedrijf Suralco is een onderdeel van het Amerikaanse bedrijf Alcoa, één van de grootste aluminiumproducenten in de wereld. Suralco was en is de Surinaamse producent van bauxiet en aluinaarde. Bauxiet is een mineraal dat een erts van aluminium vormt. In 1915 werd het voor het eerst in Suriname gevonden en het werd een van de belangrijkste inkomsten van de staat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er veel vraag naar aluminium. Het grootste gedeelte van de luchtvloot werd gebouwd met aluminium uit Suriname. De bauxietreserves in Suriname beginnen uitgeput te raken dus de vraag is hoelang er nog bauxiet gewonnen kan worden. Na ons ontbijt vervolgden we de lange rechte weg tot de afslag naar het dorp Brownsweg. We reden door Brownsweg dat een transmigratiedorp is. Het is een heel nieuw dorp gebouwd ter vervanging van het oude dorp dat bij het bouwen van de Afobakadam onder water kwam te liggen.

De laatste 13 kilometer ging over de Bakaabato weg naar het Mazaroniplateau op 500 meter hoogte. Het gebied staat onder toezicht van Stinasu (Stichting Natuurbehoud Suriname). De weg was slecht begaanbaar en er wordt geadviseerd om deze weg alleen met een 4wd auto te rijden. Al snel was duidelijk waarom Reginald de 4wd had gehuurd want we schudden werkelijk alle kanten op. Steile stukken weg met modder, kuilen, hobbels, bobbels, takken en noem het maar op en we kwamen het op de weg tegen. Af en toe glipten de banden wat weg maar Reginald wist duidelijk hoe hij hier moest rijden. Met een hand aan het stuur manoeuvreerde hij de auto binnen een uurtje naar boven.

Eind 19de eeuw kwam een Amerikaan, John Brown, in dit gebied om goud te zoeken. Veel geluk had hij niet en later leverde de bauxietwinning ook weinig op. Uiteindelijk werd de Brownsberg in 1969 een natuurreservaat. Het gebied is bedekt met tropisch regenwoud dat deel uit maakt van het Amazoneregenwoud. We reden direct naar een parkeerplek in de buurt van de Leo waterval die we wilden bezoeken. We zorgden dat we voldoende drinken hadden voor onderweg en begonnen aan de wandeltocht. Het werd een pittige wandeling want het pad ging flink omhoog en omlaag. Ronac wilde in het draagstel maar Reginald wist hem zo te motiveren dat hij de hele wandeling zelf liep.  Zelfs de grootste stappen maakte hij zelf met hulp van Reggie’s hand. Ik liep natuurlijk voorop en wandelde goed.


Op de Brownsberg.

Hier in het bos leven allerlei dieren zoals toekans, agouti’s, kikkers, slangen en apen. Natuurlijk moet je een beetje geluk hebben om deze dieren tegen te komen. Hoewel het hier vrij gemakkelijk moet zijn om de dieren te spotten, zagen we er maar weinig. Na een tijd lopen kwamen we uit bij de Leo waterval. Hier namen Reggie, pappa, Ronac en ik een verkoelende duik in het koude water van de waterval. Het water kwam best hard naar beneden en ik durfde er niet helemaal onder te gaan staan. Na deze verfrissing in het oerwoud aten we lekkere bananenchips, die je hier overal krijgt, voordat we aan onze terugweg begonnen.

Het was een pittige klim omhoog en in de tropische hitte zweetten we dubbel zoveel. Aan het einde van de wandeling werden we beloond met een groep roodbruine brulapen die hoog in de bomen boven ons zaten. Het duurde mij allemaal te lang en ik besloot om stiekem alvast een stukje terug te lopen. Ik haastte mij weg maar gleed uit op een boomstronk en kwam ten val. Ik begon te huilen en pappa en Reginald snelden zich naar mij toe. Er zat een kleine en oppervlakkig bloedende snee aan de zijkant van zijn hoofd. Reginald maakte de wond schoon en plakte er een pleister op. Ik was zo geschrokken dat pappa en mamma mij niet straften voor het feit dat ik stiekem bij hun was weggeglipt. Het was daar vandaan nog maar een klein stukje lopen naar de geparkeerde auto.


Grote Tarantula spin op een boomtak.

We stapten in en reden met de auto naar het kamp van Stinasu. We hadden deze keer echter een andere chauffeur. Ik mocht van Reginald plaats nemen achter het stuur. Ik dacht eerst dat Reginald een grapje maakte maar hij meende het serieus. Ik moest de auto besturen en Reginald gaf gas. Voor mijwas dit natuurlijk een fantastische belevenis. Met gespannen gezichtje zat ik achter het stuur om de kuilen in de weg te ontwijken. Ik reed in de auto als een volleerd chauffeur en parkeerde zelfs bij het kamp. Hier liepen we naar een uitzichtpunt met zicht op het Van Blommensteinstuwmeer (Brokopondomeer).


Ik achter het stuur van een echte terreinwagen.

Het meer is ontstaan door de aanleg van de Afobakadam in de Surinamerivier. De stuwdam werd aangelegd om elektriciteit op te wekken met behulp van waterkracht. Voor de bauxietwinning van het bedrijf  Suralco was veel elektriciteit nodig. Veel dieren werden geëvacueerd en 5000 Marron (bosnegers) werden verhuisd naar de nieuwe transmigratiedorpen. Het  meer was vrij groot maar naar horen zeggen niet diep (zo’n 40 centimeter). Het bos wat ten tijde van de bouw van de stuwdam zich daar bevond werd niet gekapt. Nu steken uit het stuwmeer nog steeds boomstammen omhoog die al tientallen jaren onder water staan. Een bizar gezicht.

We aten in het basiskamp van Stinasu waar de opzichter een heerlijke maaltijd bestaande uit gebakken rijst, kip en kousenband, voor ons had gemaakt. Terwijl wij daar zaten te eten kwam een tuinman nog naar ons toe met een tarantula op zijn hark. Ook dit was weer een redelijk groot exemplaar en we bekeken het dier uitgebreid. Na het eten begonnen we aan de terugweg die langer zou gaan duren dan de weg omhoog. Het had licht geregend en de weg was een beetje glad geworden. We waren allemaal moe van de wandeling en we werden een beetje slaperig van het hobbelen. Ronac en ik vielen in slaap en ze maakten ons pas wakker toen we bij de Afobakadam waren.

Reginald wilde ons de dam ook nog van dichtbij laten zien. Het was een imposant bouwwerk van 1,3 kilometer lang. Tijdens de bouw werden er ook nog 14 hulpdammen gebouwd om te zorgen dat het water niet weg liep. In 1964 werd de hoofddam gesloten en enkele maanden later stond het meer vol met water. Vanaf dat moment kon er worden begonnen het opwekken van elektriciteit uit waterkracht. Tegenwoordig wordt de meeste opgewekte elektriciteit verbruikt door de hoofdstad Paramaribo. Vanaf de dam begon onze reis terug over de lange saaie weg naar Paramaribo. Rond zeven uur waren we terug bij het appartment.

San Christóbal – Palenque (dag 10)

Het was weer tijd om verder te reizen. Erg jammer want ik vond San Cristóbal erg leuk en had hier nog wel langer willen blijven. Onze reis circa 220 kilometer ging door de bergen naar Palenque. Op zich niet zo heel veel kilometers om te rijden maar wel een met veel bochten en drempels dus zou het toch een flinke rit worden.


Prachtige landschap onderweg naar Palenque.

Meteen na het ontbijt laadden we de spullen in de auto en gingen we op weg. De uitzichten en de kleine dorpjes die we tegen kwamen waren prachtig. Een keer werden we tot stoppen gedwongen doordat er een touw over de weg was gespannen. Twee kleine meisjes kwamen naar de portier en zeiden dat we geld moesten betalen om door te mogen. Het geld was “zogenaamd” voor de (bescherm)heilige die in een houten huisje langs de kant van de weg stond. In deze regio komt het vaker voor dat de indiaanse bevolking een wegversperring opzet en toeristen om een bijdrage vragen.

Hoewel deze vorm van tol vragen eigenlijk niet mag, grijpt de Mexicaanse regering niet in. Dit laatste om oplopende spanning te voorkomen. Pappa gaf het meisje een paar peso zodat we zonder problemen door konden rijden. Na een paar uur rijden voelde ik me door de warmte in de auto weer niet lekker worden en moest ik opnieuw overgeven. Nadat ik had overgegeven voelde ik me meteen beter en konden we de rit hervatten. Rond de klok van 13:00 uur stopten we nabij de stad Ocosingo voor een korte lunch bij een Familia restaurant. Ik at wel drie quesadillas (maïs pannenkoekjes met kaas er tussen)op.


Quesadillas, lekker lekker!

Op ongeveer 60 kilometer voor Palenque stopten we bij Cataratas de Aqua Azul. De watervallen liggen op het gebied van de Tzeltal, een Mayavolk. We namen de afslag en moesten als eerste tol betalen voor de toegangsweg naar de watervallen. De Tzeltal verdienden niks aan de watervallen en heffen daarom tol bij de toegangsweg om er zo ook wat aan te kunnen verdienen. Ook betaalden we nog entree tot het nationaal park.

We parkeerden de auto en er kwamen allemaal kinderen aan om hun diensten of waren aan te prijzen. Opletten op de auto, verkoop van bananen en ander fruit of het aanprijzen van één van de vele restaurantjes. Je merkt dat het hier erg toeristisch is en we lopen langs de vele restaurantjes naar de waterval. Aqua Azul was omgeven door jungle en het was er flink vochtig. Het zweet liep ons over de rug toen we bij een uitkijkplateau aankwamen.


Aqua Azul watervallen

Over een afstand van ongeveer 2 kilometer daalt de rivier 1 kilometer in hoogte. Door de waterversnellingen ontstaan er veel kleine watervalletjes. Omdat we er tijdens het regenseizoen waren had het water niet de helderblauwe kleur die het in de droge maanden heeft. Wel is de waterval flink gezwollen door het vele regenwater en was hij des te indrukwekkender. We liepen nog een stuk naar boven voor een prachtig uitzicht van bovenaf. We dronken nog wat bij een eenvoudig restaurantje en reden daarna door.


Filmpje van de watervallen.

We kwamen ook nog langs de waterval Misol Ha en we besloten om hier ook nog even te stoppen. Het was zeker de moeite waard, bleek achteraf! Hier moesten we net zoals bij Aqua Azul ook twee keer betalen, tol voor de weg en de entree tot het nationaal park. De Misol Ha waterval lag ook middenin de tropische jungle. Het water stortte ruim 30 meter naar beneden en maakte een oorverdovend lawaai. Het was hier iets minder toeristisch en je kon zelfs in het water onder de waterval zwemmen.


De Misol Ha waterval.

Wij hebben dit niet gedaan vanwege de sterke stroming. Ook kon je via een pad achter de waterval doorlopen. Je moest hiervoor de bordjes “cortina” volgen. Zoiets gaafs had ik nog nooit meegemaakt. Pappa en mamma waren ook onder de indruk van dit prachtige verschijnsel. Ik kon geen genoeg krijgen van de waterval en wilde heel lang blijven. Uiteindelijk zijn we in de stromende regen toch maar terug gegaan naar de auto om verder te rijden naar Palenque.

Binnen een half uur rijden hadden we ons hotel “Plaza Palenque” gevonden. Van buitenaf zag het er niet geweldig uit maar eenmaal binnen bleek het toch mooi te zijn met een tropische tuin, zwembad en kinderboerderij met inheemse dieren. Samen met pappa ging ik nog even het zwembad in. We aten ’s avonds in het restaurant van het hotel. Toen de ober vroeg wat ik wilde eten zij ik: “maakt niet uit als het maar met ketchup is”. Pappa vroeg of ze ketchup hadden en de ober begon hard te lachen. Natuurlijk hadden ze ketchup en ik kreeg een “hamburguesa con queso y pappas fritas”. Smullen geblazen dus! ’s Avonds lekker op tijd naar bed want morgen gaan we weer een Maya tempel bezoeken.

Yosemite National Park (dag 7)

Heerlijk heb ik geslapen in het grote bed achterin onze RV. Het was best koud vannacht maar gelukkig hadden we genoeg dekens gekregen. Ik werd om 07:00 uur wakker en we hebben een heerlijk ontbijtje gemaakt met een gebakken eitje. Na alles te hebben opgeruimd vertrokken we met onze RV richting Yosemite valley. We kwamen langs Meadow valley waar we een goed uitzicht hadden over de vallei. Onze eerste echte stop en wandeling die we maakten in het park was bij de Bridalveil Falls. Een korte hike van ongeveer 0.5 mile naar de bijna droogstaande waterval.


De Bridalveil waterval.

Veel meren en watervallen staan na de zomer droog. Pas na de winter begint het ijs hoog in de bergen te smelten en dan komt er veel water in. Ondanks het weinige water was het er wel heel mooi. Samen met pappa en mamma mocht ik ook nog een stuk klimmen op de hoge rotsen. Soms was ik een beetje bang maar dan was pappa of mamma er om mij te helpen.

Via een omleiding kwamen we aan bij de Valley view met zicht op de “El Capitan”. In de vallei zijn weilanden, naaldbossen en de rivier de Merced te zien. De “El Capitan” is een bijna kaarsrechte granieten berg (monoliet) en is zo’n 2307 meter hoog. Aan de steile rotswand waren bergbeklimmers aan het klimmen maar ze zaten te hoog om met het blote oog te kunnen zien.


Hiken door het prachtige Yosemite National Park.

We reden door naar een parkeerplaats nabij Yosemite vallei en liepen daar vandaan naar de Yosemite Falls. Deze waterval is de op vijf na hoogste in de wereld zo’n 739 meter. Deze waterval stond helemaal droog en we besloten om niet naar boven te lopen. Vanaf de bus-stop namen wij de shuttlebus naar Mirror Lake. Om het verkeer in Yosemite Village en Curry Village te ontzien wordt er gebruik gemaakt van shuttlebusjes. Je kunt ook met je eigen auto of RV rijden maar dit is makkelijk en beter voor het milieu.

De wandeling naar en om Mirror Lake is ongeveer 3,2 kilometer en gaat naar de voet van de “Half Dome”, een 2695 meter hoge berg. Omdat er in het Mirror Lake geen water staat konden we er gewoon doorheen lopen. Ik mocht zelf ook een stukje lopen maar dat schoot volgen pappa en mamma niet echt op. Ik had een mooie stok gevonden en moest alle bomen “tanken”.Uiteindelijk moest ik toch in het draagstel om wat kilometers te maken.


Eventjes de boom “bijtanken”.

We namen de bus terug naar Yosemite Village om wat boodschappen te doen. Onderweg kwamen we langs een plaats waar veel mensen stonden te kijken. Volgens de buschauffeur zat er waarschijnlijk een beer maar zij en wij konden hem niet ontdekken, jammer. We reden weer terug naar de camping in Crane Flat en stonden vandaag een paar plaatsen verder dan gisteren, nr 223. De plek was een stukje kleiner maar pappa en mamma wisten met goed teamwork de RV in te parkeren.We aten vanavond lekkere Fried Rice en bekeken nog even de route zoals we die willen gaan rijden.