De Dadès vallei

Het was vandaag moeilijk om wakker te worden en op te staan. Uiteindelijk zaten we om 8:45 uur aan het ontbijt. We zouden om 9:30 uur starten met de wandeling. Het was nog koud maar het zonnetje begon al aardig te schijnen.

Onze gids heet Olaiyd en we hadden hem gisteren en vandaag al aan het werk gezien in het hotel. Hij vroeg ons wat geduld te hebben en even te wachten. We gingen naar buiten en genoten vanaf het terras van het uitzicht. Wat een verschil was met gisteren.

Om 10:00 uur kwam Olaiyd zich verontschuldigen dat onze lunch nog gemaakt moest worden en we nog niet konden vertrekken. Uiteindelijk was alle klaar en konden we gaan. We liepen een klein stukje langs de weg en sloegen daarna af de wadi (vallei) in.

We liepen langs de rivierbedding die vol met stenen ligt en er stroomt water doorheen.  We liepen langs akkers waar graan (gerst, tarwe), wortelen, kool en aardappelen verbouwd worden. Ook staan er veel palmbomen, amandelbomen en vijgenbomen. Veelal voor lokaal gebruik. We kwamen door slaperige berberdorpjes en langs stoffige ingestorte kashba’s. Zomaar ineens stonden we voor de kleurige rode bergen en vreemd uitziende rotspartijen. Hier loopt een smal bergpad de bergen in.

De tocht bestaat uit drie delen. Het eerste deel was vrij gemakkelijk lopen maar al snel werd het smaller en we moesten we flink gaan klimmen. Dit is dus het tweede deel. Op sommige stukken moeten we ons zien te redden op de bijna verticale rotsen. Met kleine pasjes liepen we over smalle richeltjes en trokken we ons omhoog aan de rotsen om de weg te vervolgen. Sommige stukken waren weer smal en waren we bang dat mamma kwam vast te zitten.

Voor hele dikke mensen is deze route niet aan te bevelen. We kwamen ook twee karkassen van berggeiten tegen die in de winter door het water in de kloof waren verdronken. Olaiyd steekt ons vaak een helpende hand uit maar de meeste tijd loop en klim ik als eerste naar boven. Het laatste stuk naar het plateau was een flinke klim en ging bijna steil omhoog. Olaiyd vertelde ons om rustig aan te doen en heel voorzichtig te zijn.

Ik ondervond geen problemen en stond als eerste boven. Leuk om mamma en Keyro zo te zien zwoegen. Het plateau is grauw en dor en er staan alleen maar rotsplanten en struiken.

We moeten nog een stukje lopen totdat we bij een berberwoning komen. De woning is uitgehakt in de rotsen. We worden door de familie (moeder met drie kinderen) uitgenodigd om binnen te komen kijken. Het is niet groot en best donker. De moeder en dochter verzorgen een kop thee.

Nu niet alleen met mint maar er bleek ook verse tijm aan toegevoegd te zijn. Naast de grot is nog een kleine ruimte waar het vee gestald staat. Er liep een ezel, een jonge geit en een kip. De jonge kinderen keken verlegen naar ons.

De dochter was bescheiden en verlegen maar ondanks at zeer geïnteresseerd in foto’s die we konden laten zien op de display van onze spiegelreflexcamera. De terugweg gaat bergaf en is een stuk gemakkelijker te lopen.

We komen weer uit in de groene vallei maar gaan nog niet terug. We lunchen op een vlak stuk met gras langs de rivier. Het broodje met kip, paprika en uien was het wachten wel waard geweest. Het was veel en er was ook nog banaan en sinaasappel.

De zon scheen behoorlijk fel en het werd aardig warm. We lopen nog een stuk tot we uitkomen bij een plek waar de rivier flink stroomt. We houden een rustpauze bij het water.

Ik was al aardig moe en er werd besloten om terug te lopen naar het hotel. We steken de (op deze plek) flink stromende rivier over. Geen stevige brug maar een smalle boomstam. Het grootste gedeelte van de terugweg lopen we langs de openbare weg.

Goed opletten want sommige auto’s scheurden toch nog best hard langs. Mamma nam me de laatste paar honderd meter op haar rug, super lief.

We waren rond 16:00 uur terug en verlangden naar een lekkere douche. Helaas viel dat tegen en werd het water niet warm. We spoelden ons snel schoon en droogden ons snel weer af. We deden het verder rustig aan. In de avond aten we weer bij het hotel. Helaas werd er exact hetzelfde eten geserveerd als gisteren. Na het eten waren we moe en gingen we direct slapen. Morgen rijden we verder naar nog een kloof in het Atlasgebergte en wel de bekende Todgha (Todra) kloof.

De rozenvallei

De dag begon met het typische Marokkaanse ontbijt. Bijna overal bestaat het tot nu toe zo’n beetje uit dezelfde ingrediënten. Met volle buikjes zetten wij de spullen weer in de auto om de Dadès vallei verder in te trekken. Het eerste stuk zou ongeveer een kilometer of veertig rijden zijn. Het gebied waar we vandaag door heen kwamen staat bekend als de rozenvallei.

De vallei dankt haar naam aan de talloze rozenstruiken die langs de oevers van de Dadès -rivier groeien. Bij het binnen rijden van Kelaa M’gouna zien we heel veel advertenties en winkeltjes die producten met rozen verkopen. We wilden een fabriekje bezoeken waar de rozen verwerkt worden maar gezien de donkere lucht in de verte besluiten we eerst door te rijden in de richting van Bou Tharar voor een korte wandeling.

We stopten nog bij een uitzichtpunt waar we hoofddoeken kopen voor onze tocht in de woestijn. We betalen er achteraf gezien veel te veel voor maar ja. De verkoper deed alle moeite om ons aan te kleden en foto’s te maken. We rijden verder door schilderachtige en slapende dorpjes. Het lijkt alsof we steeds verder terug gaan in de tijd. We zien ezels met kar en Marokkanen in traditionele kledij om even later weer afgewisseld te worden met een luxe auto en moderne geklede Marokkanen.

We stoppen langs de weg bij een gesloten restaurant om te zien of we daar vandaan kunnen wandelen in de vallei. We worden direct aangesproken door een oudere man die ons zegt waar we de auto kunnen parkeren en waar we naar toe kunnen gaan om te wandelen. Niet veel later gingen wij op weg. Het verhaal gaat dat in de 10e eeuw Mekka-reizigers een bepaalde rozensoort mee namen naar Marokko en deze hier plantte. Een ander verhaal vertelt dat de Feniciërs uit Persepolis in het oude Perzië de kleine, roze Perzische roos meebrachten.

Welk verhaal de juiste is weten we dus niet. We lopen langs vruchtbare akkertjes en zagen al snel de vele rozenhagen. Ze dienen als bescherming voor het land en tegen de loslopende geiten en schapen. Rozen worden al duizenden jaren gehouden om hun schoonheid. Ze worden bij veel rituelen en symbolen gebruikt en hebben verschillende betekenissen. Zo zijn rozen het symbool van de liefde maar kunnen ze ook symbool zijn voor rouw en dood.

De bloei van de rozen is van half april tot half mei en wij waren hier dus op het juiste moment!  Overal zagen we in de struiken de mooie roze rozen. De roos wordt vooral gebruikt voor de cosmetische en parfum-industrie. De blaadjes worden verwerkt in Franse parfums en andere geur- en smaak producten.  In de winkeltjes in de omgeving wordt rozencrème, rozenlotion, rozenzeep, rozenwater en rozenolie verkocht.

De bloemblaadjes worden met de hand geplukt en de olie wordt eruit gewonnen door stoomdestillatie. We dalen af naar de rivierbedding en steken de rivier over die in de loop van de jaren diepe geulen hebben uitgesleten in de bergen. Via een smalle balk steken we over. We lopen door een woud met fel groene planten en bomen.

Het gebied wordt gekenmerkt door het lichtroze tot diep rode gesteende van de bergen met op de achtergrond de Ighil M’Goun, die met zijn 4071 meter de op één na hoogste berg van Marokko is. Tussen de akkers zagen we een  irrigatiesysteem die ervoor zorgt dat alles hier zo goed kan groeien en bloeien. Er wordt van alles geteeld op de akkers en boomgaarden. Van granen, wortelen, kool, fruit et cetera. We lopen door een slapend dorpje met enkele huizen en keren hierna via een andere route weer terug naar de auto.

De uitzichten tijdens de wandeling waren fantastisch. We rijden in de auto door tot Bou Tharar maar dit dorp stelt niet zo heel veel voor. We draaien om voor de terugweg  naar Kelaa M’gouna .Ronac wordt ook tijdens deze rit weer misselijk en moest weer overgeven. Deze keer richtte hij minder goed in de plastic zak en we moesten een stop maken om hem schone kleding aan te doen. Halverwege komt de regen ineens met bakken uit de lucht. Goed dat we eerst de wandeling zijn gaan maken. Vanaf Kelaa M’gouna vervolgen we de weg voor de laatste vijfentwintig kilometer naar Boumalne de Dadés.

Een rozendestilleerderij komen we helaas niet meer tegen maar we besluiten om hier niet voor terug te rijden. We besluiten om de afslag naar de Dadeskloof te negeren en door te rijden naar het centrum van Boumalne om daar te lunchen. We rijden enkele keren de weg op en neer voor een parkeerplekje. Blijkbaar werd het gezien en plotseling werd er een parkeerplekje vrij gemaakt voor een restaurantje. We parkeren de auto en gaan naar binnen. Het restaurantje was simpel maar zag er verder netjes en schoon uit. We bestellen een sandwich en pappa en mamma nemen de kebabschotel.

Het is redelijk snel klaar en de porties enorm. We eten smakelijk. Na de lunch halen we wat eten en drinken en pinnen we weer wat geld. Bijna alles moet contant betaald worden en je pint maximaal maar € 200 en dan is het snel op. We verlaten Boumalne en rijden in de regen de Dadès kloof in. De weg naar de kloof is zestig kilometer lang en bleek zigzaggend door het landschap te lopen. Na iedere haarspeldbocht werden we verrast met spectaculaire uitzichten. Jammer van de regen en hopelijk is het morgen droog.

Onze accommodatie ligt op Onze accommodatie ligt op 18 kilometer van Boumalne in het gehucht Tamellalt. Auberge La Vallée des Figues  is gebouwd in traditionele Berberse stijl. We parkeerden de auto en gingen naar binnen. Ook hier weer ontvangst met Marokkaanse thee en allerlei zoetigheden. Omdat we vroeg waren konden we uit twee kamers kiezen. Iedere kamer bleek een terras te hebben met uitzicht op de bergen en valleien.

We zouden hier twee nachten verblijven.  Aan het einde van de middag klaarde het weer wat op maar het bleef goed koud (10 graden). Pappa en mamma gingen samen nog een wandelingetje maken. Wij hadden geen zin want voor morgen hadden we al een gids geregeld en moeten we dus ook gaan lopen. Volgens pappa en mamma is de omgeving prachtig.

Tijdens de wandeling liep er (ongevraagd) een jongen, Jamaal, met hun mee en hij liet ze berbergrotten zien en verlaten kashba’s. We hadden het diner bij de accommodatie. We hadden om 19:30 uur afgesproken maar moesten uiteindelijk toch wachten tot alle gasten beneden waren zodat het diner voor iedereen gelijktijdig werd geserveerd. We kwamen de tijd door met verschillende kaartspelletjes.

We kregen vooraf een soep met groenten en couscous en die moesten we met een soort pollepel uit de soepkom eten. Het tweede gerecht was pasta met kip en groenten. We aten goed en toen bleek dat we nog een hoofdgerecht kregen namelijk tajine rundvlees met vijgen. Een specialiteit van deze regio. Het dessert bestond uit fruit wat goed is om onze vitamientjes op peil te houden. We lagen uiteindelijk pas om 22:30 uur in bed.

Wandelen rondom Noorbeek

We hadden vandaag afgesproken met de familie Vrijhoeven om een stuk te gaan wandelen. Helaas belde Maurice de afspraak af omdat Tim in de nacht ziek was geworden. Wij besloten om toch te gaan wandelen. We reden naar Noorbeek een klein dorp in het Limburgs Heuvelland. Het is een van de meest zuidelijkst gelegen plaatsen in Nederland. Het dorp ligt verscholen in het dal waar de beek de Noor door heen loopt.

We parkeerden de auto op een centrale parkeerplaats in het dorp. Op de kaart zochten we een wandeling uit en we gingen op weg. We kwamen langs de prachtige Sint Brigade kerk. Het is gebouwd rond het jaar 1500.  Sinds 1634 wordt elk jaar op de tweede zaterdag na Pasen door de Jonkheid (ongetrouwde mannen) in een naburig bos met circa dertig versierde trekpaarden de Brigida-den gehaald.

Bij terugkomst wordt de den s’ avonds door de getrouwde mannen met “sjtiepen” (ronde lange houten richtpalen) recht gezet. Na het opzetten van de den kan de kermis beginnen. Het is ter herinnering aan de gevreesde veeziekte de pest die in 1634 in Noorbeek heerste. De H. Brigida werd aangeroepen om deze ziekte uit te roeien en het wonder geschiedde. We hadden het dorp al snel achter ons gelaten en liepen door een prachtig landschap.

Meidoornhagen, boomgaarden, akkers en grasland passeerden we. In de kale bomen zagen we veel groene bollen. Het bleek om de maretak (ook wel mistletoe of vogellijm genoemd) te gaan. Het is een halfparasiet die in de bomen groeit en alleen goed gedijd in kalkrijke bodem. In dit gebied is dat dus het geval en de bollen waren al snel niet meer te tellen zoveel waren het er. De plant is beschermd en je mag hem dus niet plukken. De maretak zit vooral in populieren en appelbomen en zuigt met zijn wortels de voedingssappen van zijn gastheer weg. Het is een halfparasiet omdat de plant zelf doormiddel van zijn bladeren en zonlicht toch ook zelf voedsel kan produceren.

Er gaan verhalen rond over de geneeskrachtige werking van de maretak. Zo wordt de plant te hulp geroepen in strijd tegen diabetes, reuma, wintervoeten, onvruchtbaarheid etc. Ook zou je er slangen mee kunnen verjagen en wordt de maretak gebruik door heksen. In onze cultuur kennen wij de maretak van het mogen kussen van je geliefde als je onder de maretak door loopt. Tijdens onze wandeling liep de route over akkers en door weilanden.

De eigenaren hebben toestemming gegeven om over het land te lopen. De doorgang naar de weilanden gaat via het draaihek (stegel). Deze stegelkes kom je overal in het Heuvelland veel tegen en hielden vroeger het vee binnen het weiland. Na een paar kilometer wandelen verruilen we het Nederlandse grondgebied voor het Belgische grondgebied.

We volgen een pad omhoog en hebben zo een schitterend uitzicht over het hele gebied. De laatste paar kilometers gaan door wat akkers en zijn niet echt mooi dus stappen we flink door. Het moet ook wel want het is flink koud. Het laatste stukje is weer afdalen naar Noorbeek en de parkeerplaats. Snel naar huis gereden en daar een lekkere warme chocolademelk met slagroom gemaakt om weer een beetje op te warmen, heerlijk.

De ENCI groeve

Onze zondagmiddag brachten wij gezellig door met de familie Vrijhoeven. We troffen elkaar op de parkeerplaats onder aan de St. Pietersberg. We zouden naar de recent geopende ENCI groeve lopen. De geschiedenis van de ENCI (Eerste Nederlandse Cement Industrie) gaat terug tot in 1926. De fabriek werd geopend met geld uit België en Zwitserland. In 1928 is de ENCI de grootste cementfabriek van Europa.

Op de Sint Pietersberg, onderdeel van het plateau van Caestert wordt de kalksteen gewonnen voor de bereiding van verschillende cementsoorten. De fabriek bestaat nog uit de kalksteengroeve, één cementoven, cementmolens, een rollenpers en kogelmolens.

In 2018 stopt de ENCI met de commerciële kalksteenwinning. De afgelopen jaren is men begonnen om het gebied om te vormen tot natuurgebied. Vrij recent is de ENCI groeve geopend voor publiek. We volgden het wandelpad tot we bij de trap kwamen. Hier hadden wij een goed overzicht over de gehele groeve en de fabriek. Er zijn diverse kalkterrassen, steile wanden, hellingen en een centrale waterplas.

We daalden de 215 tellende treden van de trap af. Beneden kwamen we bij een stukje oud mergelgangenstelsel.  We liepen langs de plassen met helder blauw water en mochten nog een tijdje in het zand spelen. We liepen langs de fabriek en vervolgden het pad in de richting van de Lage Kanaaldijk. Bij  het Buitengoed Slavante liepen we weer naar boven.

Het was een steile klim en we hadden flinke dorst gekregen. Tijd voor een drankje op het gezellige terras met uitzicht over de Maas. We liepen terug naar de auto en reden naar het huis van de familie Vrijhoeven voor een heerlijk diner bestaande uit pilav met rijst, jummie.

 

Randonnée à Rochehaut

We reisden vandaag af naar Rochehaut in de Belgische provincie Luxemburg. Het is een klein dorpje en deelgemeente van de plaats Bouillon. Bovendien ligt het dorp niet ver van de grens met Frankrijk. Het kleine plaatsje met niet meer dan 300 inwoners ligt aan de rivier de Semois. We liepen jaren geleden al eens de bekende wandeling Les Echelles. We begonnen het eerste deel van onze wandeling ook met deze gevaarlijke laddertjeswandeling.

Overal wordt gewaarschuwd voor het gevaar en de moeilijkheidsgraad van deze wandeling. Wij zijn echte stoere jongens en zijn niet bang voor een beetje spanning en avontuur. Het eerste stuk van de wandeling zouden we afdalen in de richting van de oever van de rivier. Het pad dat we volgenden was op sommige delen smal en steil. We kwamen drie laddertjes langs steile rotswanden tegen op weg naar beneden. Ronac liep als een kievit en was overal het snelste.

Onderweg kwamen we grote rotsen tegen waar vanaf we een mooi uitzicht hadden over de vallei van de Semois. Na een stevige afdaling kwamen we bij de oever van de Semois. We zagen geen bordjes meer en volgden daarom de stroom van de rivier. We kwamen uiteindelijk uit in het dorp Poupehan.

Opvallend waren de authentieke huizen die zijn opgebouwd uit natuursteen en met leiendaken. Ook zijn er nog tabak-droogschuren te vinden die herinneren aan vervlogen tijden. De inwoners van het dorp werkten toen vooral in de tabaksteelt en de wasserij in de washuizen.

Vanuit Poupehan vervolgden wij onze weg weer naar boven met een flinke klim in de richting van Corbion. We bogen af en vervolgden onze route via een bos naar Les Crêtes de Frahan. Een crête (vertaald vanuit Frans betekent dit “hannekam” ) is een heuvelrug. Het waren een aantal rotsformaties tussen de bossen hoog boven de rivier de Semois.

Uiteindelijk dalen we weer af naar de Semois en komen uit in het kleine gehucht Frahan. We lopen het dorp door en steken de rivier de Semois over via een loopbrug.

In de rivier zien we een hele grote vis bezig om een andere vis op te eten. We bleven even staan om dit te volgen. We speelden ook nog heel even op de oever van de Semois voordat we aan de steile klim terug naar Rochehaut begonnen.

Weer terug in het dorp heb je een prachtig uitzicht over de rivier en het dal. We besloten om een hapje te eten bij Taverne de la Fermette, een onderdeel van hotel restaurant Auberge de la Ferme. Het was een sfeervolle locatie waar uitsluitend Frans werd gesproken. Ook de menukaart was in het Frans dus het werd een uitdaging om iets te eten te bestellen.

Wij namen de boulette de maison avec pommes frites et salade verte, mamma bestelde les côtes d’agneau grillées avec beurre maître d’hôtel en pappa nam steak de boeuf. Het was even afwachten wat we kregen maar boullette bleken een soort van gehaktbal te zijn en mamma kreeg lamsribbetjes.

Het eten smaakte heerlijk en was gemaakt van smakelijke verse producten. Als toetje kregen wij nog een lekker ijsje. Het was nog een aardig ritje terug naar huis. De buitentemperatuur daalde zelfs richting de nul graden, ongelofelijk. Gelukkig zaten wij lekker warm in de auto. Het was wederom een mooie wandeling van zo’n 14 kilometer.d

Bloesemwandeling

Met de zomervakantie in het vooruitzicht wilden pappa en mamma wat gaan trainen met afstanden lopen. We maakten op deze zonnige dag een mooie tocht nabij Maastricht. We reden naar Rijckholt en wisten een parkeerplekje te vinden aan het Brandwegske. De wandeling start bij het wegkruis. Vroeger kwamen hier de inwoners van Rijckholt bidden als ze kiespijn hadden.

Het werd een heuvelachtig rondje maar het eerste stuk was vlak en ging tussen de hoogstamboomgaarden en enkele laagstamboomgaarden. Vroeger werden de fruitbomen vlak bij de boerderij gepland voor eigen gebruik. Nu zijn de boomgaarden vooral aangelegd voor de fruitteelt. Ondanks dat het nog wat vroeg in het seizoen is, stonden er al veel bomen in bloei.

De bloesem was prachtig om te zien. De perenbloesem is wit, wit met licht roze en kersenbloesem is helemaal lichtroze. We kwamen de verschillende fruitbomen allemaal tegen. Na een paar kilometer vlak lopen, gaan we langzaam omhoog. Boven komen we langs boswachterswoning “Huis de Beuk”. De woning stamt uit 1848 en is door een aantal leden van de jagersvereniging opgeknapt. Het uitzicht vanaf dit hooggelegen punt is prachtig.

We vervolgen de weg en komen langs een grot die vroeger als champignonkwekerij gebruikt werd. We lopen het Savelsbos in dat ligt op een steile helling. Het werd miljoenen jaren geleden uitgeslepen door de Maas en beken. Het water dat van de hellingen afstroomde, zorgde voor het ontstaan van de zogenaamde droogdalen die ook wel grubben worden genoemd. In het Savelsbos werden verschillende soorten gesteente gevonden. Zo zijn er de vorige eeuw ateliers ontdek van prehistorische vuursteenbewerkers.

Omdat de hellingen niet geschikt zijn voor landbouw staan er veel grote woudreuzen. Ook bloeien er veel soorten bloemen. De hoge bomen en op de grond bloeiende bodembedekkers zorgden voor een mooie sprookjesachtige sfeer. Na een stukje lopen werden we nog getrakteerd op een mooi uitzicht. We zagen de torens van de ENCI groeve en de rode toren van de Sint Jan in het centrum van Maastricht. We kwamen nog langs kalksteengroeve Trichterberg. Het is tegenwoordig een geologisch monument.

We lopen tussen de mergelwanden en kijken door de tralies heen de grot in. We voelden zelfs de kou uit de grot komen. We liepen nog langs een grafheuvel uit de bronstijd. Meer dan een begroeide heuvel is het niet en als wij het niet hadden gelezen, hadden we het niet als zodanig herkend. Uiteindelijk raken we de route die we volgden kwijt en lopen we tussen de bloesembomen terug richting de auto. We passeren nog de kapel OL van Toevlucht die in 1960 gebouwd werd door de Domicanen in Rijckholt. Op de terrassen zat het overal vol en we besloten om bij de supermarkt een ijsje mee te nemen en deze lekker thuis op te eten.

 

Mystery Sunday

Met Trajekt, het buurtplatform Belfort – Daalhof, ging ik een dag weg. Een aantal outdoor vrijwilligers hadden voor ons een leuk dagprogramma gemaakt in de natuur. Met twee busjes reden we richting het Albertkanaal op de grens tussen Nederland en België. Hier werden de busjes geparkeerd en gingen we te voet verder. We zouden een grottenstelsel in de Cannerberg bezoeken.

Het eerste stuk kwamen we door het bos en op een gegeven moment moesten we afdalen via een touw. De ingang van de grot was vanaf het pad niet te zien. We hadden allemaal een zaklamp bij ons en moesten bij elkaar blijven. In de grot hadden we opdrachten te doen, erg leuk en leerzaam. We moesten onder andere kaart lezen, klimmen, via een brandweerpaal naar beneden suizen en klauteren door de nauwe grotten. Echt survivallen dus! De grotten zijn ontstaan doordat mensen de zachte kalksteen wonnen als bouwmateriaal.

De kalksteen is ontstaan  uit vele aantallen kalkskeletjes van zeediertjes. Alles bij elkaar zijn vele meters dikke lagen gevormd over een oppervlakte die de vroegere Krijtzee besloeg. In Nederland was het in dit geval heel Zuid-Limburg en dat was ongeveer 80 miljoen jaar geleden. Tussendoor maakten we een vuurtje op een open plek en werden er knakworstjes in een pannetje warm gemaakt. De tocht had ons hongerig gemaakt dus de broodjes gingen er wel in. Het was een super leuke middag. Met speciale dank aan alle begeleiders die met ons zijn mee gegaan.

Op blote voeten op pad

Wij hadden vandaag met de familie Ubachs- van der Beesen afgesproken. Lauren en Quint wilden graag naar een blote voetenpad en dat vonden wij ook wel leuk. We hadden bij De Lieteberg in Zutendaal afgesproken. In 2005 was dit het eerste en langste blote voetenpad van Vlaanderen. Wij zijn er in het verleden al eens geweest maar konden ons er niet heel veel meer van herinneren. We konden onze schoenen uit doen en zouden de route in deze voormalige groeve op blote voeten afleggen.

Het pad was ongeveer 2 ½ kilometer lang en we liepen over verschillende soorten ondergrond. Het pad was net geopend en het was nog niet echt druk. We liepen in een hoog tempo en onze ouders waren bang dat we binnen een half uur al weer aan het startpunt zouden staan.

Onze voeten voelden hout, gras, stenen en boomsnippers. We kwamen bij het doolhof en foetelden daar wat om het middelpunt te bereiken. We vonden het super leuk om ons lekker “vuil” te maken. Halverwege beklommen we de 18 meter hoge uitkijktoren.

Na de beklimming was het tijd voor wat eten en drinken. We vervolgden het parcours en kwamen nog vele hindernissen tegen. Zo moesten we door een koude modderplas lopen. Brrr, niet leuk en het water was op sommige plekken redelijk diep dat de kleintjes zelfs gedragen moesten worden. Uiteindelijk vonden we het gevoel van de koude gladde modder aan onze voeten heerlijk en bleven we er in stampen.

We kwamen door een 30 meter lange mollenpijp. Een tunnel die, vanuit het oogpunt van een mol, laat zien hoe het leven onder de grond is. Onze voeten werden al wat schoongespoeld door een koud riviertje. Nadat we het parcours helemaal hadden afgelegd werd het toch nog flink schrobben met een harde afwasborstel om onze voeten een beetje schoon te krijgen.

Op het terras genoten we van een drankje en ijsje. Ronac was wat opstandig en verpestte de goede sfeer een beetje. Gelukkig draaide hij bij en konden we nog een bezoek brengen aan het insectenmuseum. We kwamen veel te weten over de wonderbaarlijke wereld van insecten. Af en toe kregen we licht de kriebels van al die levende krioelende beestjes als kakkerlakken, wandelende takken, vogelspinnen en kevers.

Om de dag goed af te sluiten hebben we ‘s avonds lekker buiten gebarbecued.

 

Centraal Europa: Dag 22; Hongaarse Riviera

Met gemengde gevoelens verlieten we het appartement in Boedapest. We hadden echt nog langer willen blijven. We reden vrij snel het centrum uit en kwamen op de snelweg naar het Balatonmeer. De snelweg reed goed door en het was nog geen uur rijden. We reden in de buurt van het meer nog een klein stukje te ver en moesten weer terug draaien.

We stopten onderweg naar onze eindbestemming even bij het rijkste dorp van Hongarije. Het kleine stadje Tihany ligt op een schiereiland aan de noordzijde van het Balatonmeer. Het schiereiland en het dorp hebben dezelfde naam. We reden het dorp binnen via een mooie, lange, smalle weg tussen de populieren. Als snel werd duidelijk hoe populair het dorp was. Alle natuurlijke betaalde parkeerplaatsen stonden vol en het was echt zoeken naar een plaatsje. Uiteindelijk vonden we er eentje en werd al ons klein geld in de parkeermeter gegooid.

We hadden ongeveer anderhalf uur om het dorpje te bezoeken. We liepen in de richting van het centrum. De witte huisjes met strooien daken, druivenranken en paarse lavendel die overal staat, gaf het een romantische sfeer. Het wordt daarom ook wel de Hongaarse Riviera genoemd. Het schiereiland werd in 1952 tot beschermd natuurgebied verklaard. Het eiland is bedekt met vulkaankegels, rotsen, stranden, naaldbomen en lavendelvelden. We vonden bij restaurant Echo een tafeltje met uitzicht over het Balatonmeer.

In de verte zagen we ook de stad Balatonfüred liggen. Wat een mooie locatie om onze lunch te hebben. Pappa nam pasta, mamma risotto met meerval en wij hadden schnitzel met frietjes. Na het lekkere eten liepen we in de richting van het abdij en de abdijkerk. Het is gebouwd in barokstijl en in de crypte ligt Koning András I begraven. Het was de bedoeling om hier een mausoleum te maken voor Hongaarse koningen maar hij is echter de enige Hongaarse koning die er begraven ligt.

Onze parkeertijd zat er veel te snel op en we moesten helaas terug naar de auto om een boete te voorkomen. We vervolgden onze weg langs het Balatonmeer en gingen op zoek naar een leuke, kleinschalige camping. De camping in Badascony voldeed hier aan en ze hadden nog plaatsen beschikbaar.

Terwijl pappa en mamma de tent opzetten, hadden wij al snel de zandbak gevonden. Vanaf nu zouden we twee dagen helemaal niets hoeven te doen. We gaan onze laatste dagen lekker relaxen aan het Balatonmeer. Eindelijk hadden we de tijd om te zwemmen maar het water in het meer vonden wij aan de koude kant. Tegen de avond voetbalden we met twee Nederlandse jongetjes op het grote grasveld.

We aten in de avond bij de snackbar frietjes, broodje hotdog en een shoarmaschotel. Toen het eenmaal donker was kwamen er vele muggen en moesten we lange kleding aan en ons goed inspuiten met muggenspray. De tent hadden we goed dicht gehouden zodat we rustig konden slapen zonder geprikt te worden door de muggen. In de avond koelde het flink af en je merkt dat het al wat later in het seizoen is. We kropen op tijd in onze warme slaapzakken en genoten van een lange nachtrust.

Centraal Europa: Dag 19; De poesta

Onze reis door Hongarije ging vandaag weer verder. We hadden een rit van iets minder dan 2 uur voor de boeg. Het was voornamelijk een binnendoor weg en daarom ging het allemaal niet zo snel. We wilden in Hortobágy eens niet in de tent slapen en gingen met plattegrond van het VV Informatiekantoor op pad naar diverse mensen die een kamer in hun huis verhuren.

Het zat niet echt mee en alles waar we kwamen zat al vol. Onze laatste poging was in een achteraf straat waarbij we geholpen werden door twee 75+ oude dametjes die geen woord Engels verstaan laat staan spreken. Uiteindelijk werd ons met handen en voeten duidelijk gemaakt dat ook zij geen plek beschikbaar hadden. We reden naar één van de twee campings maar deze bleek volledig afgehuurd te zijn. We begonnen hem een klein beetje te knijpen.

We reden naar de andere camping en gelukkig hadden zij plaats genoeg. We vonden een mooi plekje onder de bomen en wisten de tent weer snel op te zetten. Hortobágy is het ruige herdersland en de bakermat van de goulash. We hadden allen deze middag maar om de poesta van het Hortobágyi Nemzeti Park te bezoeken. Het is het grootste beschermd natuurgebied van Hongarije en het grootste aaneengesloten natuurlijke grasvlakte van Europa. Wij reden naar het dorp Máta waar de belangrijkste paardenfokkerij van Hongarije, Máta Stud, gelegen is.

We kochten kaartjes om per huifkar de poesta te bezoeken, de paardenstallen te zien en de ruiters van de poesta te aanschouwen met hun paarden. We waren wat vroeg en moesten bijna een uur wachten voordat we konden vertrekken. We aten wat chips en bezochten de paardenstallen waar veel sportpaarden en jonge hengsten staan. Voornamelijk worden de paarden gefokt en getraind bij deze stoeterijen om aan concoursen en paardenshows te kunnen deelnemen. De bekendste Hongaarse paardenrassen zijn de Nonius en de Furioso. Het Nonius paard is sterk en gespierd en is geschikt voor aangespannen rijden.

Na bezoek aan de stallen konden we in één van de huifkarren stappen. Het was erg toeristisch en we reden met vijf volle huifkarren achter elkaar aan. Echt prettig zitten was het niet want de huifkar bonkt over een droog pad met kuilen en je wordt daarbij alle kanten op geschud. De poesta, oftewel de grote laagvlakte, is het droogste en zonnigste deel van Hongarije en dat is te zien. Het is een kale grond die bestaat uit mos en zand.

Het Hongaarse woord voor poesta, “puszta” betekent letterlijk leegte en leeg was het. De poesta is nooit dichtbevolkt geweest en de paar dorpjes die er waren, zijn platgebrand tijdens de Turkse overheersing . De poesta wordt wel al duizenden jaren bewoond door herders met hun kuddes en de csikós (ruiters) met hun paarden. Uiteindelijk hebben de rivieren de Donau en de Tisza de poesta veel veranderd. Ook hebben de mensen stukje voor stukje de poesta klaar gemaakt voor landbouw.

We kwamen tijdens de tocht de beroemde Hongaarse grijze runderen tegen die een heerlijk bad namen in de modder. Deze witte koeien met hun lange horens worden gehoed door de gulyás (koeienherders). Ook zagen we de racka-schapen met hun gedraaide horens die gehoed worden door de juhász (schepenherders), de Mangalica varkens (wolvarken) en de langharige Hongaarse herdershond.

We zagen ook drie Hongaarse csikós gekleed in de traditionele blauwe kleding die hun paarden aan het trainen waren. De Hongaren zijn een echt ruitervolk. Ze zijn er trots op want paarden spelen al honderden jaren een belangrijke rol in hun geschiedenis. De Magyaren kwamen van de steppes vanuit het Oeralgebergte over de Karpaten met behulp van hun paarden. In de 15e eeuw gebruikten de Hongaarse huzaren (lichtbewapende ruiters) hun ruiterkracht in strijd tegen de Turkse overheersers. Vooral de moed, snelheid en mobiliteit van de paarden en de ruiters waren bepalend.

De paarden luisterden gehoorzaam naar het klappen van de zweep. Ze waren aan het geluid gewend en schrokken hierdoor niet van de geweerschoten. Een andere manier om de vijand te misleiden, was het laten liggen van de paarden. Vroeger was het van levensbelang dat de huzaren bij het gevaar dat dreigde, één waren met hun paarden. Zo waren ze een minder makkelijk doelwit op de open vlakte en konden ze overleven.

De csikós (ruiters) lieten ons al deze technieken zien. Het vertrouwen tussen mens en het dier is mooi om te zien. Ronac maakte nog een rondje op een echt Noniuspaard maar ik bleef in de huifkar zitten. Op de één of andere manier was ik wat moe vandaag. Na de tocht over de poesta bezochten we in het dorp Hortobágy nog het Pásztor múzeum (herdersmuseum ) en een expositie over de zeldzame zilverreigers en andere vogels die in deze regio voorkomen. Om 18:00 uur dienden we de expositie te verlaten omdat het museum ging sluiten.

We zochten een restaurant om te eten en kwamen terecht bij Hortobágyi Csárda. Het gebouw stamt uit 1699 en was vroeger een herberg waar ruiters en hun paarden even konden bijkomen tijdens hun tocht. Je kon hier een typische poesta-maaltijd bestellen. Pappa bestelde een goulash van rund, mamma nam er eentje met schapenvlees, Ronac een ragout met champignons en ik nam een schotel met spek en aardappel. Het eten was voortreffelijk.

In de avond liepen we naar het bekendste bouwwerk van het dorp: de Brug met de negen Gaten. De 92 meter lange brug zou de grootste stenen brug van Hongarije zijn. Helaas zijn we een week te vroeg hier want volgende week wordt bij de brug de jaarlijkse grote veemarkt gehouden en zijn er ruiterfeesten. We zagen nog een prachtige zonsondergang en liepen in het donker terug naar de camping. We gingen ons snel even douchen want we zaten vol met stof van de poesta en gingen daarna naar bed.