Historisch Den Bosch

Mamma ging voor de APK controle en onderhoud naar de garage van Bas. Wij hebben deze week vakantie en moesten dus mee. Mamma besloot om er een leuk dagje weg van te maken. Het was even lastig wat we gingen doen want Ronac en ik verschilden van mening. Uiteindelijk stelde Ronac zijn mening bij en vertrokken we na het onderhoud en de keuring in goedgekeurde auto naar Den Bosch. Net zoals Den Haag (’s-Gravenhage) heeft Den Bosch ook twee namen.

De officiële naam is ’s-Hertogenbosch maar de naam Den Bosch is veel ouder. Wij parkeerden bij ondergrondse parkeergarage St Jan die we via een spiraalvormige baan, ook wel de Wokkel genoemd, binnen reden. De parkeergarage bevind zich onder het Zuiderpark waar het Baselaar Bastion is gelegen. Met een tunnel liepen we onder de vestingmuur door en kwamen we bij de vestinggracht uit. Het bastion was een verdedigingswerk en speelde een belangrijke rol tijdens het Beleg van ’s-Hertogenbosch in 1629. Al met al is ’s-Hertogenbosch één van de oudste steden van Nederland en heeft het een middeleeuws stadscentrum.

Van de parkeergarage liepen wij in de richting van de Sint-Janskathedraal. Het is een uniek bouwwerk binnen de Nederlandse kerkelijke architectuur en is uitgevoerd in Brabants gotische stijl. Je ziet dit aan de vele ornamenten, dubbele luchtbogen, luchtboogfiguren maar liefst 96 stuks en versieringen van en boven de ramen. We bekeken de kathedraal vanaf het plein aan de parade. Vroeger was dit plein een deel van de Begijnhof en woonden er ongeveer 300 Begijnen binnen de muren.

Wij besloten eerst een hapje te gaan eten alvorens wij de kathedraal zouden bezoeken. Aan de Parade waren verschillende gezellige eetcafés gevestigd. We vonden ergens een plaatsje en bestelden lekkere gerechten. Ronac en ik namen een clubsandwich en mamma nam de soep van de dag (pompoensoep). We hadden flinke honger dus alles ging schoon op. Na de lunch liepen we naar de kathedraal en bekeken we het interieur.

Binnen zag je duidelijk dat de kathedraal gebouwd is in kruisvorm. In de Sint Jan zagen we een rijk versierd doopvont van 350 kilo, prachtige altaren, een orgel uit de renaissance periode, preekstoel en mooie glas in lood ramen. We kwamen de kerk uit en liepen verder naar het stadscentrum. Wij gingen eerst een trui kopen want we hadden geen jas meegenomen. De weerberichten hadden een graad of 22 voorspeld maar het was opmerkelijk fris en bewolkt. De zon scheen wel maar had een opmerkelijke oranje gloed en scheen minder fel dan gisteren.

Later hoorden we dat het kwam door een combinatie van sluierbewolking, rook- en asdeeltjes en Sahara stof. De rook- en asdeeltjes worden veroorzaakt door bosbranden in Spanje en Portugal en de Sahara stof komt mee met orkaan Ophelia. Een bijzondere combinatie die maar weinig voorkomt. Koud hadden wij het in ieder geval wel. We kwamen uit op de driehoekige Markt, het oudste deel van de stad. Bij de C&A kochten we een lekkere trui en we hadden het daarna een stuk warmer. Aan de Markt ligt het oudste nog bestaande bakstenen huis van Nederland, De Moriaan. Het werd gebouwd in 1220 door Hendrik I van Brabant.

In dit ondertussen gebouw, ondertussen erkend als rijksmonument, is het VVV kantoor gevestigd. We wilden graag een rondvaart maken over de Binnendieze (riviertjes binnen de stadsmuren), maar helaas, bleek bij navraag dat alle boten volgeboekt waren. We kochten daarom een wandelroute om zo toch het een en ander van de stad en zijn historie te kunnen zien. Bij deze route werden ook allerlei leuke wetenswaardigheden vermeld.

We liepen door het Korenstraatje waar vroeger de korenboeren langs kwamen met hun handel op weg naar de Markt. In de Karrenstraat werden vroeger de karren gestald en bevonden zich veel cafés en logementen. Aan het einde van de Korenbrugstraat zagen we het standbeeld van Zoete lieve Gerritje. Het symbool van de Bossche geest wat staat voor vrolijk- en goedmoedigheid. Hier stroomde ook de Binnendieze, het riviertje dat gevoed wordt door de Dommel en de Aa.

De Binnendieze heeft door de jaren heen, veel voor de stad betekend. ‘s-Hertogenbosch ontstond als een kleine ommuurde stad, ter grootte van de Markt en een aantal andere straatjes. Later werd de stad nogmaals ommuurd, ditmaal ter grootte van de huidige binnenstad. De riviertjes binnen de muren kregen de naam De Binnendieze. De Binnendieze werd gebruikt als watervoorziening, wasplaats en visplaats, maar ook als afvalstort.

Tot ongeveer 40 jaar geleden was het water nog een open riool. Door aanleg van een rioolstelsel in de stad verdween de Binnendieze langzaam. Daar werd in 1972 een stokje voor gestoken. Het vaarwater werd beschermd stadsgebied. Het water onder de stad is nu met recht een van de historische trekpleisters van ‘s-Hertogenbosch! In de Lepelstraat was vroeger een maat die gebruikt werd voor het wegen van graan.

Ook was hier de vismarkt waar de visvrouwen hun waar verkochten. Er staat ook nog een Maria kapelletje. We liepen het oude centrum uit via de Wilhelminabrug, over de rivier de Dommel, in de richting van het centraal station. Op het Stationsplein staat de Drakenfontein die mogelijk verwijst naar de “Moerasdraak”, de bijnaam van ’s-Hertogenbosch tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De stad kreeg deze naam omdat ze onneembaar zou zijn vanwege de ligging bij een moeras. We liepen verder door omdat we wisten dat ergens aan de linker kant de bekende banketbakkerij  Jan de Groot moest liggen.

We kunnen Den Bosch natuurlijk niet verlaten zonder een Bossche bol te hebben geproefd. De Bossche bol is een chocoladebol en wordt gegeten als een gebakje. De bol wordt gemaakt van soezenbeslag, gevuld met slagroom en geglazuurd met gesmolten chocoladefondant. Bakkerij Jan de Groot werd in 1936 opgericht en begon de chocoladebollen naar eigen recept te verkopen. Ze zijn een bekend fenomeen in en buiten Den Bosch.

We zaten nog vol van de lunch en kochten vier van deze Bossche bollen voor thuis. Zo kon pappa ook meegenieten van ons uitstapje. We vervolgden de route langs de Sint Jansingel en bogen later weer af richting de oude wijk “Uilenburg”. Oorspronkelijk was dit een drukke wijk met veel pakhuizen.

Bij brouwerij Boegbeeld aan de Uilenburg kochten wij voor pappa enkele Bossche speciaal biertjes. De biertjes hadden de naam Sjekladebol, vernoemd naar de Bossche bol en natuurlijk met chocoladesmaak, Siberië, wit bier met sinaasappel en koriander en de laatste had de naam Kutbier. Wat! Ja, we moesten erg lachen om de naam. Het is een ode aan de Bossche Kut. “Kut” is de niet zo mooie bijnaam voor een Bossche volksvrouw die vaak het hart op de tong draagt.

De Bossche volksvrouw zou het haar in onnatuurlijke kleuren verven, draagt veel make-up en heeft opvallende getekende wenkbrauwen. Als je langs rijdt op haar brommer roepen de Bossche mannen: “Ziet goed uit, kut!”. Het biertje zou smaken naar pruimen. Wij stonden te trappelen om pappa te vertellen dat we Kutbier hadden gekocht, hihi.

We kwamen weer een stukje langs de Markt met het stadhuis dat dateert uit de tweede helft van de 14e eeuw. Jan Derkennis was als net zoals bij de bouw van de Sint-Janskathedraal betrokken bij de bouw van dit gebouw. We dwaalden verder door smalle straatjes waar allerlei leuke winkeltjes gevestigd waren en het geld bleef rollen. Een ouderwetse snoepwinkel was een waar paradijs voor ons. Toen we weer bij de Sint Jan aankwamen, sloegen we af en liepen we terug naar de parkeergarage. Het was tijd om terug naar huis te gaan. Na het avondeten mochten we de Bossche bol op eten en proefde pappa het meegebrachte Kutbier. Beiden smaakten voortreffelijk!

De Mekong Delta

Gelukkig waren de bouwvakkers van de afgelopen nacht klaar en sliepen we een stuk beter dan gisteren. We moesten ook vandaag weer op tijd klaar staan voor een tweedaagse trip naar de Mekong Delta, het riviergebied ten zuidwesten van HCMC. Onze spullen konden we achter laten in het hotel en we namen alleen twee kleine rugzakken mee met hoognodige spullen.

We werden op gehaald door een oververhitte reisgids die ons naar de mee nam en ons ergens langs de grote straat neerzette met de mededeling dat we even moesten wachten omdat hij nog andere mensen op moest halen. Mamma nam het er even van en haalde ons ontbijt bij een bakker die daar ook lag. Ze moest ineens haast maken want we moesten verder lopen. Hurry, hurry en ineens waren wij de gids kwijt?

We liepen een stukje terug maar niemand te zien. We besloten maar op het kruispunt te wachten in de hoop dat de gids terug zou komen. Gelukkig gebeurde dat maar hij ging er vervolgens weer als een speer vandoor nadat hij ons weer ergens liet wachten? Pappa en mamma lieten hem duidelijk merken dat hij iets rustiger aan moest doen omdat wij kinderen zijn, iets minder snel lopen en in het drukke verkeer met oversteken extra op moeten letten.

Uiteindelijk keerde hij terug en werden we met nog een heleboel anderen in een bus gezet. Ik hoop dat de rest van de tour iets rustiger verloopt dan de start. Het was ongeveer 2 uur rijden naar de Mekong Delta. Na iets meer dan een uur rijden werd er een stop gemaakt bij een wegrestaurant. Er was een mooi aangelegde tuin bij waar we even onze benen konden strekken. Ook kochten we twee gevulde broodjes en een bao pao broodje.

We reden met de bus verder het rivierengebied in. Het bestaat uit de grote rivier de Mekong en de vele zijtakken en kanalen. De rivier is in totaal 4200 kilometer lang en ontspringt op de hoogvlakte in Tibet en mondt uit in de Zuid Chinese zee. De Mekong delta is een bijzonder gebied met zijn web van riviertjes, (drijvende) markten en woonboten. Het dagelijks leven speelt zich voornamelijk af op het water. Het is het meest dichtbevolkte gebied van Vietnam en er is veel landbouw op de rijstvelden die zich tussen de waterwegen bevinden. Meer dan de helft van alle rijst die in Vietnam wordt verkocht komt hier vandaan.

De Mekong delta wordt daarom ook wel het ‘rijstschuur’ van Vietnam genoemd. Vietnam is naast Thailand en India één van de grootste exporteurs van rijst. Wij stopten ergens in de provincie Ban Tre langs de kant van de weg voor een rondleiding. Deze provincie lag vrij geïsoleerd doordat de Mekong er omheen ligt. Na de opening van de brug tussen de stad My Tho en Ban Tre in 2009 wordt het gebied steeds meer bezocht. De provincie staat bekend om haar fruitboomgaarden en palmbomen.

De Vietnamezen noemen het ook wel Kokosnooteiland. Vroeger  was het gebied een broeinest voor revolutionairen die samenspanden tegen de Fransen en later tegen de Amerikanen. In 1968 was het een van de gebieden die als eerste door de Vietcong werden bezet tijdens het Tetoffensief. We verlieten de bus en namen wat spullen mee want het was onduidelijk wanneer en of we naar de bus zouden terug keren.

We liepen via een pad en hadden de hoofdweg al snel achter ons gelaten. We kwamen in een klein dorp en kregen informatie bij een bijenhouderij. De bijen worden hier in houten kisten gehouden om honing te maken. Onze gids pakt een tray uit de houten kist die vol zit met bijen. Hij legt uit dat er 1 koninginnen bij is, en daarnaast de werkbijen (95% vrouwtjes en maar 5% mannetjes). De kisten worden door het seizoen heen verplaatst naar de beste plek om zo de meeste honing te krijgen.

Daarna mogen we gaan zitten aan een aantal tafeltjes die klaar stonden. We kregen vers fruit om te proeven en een honingdrankje. In een klein glaasje zit een laagje limoensap en daar gieten ze vervolgens honingthee bij. Het drankje was mierzoet en dat trok de bijen natuurlijk aan. Ze kropen in het glaasje en dreigden te verdrinken. Ik viste ze er met mijn lepeltje weer uit en redde hun leven.

Er volgde nog een optreden met lokale instrumenten en gezang. Na dit onderhoud lopen we verder tussen de fruitbomen en kokospalmen door naar een aanlegsteiger voor bootjes. Samen met een Nederlandse die alleen reist, delen wij het bootje. De bootjes zijn een beetje onstabiel en je moet oppassen met het instappen om er niet aan de andere kant weer uit te vallen. We hoeven gelukkig niet zelf te roeien. De omgeving is prachtig en we waren echt aan het genieten. Tot onze verbazing meerde de roeier na nog geen 10 minuten alweer aan bij een kade.  We dachten eerst dat het een grapje was maar het was echt het einde van de route.

We stapten uit en kwamen bij een fabriekje waar de lokale vrouwen de specialiteit van dit gebied maken, namelijk keo dừa (kokossnoepjes). Het snoepje wordt gemaakt van ingedikte kokosmelk. In grote ketels wordt de melk tot een dikke, kleverige massa gekookt die wordt uitgerold en als het afgekoeld is, in vierkantjes wordt gesneden. Met de hand worden de snoepjes in flinterdun rijstpapier verpakt. Zou het rijstpapier er niet omheen zitten dan plakt het snoepje vast aan de verpakking. Je eet het snoepje dan ook met rijstpapier en al. Ze waren in verschillende smaken verkrijgbaar en we konden natuurlijk ook proeven, lekker maar niet speciaal.

Er lag hier ook een python of boa constrictor ? Het is wurgslang en hij heeft geen giftanden. Wie wilde mocht hem om zijn nek leggen. Pappa ging als eerste maar ik vroeg mij af of de slang niet te zwaar voor mij zou zijn. Ik vroeg het aan de gids en hij zei dat ik hem met gemak om mijn nek kon hangen. Een paar tellen later had ik hem om mijn nek. Wow, ik vind het wel stoer van mezelf. Keyro wilde niet of durfde hij gewoonweg niet?

We lieten het dorp achter ons en stapten op een grotere boot met rieten stoelen die de Mekong rivier op kon. We zagen diverse vissersboten en boten die producten vervoeren via de rivier. We gingen lunchen op het eiland Con Cuy bij restaurant Nhà hàng vườn Cồn Quy. We hadden een standaard menu inclusief en konden tegen meerprijs nog extra vis op tafel krijgen.

We hielden ons aan het standaard menu en dat was niet echt bijzonder. Op het bord lag wat rijst, een stukje varkensvlees, wat groenten en een ei. Na de lunch varen we een stuk met de boot en worden we opgepikt door de bus die ons naar het Cha Vinh Trang complex in My Tho brengt. De Binh Trang pagode werd gebouwd in 1849. Na een verbouwing in 1907 werd het gebruikt als paleis van de sultan en neobarokke villa met Korintische zuilen.

Binnen staan Boeddha beelden maar ook buiten is er geen gebrek aan beelden. Er staat een beeld van een Boeddha, een lachende Boeddha en een liggende Boeddha. Een tempel kan gebouwd worden voor iedereen die iets bijzonders heeft gedaan maar een pagode mag alleen gebouwd worden voor een Boeddha.

Na het bezoek aan de pagode stapten we in de bus richting de stad Can Tho. We brachten hier de gasten weg die in een hotel overnachten en wij werden opgewacht door een taxi om samen met nog drie anderen vervoerd te worden naar een homestay in de buurt. Het was toch nog een minuut of twintig rijden van Can Tho en het gebied was veel rustiger.

Hung’s homestay lag aan één van de vele zijtakken van de Mekong rivier. De homestay bleek een stuk groter te zijn en er waren meer dan twintig kamers. We hadden een leuke basic kamer aan de rand van het terrein. Voor de kamers was water en via een bruggetje kwam je bij de kamer. Voor het avondeten lagen we wat in de hangmatten en speelden we met de vele hondjes die er rond liepen, zo schattig!

Voor het avondeten moesten wij ook zelf aan de slag. We maakten springrolls met spinnenweb vellen en vulden het met verschillende groenten. De springrolls werden door de vrouw des huizes gefrituurd in een grote wok. Naast onze zelfgemaakte loempia’s kwamen er nog vele groenten, tofu en een vers gevangen vis op tafel.

Het smaakte goed en we hadden een leuk gezelschap om mee te praten (een Italiaans koppel en een in Frankrijk wonende en werkende Engelsman). Na het eten werd er “happy water” geserveerd. Deze zelfgestookte rijstwijn was natuurlijk niet voor Keyro en mij bestemd. We gingen op tijd terug naar onze kamer want morgenochtend moeten we vroeg op om de drijvende markt van Cai Rang.

Legongdans


Na alle dagen vroeg opstaan, konden we eindelijk eens een keer blijven liggen totdat we vonden dat we genoeg geslapen hadden. We wasten ons, kleden ons aan en gingen naar de gemeenschappelijke ruimte voor het ontbijt. We kregen een lekker omeletje en Ronac was helemaal blij dat hij eindelijk weer melk kon drinken in de ochtend. Hij ging het zelfs helemaal alleen in het Engels bestellen bij de serveerster. Knap van hem hoor!


De twee clowtjes in de tuin van onze accomodatie.

Na het ontbijt haalden we onze zwembroek en doken we het zwembad in. We brachten er een paar uur door met het opduiken van onze duikschijven. In de middag besloten we om Ubud een beetje te verkennen. Het dorp is centraal gelegen in het midden van Bali. De naam Ubud komt van het Balinese woord “ubad” dat medicijn betekent. In de begin periode was Ubud een gehucht maar in 1930 werd er onder leiding van vorst Sukawati begonnen met de bouw van een hotel. In 1936 begonnen een aantal kunstenaars de schilders organisatie en sindsdien groeide het dorp.


Waterpret in het zwembad van Sagitarius.

We liepen de Jalan Monkey Forest af en doken een zijstraatje in. We liepen meteen tegen groene rijstvelden aan. We aten bij een restaurantje dat gelegen was aan zo’n rijstveld. Terwijl wij genoten van heerlijke sapjes, kip met cashewnoten, nasi campur en spaghetti speelden de lokale kinderen met in een vlieger in het rijstveld. Na het eten vervolgden we onze verkenningstocht door Ubud. Opvallend is dat men op Bali overwegend hindoeïstisch is en dat zie je duidelijk terug in het straatbeeld. Overal zijn tempels en zie je mensen die dagelijkse offers brengen. De offers zijn meestal rijst, deeg, bloemen of vruchten en deze zijn verpakt in palmblad. Zelfs op straat, bij winkels, huizen en restaurants zie je de offers liggen. Het zijn vooral de vrouwen die de offers brengen om de geesten tevreden te stellen.


Offers die we overal langs de weg zagen.

Aan de hoofdstraat (Jalan Raya Ubud) tussen winkels, cafés, restaurants en hotels ligt het Puri Saren Agung. Het paleis van de oude koningen wordt ook wel ‘waterpaleis’ genoemd. Het werd gebouwd in de zestiende eeuw. In de jaren 30 van de vorige eeuw, dus al voor de Indonesische onafhankelijkheid, werd het koningshuis afgeschaft. Het paleis is te bezichtigen maar was tijdens ons bezoek voor het grootste gedeelte afgesloten vanwege een lokale ceremonie. Op de terugweg kochten we van straatverkopers kaartjes voor een dansvoorstelling. We gingen eerst terug naar het hotel en relaxten wat. De dansvoorstelling begon om exact 19:30 uur in Balai Banjar Ubud Kelod.


Op Bali kun je verschillende dansvoorstellingen bezoeken en wij hadden gekozen voor de Legongdans. Al op jonge leeftijd leren meisjes maar soms ook jongens de kunst van het traditioneel dansen. De dansen zijn vaak honderden jaren oud en worden gebruikt bij tempelfeesten of andere plechtigheden. Het verhaal van de Legongdans gaat over een prinses in de 12e eeuw die op zoek is naar haar prins. Meestal wordt er door twee meisjes gedanst. Wat ons opviel was de manier waarop de voeten worden neergezet tijdens deze dans. Ook de handgebaren en gezichtsuitdrukkingen zijn vaak vol drama en expressie.


De dans werd begeleid door het gamelanorkest. Er kwam een flink volume uit de instrumenten en soms moesten we de handen voor onze oren houden. De hele voorstelling keken wij met open mond en gingen we volledig op in de dans, de muziek en de mooie meisjes. Na de voorstelling zijn we bij één van de vele restaurants aan de Jalan Monkey Forest gaan eten. Er kwamen enkele specialiteiten uit de regio op tafel zoals babi guling (geroosterd speenvarken) en bebek bengil (geroosterde eend).

Dag 19; Verering van Ganesha

Op ongeveer 20 kilometer afstand van Tissamaharana ligt het dorp Kataragama. Voor de Hindoes de heiligste plaats in Sri Lanka. Maar ook voor de Boeddhisten en Moslims is het een religieuze pelgrimsplaats. Wij wilden deze speciale plek bezoeken en reden hier vanmorgen als eerste naar toe. We parkeerden bij het centrale plein waar veel kraampjes waren die lotusbloemen, fruitmanden, kaarsen etc. verkochten.


Offers.
Wij wilden mee gaan in de religieuze gebruiken en lieten bij een van de kraampjes een fruitschaal opmaken die we later konden offeren. Ook kochten we een kokosnoot en aanmaakblokjes. Later werd mij duidelijk wat hiervan de bedoeling was. Net zoals vele pelgrims liepen wij richting de centrale park waar de Hindoetempel, de Boeddhatempel en een moskee op één terrein staan. Iedereen houdt rekening met het geloof van anderen en respecteert dit.

Onderweg liepen wij over de brug bij de heilige rivier Menik Ganga die langs het tempelterrein loopt. Veel gelovigen dompelen zich onder of baden in deze rivier, vergelijkbaar met de rivier de Ganges in India. Voordat we bij de Sivan Kovil het terrein konden betreden deden wij onze schoenen uit en lieten deze achter bij de schoenenbewaking. Omdat er nog geen ceremonie bezig was liepen we eerst een stuk over het terrein. Alles was al in voorbereiding op de Esela Perehera, het Kataragama Festival in augustus. Er worden dan duizenden pelgrims verwacht in de stad, er zal dan veel muziek zijn, er zijn olifanten en er is een parade die met godenbeelden door de straten trekt. Sommige gelovigen zullen dan diep in trance raken en lopen met haken in hun lijf of lopen over vuur.


Wassen in de rivier.

Op onze blote voeten liepen we door het zand naar het noorden van het complex en zagen daar de Kiri Vehera stupa. Onderweg kochten we lotusbloemen om deze bij het altaar van Boeddha neer te leggen. De grote witte stupa werd gebouwd door koning Mahasena en dateert waarschijnlijk uit de 3e eeuw voor Christus. De plek zou ook door Boeddha zijn bezocht voor een meditatie (spirituele oefeningen). Net zoals de vele biddende mensen legden wij onze lotusbloemen op het altaar en Nana deed een “vow” dit is een gebed of belofte.

Op onze weg terug kwamen we langs de moskee, de Bodhi-boom en een klein museum dat we niet bezochten. Nana kocht loten voor een of andere loterij en Ronac wilde perse ook een lot hebben. Gelukkig had Nana nog oude loten waar hij niets mee had gewonnen en gaf hij deze aan Ronac. Ook gaven we nog wat klein geld aan enkele bedelaars. We keken bij een kleine visnu tempel naar een zegening van een gezin door een priester. Nana regelde voor ons ook een korte zegening. De kapurala (tempelpriester) zong een lied voor de bescherming van ons gezin en we moesten wat water drinken.


Lotusbloem

Vervolgens liepen we naar de belangrijkste schrijn van Kataragama de Maha Devale. Er was een privé ceremonie aan de gang dus keken wij bij de naastgelegen tempel ter verering van de Hindoegod Ganesha. We werden door een oud vrouwtje aangesproken om de tempel binnen te gaan en te helpen bij een puja-ceremonie voor de goden die in deze tempel zou gaan beginnen. Wie deelt neemt aan zo’n puja verzameld een goed karma. Met een goed karma krijg je, als je ziel terug op aarde komt, een beter leven. We volgden de vrouw en liepen de kleine tempel binnen. Achteraan stond het belangrijkste beeld namelijk die van de Hindoegod Ganesha. Er stonden veel lichtjes omheen.


Ook wij offerden wij lotusbloemen bij Boeddha.

De god Ganesha had een “olifantenhoofd” en was de zoon van Hindoegod Shiva en Parvati. Volgens het verhaal heeft Shiva het mensenhoofd van Ganesha in een boze bui afgesneden en er later een hoofd van een wijze olifant opgezet. Men zegt dat Ganesha moeilijkheden en hindernissen weg neemt en hij is de beschermheilige van reizigers. Hindoes bidden tot Ganesha voor ze aan iets nieuws beginnen, zoals een nieuwe baan of nieuwe school of wanneer ze verhuizen. In de kleine tempel werd een rode mat uitgerold waar we niet op mochten staan en we kregen touwen in onze handen. De touwen waren bevestigd aan de klepel van verschillende bellen. De bellen hadden verschillende groten en het geluid van iedere bel bleek anders te zijn. We moesten aan de touwen gaan trekken om de ceremonie te laten beginnen.

De oude vrouw en een kapurala (tempelpriester) hielpen ons en het was een hels lawaai. Na een aantal minuten verscheen de Sadhu (heilige man) van achter het rode gordijn. Achter het gordijn bevind zich het heiligste de heiligen en het is uitsluitend toegankelijk voor de Sadhu en de tempelpriester. Sadhu of sadhoe betekent: goed persoon, deze persoon heeft de drie Hindoeïstische levensdoelen: kāma (plezier), artha (rijkdom), dharma (juist handelen) opgegeven. De nogal lelijk uitziende sadhu schuifelde wat rond voor de afbeelding van Ganesha en zwaaide met een schaaltje wierrook. Af en toe maakte hij een soort van beweging als verering of gebed naar de God Ganesha. De rituelen die de Sadhu uitvoerde zijn al eeuwenoud. We moesten aan de touwen blijven trekken totdat de ceremonie tot een einde kwam.


Ceremonie voor Ganesha waar wij mee mochten helpen.

Mijn armen waren tegen die tijd helemaal lam van het touwtrekken. Voordat we de tempel uit mochten gaf de Sadhu ons nog een witte stip op ons voorhoofd. Men noemt dit een tikka (of ook wel bindi) en het is een traditionele versiering. Het is een derde oog dat bedoeld is om de blik op de goddelijke wereld te richten en het boze oog af te weren. Aan de stip kun je tevens zien dat iemand in een tempel gebeden of geofferd heeft. Ook kregen we uit een grote pan een handje plakkerige zoete rijst die men eet na een gebed.

We liepen met de kokosnoten naar een hek met middenin een steen. Het aanmaakblokje werd aangestoken en op de kokosnoot gelegd. Pas toen hij was opgebrand, mocht pappa als eerste de kokosnoot kapot gooien op de steen waardoor hij brak. De kokosnoot staat symbool voor voorspoed en wordt kapotgeslagen (bijvoorbeeld aan het begin van iets nieuws ) in naam van Ganesha. De binnenkant van de kokosnoot symboliseert de ziel en de harde schil aan de buitenkant is ons ego. Door de kokosnoot kapot te maken doorbreken we ons ego om zo onze ware zelf te tonen. Alle hindernissen worden zo weggenomen en er volgt voorspoed.

Ons laatste bezoek is aan de Maha Devale, de belangrijkste plaats van Kataragama. In de 2e eeuw v Chr. bouwde koning Dutugemunu hier een schrijn voor de god Kataragama Deviyo,de hindoegod Skanda. In de tempel staat volgens zeggen de originele lans van oorlogsgod Skanda. Er staan vele gelovigen in de rij maar Nana weet ons via een andere rij naar binnen te krijgen. We sluiten ons aan bij de vele wachtende mensen. Velen dragen een grote fruitmand bij zich, de ene nog groter dan de andere. Voorin de tempel stonden in het wit geklede tempelpriesters die de offers, in ons geval de fruitschaal, in ontvangst namen. De schaal werd gezegend door de goden, het geld eruit gehaald en de fruitmand werd van een krans en lotusblad voorzien. Buiten aten we van het fruit en deelden we dit met andere mensen. Net voordat we wilden vertrekken, kwam er nog een muziek- en dansgroep aan. De trommels maakten flink kabaal en er liep een vrouw wervelend te dansen op de opzwepende muziek. We bleven een tijdje staan kijken en gingen weg toen ze stopten. We haalden onze schoenen op en deelden nog wat fruit uit. We liepen terug naar de auto om vervolgens een niet al te lange rit te maken naar Tangalle aan de zuidkust van Sri Lanka.


Onze cabana.
We checkten in bij Palm Paradise Cabanas aan het Goyambokka strand. We kregen een vrijstaand houten huisje (cabana) gelegen tussen de palmbomen. Het huisje staat op houten palen en is binnen en buiten ingericht met houten meubels. De zee was door de dichte begroeiing niet te zien maar we hoorden hem we te keer gaan. We gingen eerst eten bij het restaurant. We waren nog net op tijd want de keuken sloot om 14:30 uur. Nadat we onze buikjes vol hadden gegeten, gingen we natuurlijk naar het strand. Het was een mooi afgelegen tropisch strand en als de zon zou schijnen was het helemaal een paradijsje geweest.

Vanwege het regenseizoen hingen er donkere regenwolken en was de zee erg wild. Het was niet echt veilig om het water in te gaan en te gaan zwemmen. De stroming was sterk en de golven heel hoog en je werd bedolven onder de golven als je het water in ging. Ik ging niet te ver maar pappa trotseerde de golven en zwom een stuk uit de kust. Terwijl ik kung fu speelde met de golven vermaakte Ronac zich in het zand. Toen het begon te regenen keerden we terug naar onze cabana waar we met zand en schelpen onder de veranda speelden.


Woeste hoge golven, daar weet Keyro wel raad mee.

S’ avonds hadden we een drie-gangendiner bij het restaurant. Er werd heerlijke versgevangen tonijn geserveerd. Samen met pappa en Nana ben ik na het eten nog naar de Rekawa Turtle Sanctuary gegaan. Mamma en Ronac bleven thuis. Rekawa is een klein vissersdorp ten oosten van Tangalle. Op een beschermde strook strand was het mogelijk om vijf verschillende soorten zeeschildpadden te zien. De zeeschildpadden komen aan land om nesten te maken. Het Turtle Conservation Project zorgt dat de zeeschildpadden niet gestoord worden tijdens het leggen en dat de nesten niet leeg geroofd worden.

We kregen vooraf informatie van een vrijwilliger over de zeeschildpadden en moesten toen gaan afwachten of er een schildpad aan land zou komen. Uiteindelijk hoorden we dat er eentje was gesignaleerd. Toen we er aankwamen, ging de schildpad net terug naar zee. Ze had geen eieren gelegd en was waarschijnlijk ergens van geschrokken. Ondanks dat we het eieren leggen niet hadden gezien liepen we terug en was het bezoek meteen afgelopen. Jammer dat men alleen maar dacht aan commercie en niet de moeite nam om nog een poging te wagen om een andere schildpad te zien. Voor ons maakte het niet zoveel uit want wij hadden het geluk gehad dit vorig jaar in Suriname ook al te zien. Pas tegen middernacht kwamen we terug bij de cabana waar mamma en Ronac al lekker onder de klamboe lagen te slapen. Ondanks de ventilator en zeewind was het nog flink warm in het hutje. Gelukkig was ik zo moe dat ik al snel in een diepe slaap viel.

 

Dag 14; Tempel van de Tand

We bleven vandaag de hele dag in en om Kandy dus we konden iets langer in bed blijven liggen. Na een uitgebreid ontbijt haalde Nana ons op. We hadden ons schema gisteren iets aangepast en daarom gingen we vandaag naar de Tempel van de Tand. De stad Kandy was de laatste hoofdstad van het Singhaleserijk voordat het eiland in 1815 in Engelse handen viel. De stad is vooral bekend vanwege de Dalada Maligwa (Tempel van de Tand) waar volgens de verhalen een hoektand van Boeddha bewaard zou worden.


Wij brachten als eerste een bezoek aan deze beroemde tempel. De ingang was goed beveiligd met gewapende militairen en betonblokken. In het verleden werd er door de Tamil Tijgers een aanslag gepleegd op de ingang van het complex en daarbij zijn vele doden gevallen. Nu bestaat de ingang dus uit hekken, metaaldetectors en militairen. Wel stonden er veel kraampjes met fleurige lotusbloemen die door pelgrims gekocht werden om de tand van Boeddha te vereren. Samen met pappa ga ik door de controle en Ronac ging met mamma.

Om de gebouwen te mogen betreden moesten we uiteraard onze schoenen uit doen en op blote voeten verder gaan. Bij de eerste zaal waar we binnen kwamen, stonden twee mannen te trommelen, dit hoorde bij de puja-ceremonies (offerdiensten) die drie keer per dag uitgevoerd worden. Voor de ruimte waar de heilige tand bewaard wordt, was het erg druk. Veel mensen stonden in de rij, offerden lotusbloemen of zaten op de grond te bidden. Drie keer per dag (‘s morgens, ‘s middags en ‘s avonds) worden er rituelen uitgevoerd en wordt de deur naar de tand geopend. Men krijgt de tand niet te zien, maar wel een gouden kistje op het altaar in de vorm van een stupa waar de tand in zou zitten.


De tand zou na Boeddha’s verbranding uit het vuur zijn gehaald en werd uit India naar Sri Lanka gebracht. Vele eeuwen wordt de tand op Sri Lanka al vereerd. Vanaf Anuradhapura verhuisde de tand steeds mee wanneer de hoofdstad van het Singaleese rijk verplaatst werd. Zo kwam hij uiteindelijk in Kandy terecht. Het duurde nog een tijd voordat de deur werd geopend en Nana besloot om eerst naar het museum te gaan.

Hier zagen we veel schilderijen hangen die het verhaal vertellen van de tand. Voor mij dus makkelijk te begrijpen en ik volgde aandachtig alle schilderijen zodat ik de hele geschiedenis begreep. We stonden al bijna buiten toen we Nana er aan herrinerden dat we de tand nog niet hadden gezien. Hij was het bijna vergeten en we keerden weer terug naar de Inner tempel op de eerste etage. We sloten aan in de rij en liepen tien minuten later in een flits langs de kleine ruimte met de gouden stupa (dagoba). Je hebt maar tien seconden om te kijken en je kunt bijna niet stil staan. Toch was het lang genoeg voor mij om de mooie gouden stupa te zien glinsteren.

Op de terugweg naar de minivan kwamen we nog een olifant tegen. De mahout nam een baby mee en liep met haar een aantal keer onder de buik van de olifant door. Het zou de baby geluk brengen in de toekomst. We reden via een slingerende bergweg naar Peradeniya, een plaats net buiten Kandy. Hier bezochten we de botanische tuinen van Peradeniya.

In 1371 werden de tuinen aangelegd door de toenmalige koning en in 1815 hebben de Engelsen er een botanische tuin van gemaakt. Het regende flink dus onze paraplu’s gingen mee. We bezochten als eerste een kas met allerlei soorten orchideeën. In de tuinen was een verscheidenheid aan bomen en tropische planten en ondanks de regen was het prachtig om er doorheen te lopen. Op de Memorylane stonden bomen die gepland waren door hoogwaardigheidsbekleders o.a. Joeri Gagarin en Indira Gandhi. Onze lunch hadden we in de tuin bij een mooi paviljoen. Om daar te komen moesten we een flink grasveld oversteken en het was echt soppen geblazen in onze schoenen.


Ondanks de regen was de botanische tuin toch prachtig

Toen we aan tafel op ons eten wachten, hoorden we dat er mensen waren met bloedzuigers op hun lichaam. Ik werd een beetje panisch en mamma controleerde ons meteen. Wij hadden niets maar pappa bleek er eentje tussen zijn tenen te hebben. Hij had er niets van gevoeld maar er liep wel een straaltje bloed over zijn voet. Hij haalde hem met een doekje er vanaf, jakkes. Het eten was super uitgebreid en de curry’s pasten niet allemaal op tafel en werden daarom op een extra bijzettafeltje gezet. Het eten en de service was hier echt top en toen we afrekenden konden we bijna niet geloven dat we in verhouding zo weinig hoefden te betalen.


We liepen terug aar de minivan en besloten om niet naar het Millenium park te gaan en als alternatief gingen we naar een edelstenenshop/juwelier. In Sri Lanka worden veel edelstenen gevonden soms hele kostbare. Zo vonden ze hier ooit de grootste en zwaarste blauwe saffier ter wereld. Bij de juwelier kregen we eerst een film te zien, in het Nederlands ook nog, over de mijnbouw en het delven van edelstenen in Sri Lanka, zeer interessant. Na de film zagen we onbewerkt en bewerkte edelstenen zoals saffieren, robijnen en maanstenen. In de winkel keken we even rond en pappa zei tegen mamma dat ze wel een mooi sierraad uit mocht zoeken. Ze had tenslotte nog geen verjaardagscadeau gehad.

Mamma’s oog viel op de bijzondere Cat’s Eye (kattenoog), een mineraal die na bewerking een kattenoogeffect geeft. Bij de juiste lichtinval wordt er een zilverachtige streep veroorzaakt in de steen en dit lijkt op een kattenoog. Er waren verschillende kleuren stenen variërend van grijs, bruinig tot groen. Vroeger waren kattenogen geliefde edelstenen die men combineerde met diamanten. De steen zou je aura beschermen tegen een negatieve energie en het stimuleert geluk, vertrouwen, innerlijke rust en voorspoed. Na wat zoeken, kijken en onderhandelen zocht mamma een mooie steen uit die ze in een ring zouden plaatsen. Morgenochtend zou de ring klaar zijn en konden we hem ophalen.

We bezochten daarna nog een werkplaats voor houtbewerking. Hier zagen we verschillende houtsoorten en hoe je deze in verschillende kleuren kan verven met natuurlijke producten. Het was sjiek om te zien wat een mooie dingen de houtbewerkers allemaal maakten van het hout. Van bed tot kast, maskers en schaakspellen.


Rond 16.30 uur stapten we uit bij de “Kandyan Arts Association Hall” vlakbij de Tempel van de Tand. Hier kregen we een culturele dansshow te zien van de “Kandy Dansers”. Helaas was het druk en waren de voorste rijen al bezet. Gelukkig vonden we een plaatsje op de vijfde rij en hadden we ruim zicht op het podium. Een paar minuten voor aanvang van de show kwam een man mamma en Ronac halen en mochten ze op twee gereserveerde plaatsen op de voorste rij gaan zitten. De show begon met mannen die in rood-witte kleding een oorverdovend lawaai produceren met hun traditionele instrumenten, de “Pancha Thuryas”. Er werden verschillende dansen opgevoerd en die werden begeleid door de muziekinstrumenten.Halverwege moesten Ronac en ik allebei naar het toilet. Snel plassen en daarna weer terug voor de show. Ik glipte snel met mamma en Ronac mee om de tweede helft ook vanaf de voorste rij te kunnen zien.

De dansen waren heel acrobatisch en ik vond het fantastisch. Aan het einde van de voorstelling was er een act met vuurfakkels die ze over hun lichaam lieten bewegen. Ze deden de fakkel zelfs in hun mond! Als laatste werden er kolen aangestoken. Je voelde de hitte er van af komen en toen gingen er twee mannen over heen lopen op blote voeten! Met open mond zaten wij te kijken, hoe kan dat?? Ongelofelijk hoor, zo knap!

Na deze show gingen we terug naar het hotel en regende het nog steeds. We kleedden ons om en gingen lekker wat eten in het goede restaurant van het hotel. Mamma waagde zich aan de verse krab en had veel priegelwerk om de kleine beetjes vlees uit de schaal te halen. Ze liet mij proeven en ik moet toegeven dat het wel heel erg lekker was. Ik nam verder soep, pasta met pestosaus en overheerlijke toetjes. Jammer dat we dit hotel morgen weer verlaten want ik vond het echt een super goed hotel.

Dag 13; Boeddha’s

Na het ontbijt vertrokken we voor onze lange rit naar Kandy in de centrale gebied van Sri Lanka. Onderweg zouden we diverse stops maken dus zouden we genoeg afleiding hebben. Na ongeveer twee uur rijden maakten we de eerste stop bij de grottempel in Dambulla. De gouden tempel van Dambulla staat op de Werelderfgoedlijst. De plaats is gebouwd rondom een grote granietenberg waarop de boeddhistische grottempel Raja Maha Vihara ligt. Het tempelcomplex is het best bewaard gebleven complex in Sri Lanka.


Gouden tempel, dambulla.

Bij de ingang stond een prachtige stupa (dagoba) en een grote geelgouden Boeddha. Ook hier zagen we weer een hoog kitsch gehalte met veel goud en bling bling. Om bij het complex te komen moesten we eerst de 100 meter hoge rots omhoog klimmen. Ik liet mij weer erg makkelijk dragen in het draagstel en voelde mij net een “prinsje”. Onderweg kwamen we aapjes tegen die totaal niet bang waren en allerlei gekke fratsen uithaalden. Ook liepen er veel souvenir verkopers die ons van alles aan wilden smeren.


Hoeveel apen kun je tellen op de foto?

Ze begonnen met 1000 roepee en uiteindelijk kon je het voor minder dan 100 roepee krijgen als je wilde. Hoe hoger we op de rots kwamen hoe mooier het uitzicht werd. Voor de ingang van het complex moesten de schoenen weer uit en een opdringere man verplichtte ons de schoenen bij hem in de vakjes te zetten. We mochten ze niet langs de kant neer zetten en zelfs niet meenemen?! Wat een onzin. Pure commercie om toeristjes geld af te troggelen.


De prachtige grottempels van Dambulla.

In totaal waren er in het complex vijf grottentempels. De wanden en de plafonds waren beschilderd met Boeddha’s en andere figuren. Over de vijf tempels staan ongeveer 150 Boeddha’s verdeeld. Het was jammer van de felle TL-verlichting die de sfeer wat kil en koud doet overkomen maar ondanks dat maakte het absoluut indruk. We liepen weer terug naar beneden langs de apenkolonie.


De familie aap.

Na het bezoek aan de grottempel reden we verder naar Matale. Hier bezochten we één van de vele kruiden- en specerijentuinen die we onderweg tegenkwamen. Bij de ingang kregen we een paraplu om ons droog te houden maar wij vonden het leuker om er riddertje mee te spelen en lekker nat te worden van de regen. De man die ons rondleidde liet ons veel kruiden en specerijen zien. Wij kennen de meeste kruiden en specerijen als poeder of in gedroogde vorm maar hier zagen we hoe ze als struik, blad, stengel of bloem groeiden. Zo zagen we hoe peper, kruidnagel, vanille en noodmuskaat groeit en werd mijn nagel geel gekleurd met de wortel die bij ons in de keuken gebruikt wordt als saffraan.


Op vakantie en toch nog even naar school.

Terwijl wij door de tuin liepen kregen we twee maal een drankje aangeboden. De eerste keer een heerlijke thee met specerijen en de andere keer chocolademelk met een vleugje vanille extract. Ook gingen we nog even in de schoolbanken. Voor de klas stonden flesjes en potjes met ingrediënten. We kregen een a4-tje met tekst en uitleg in het Nederlands. Er werd ons uitgelegd dat veel kruiden ook gebruikt kunnen worden als medicijn bij gezondheidsklachten. Men noemt dit Ayurvedische geneeskunde, een traditionele geneeskunde die in Sri Lanka en India veel gebruikt wordt. We kregen allerlei smeerseltjes op onze armen en benen en konden aan het einde ook nog een nek- en of schoudermassage krijgen. De massage lieten we achterwege en daarna liepen we terug.

We konden bij het winkeltje alle kruiden, specerijen en smeersels kopen. Wij wilden graag de cacao (chocolademelk) en het vanille extract kopen maar laat dit nu net het enige zijn dat ze niet meer hebben, jammer. Uiteindelijk kochten we een potje met kruiden om een vleescurry te maken. Ondanks het commerciële tintje vonden wij het toch leuk en zeer informatief. Onze laatste stop onderweg naar Kandy was bij het Aluviharaklooster.


Binnenplaatsje van het schitterende Aluviharaklooster.

Het is een heel oud klooster waar voor het eerst de Boeddhistische geschriften (regels, leer) werden opgeschreven. Ook hier zagen we prachtig beschilderde muren en plafonds en een grote liggend Boeddhabeeld met gouden gewaad en omringd door offers (bloemen en wierook). Ook was er een ruimte waar door middel van beelden werd uitgebeeld welke straffen men kon krijgen bij ongehoorzaamheid (bijvoorbeeld stelen). Keyro vond de beelden eng en wilde snel de ruimte uit maar ik daar en tegen vond het geweldig om te zien. Ik noemde de beelden “de enge mannetjes” en wilde er iedere keer naar terug keren. We maakten onderweg nog een stop bij een soort hamburgerrestaurant voor een snelle lunch.

Laat in de middag kwamen we aan bij ons hotel in Kandy. De stad was hoger gelegen en daarom was het klimaat hier koeler. Het hotel lag iets hoger op de Hunnasgiriya-berg. In het Thilanka hotel werden we deftig ontvangen en ook hier kregen we een welkomstdrankje. Onze kamer bevond zich op de vijfde verdieping en we hadden een prachtig uitzicht over het Kandy meer, natuurpark Udawattaekelle en in de verte zagen we de Tempel van de Tand. De kamer was ruim en mooi gedecoreerd. We zaten net even televisie te kijken toen we vanaf het balkon begluurd werden. Een stel apenogen keken ons nieuwsgierig aan. In de bomen bij het hotel zit het vol met Ceylonkroonapen en er werd geadviseerd om de balkondeur dicht te houden omdat ze van alles mee kunnen pikken. Wij vonden het wel leuk om aapjes te kijken en zij waarschijnlijk ook. Het avondeten was in het luxe restaurant naast het zwembad.


Nieuwsgierige aapjes op ons balkon in het hotel.

Wij maakten kennis met een collega van pappa die samen met vrouw en zoon ook een rondreis maakten door Sri Lanka. Het eten was wel in buffetvorm maar overvloedig en zeer goed. De kok kwam naar pappa en mamma toe of hij frietjes voor ons moest bakken maar dat vonden Keyro en ik allebei niet nodig. Waarom frieten als er zoveel ander lekker eten is? We aten eerst soep, daarna pasta en als laatste heel veel toetjes. Een orkestje speelde aan de tafeltjes en ik danste wat en deed met ze mee. Na het eten gingen we nog in de bar iets drinken met de collega van pappa. Terwijl zij aan het bier en de cocktails zaten, renden wij rondjes om het zwembad. Keyro speelde later een spelletje op de telefoon van Frank en ik ging bij een Nederlands stelletje aan het zwembad zitten. Het meisje vond mij wel leuk gezelschap (haar vriend had meer oog voor zijn telefoon) en ik kletste haar de oren van het lijf. Ik vertelde haar over de olifanten en de “enge mannetjes”. Rond 22:00 uur was het bedtijd en nam ik afscheid.

Dag 11; Koneswaram tempel

Onze dag begon opnieuw met relaxen en heerlijk genieten van de zon, zee en het mooie strand. Onze lunch hadden we opnieuw bij Fernando’s Bar. Ronac was zo moe geworden dat hij in slaap viel bij mamma op schoot. Tegen het einde van de middag haalde Nana ons op en gingen we naar Trincomalee, één van de belangrijkste steden voor de Tamil. Het is een havenstad en ligt op een schiereiland aan de noordoost kust. Het is de op vier na grootste natuurlijke haven ter wereld. In Trincomalee ligt ook het grootste Nederlandse fort van Sri Lanka, Fort Frederick.


De stad Trincomalee speelde een belangrijke rol in de VOC-tijd. De Nederlanders waren toen in Sri Lanka en de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) handelde vooral in kruiden en specerijen. Ze hadden een eigen leger en oorlogsschepen voor handhaving in het gebied. Ook zocht de VOC naar snellere routes naar landen, nieuwe landen en nieuwe producten. We reden Fort Frederick binnen en parkeerden de minibus. Bovenop de Swami rots bij het fort lag de Koneswaram tempel die we gingen bezoeken.


We zagen meteen een groep met “spotted deer”, Axis herten. Ze hadden een mooie bruine vacht met rijen witte vlekjes. Over de weg, met kraampjes aan weerszijden, liepen we naar boven. Voor de tempel moesten we onze schoenen uitdoen en die plaatsen we in de daar voor bestemde vakken. Als eerste zagen we een groot gouden beeld van Shiva omringd door brandende kerstverlichting. Het bling bling gehalte was zeer hoog in deze tempel. De Koneswaram tempel is een Hindoe tempel, ter ere van de god Shiva. Het Hindoeïsme is een religieuze traditie. Shiva is een van de goddelijke persoonlijkheiden in het Hindoeisme. Hij is de god die het menselijk welzijn kan beïnvloeden. Shiva wordt afgebeeld met vier armen, een drietand, een cobra en een stier.


De originele tempel werd in 1623 vernietigd door de Portugezen voor de bouw van Fort Frederick. In 1952 werd de tempel, vanwege het religieuze belang herbouwd. Naast de Hindoegoden worden er in deze tempel ook andere goden vereerd. We zagen beelden van Visnu, Jezus, Shiva en Boeddha naast elkaar op het altaar. Mooi om te zien dat geloven ook samen kunnen komen op één bepaalde plaats. Er waren in de tempel diverse ceremonies aan de gang waarbij mensen offers (bijvoorbeeld fruitschalen) brengen aan verschillende goden. De tempel vonden wij er nogal vuil en verwaarloosd uitzien. De prachtige beelden en versieringen aan de buitenkant van de tempel konden wel een likje verf gebruiken en de vloer mocht wel eens geveegd worden. Na het bezoek aan de tempel reden we nog wat door het centrum en zochten we een bank om te pinnen. ’s Avonds aten we buiten op het terras en scoorde Ronac weer verschillende lekkernijen bij het personeel. Deze keer kreeg hij ijs en chips. Gelukkig wist hij voor mij hetzelfde te krijgen, jippie.