Het terracottaleger

Vanmorgen werd mamma gebeld met de vraag of het klopte dat Quincy met ons mee mocht naar het museum in Luik. Stiekem had ik gisteravond met Quincy afgesproken. Nu wilde zij graag met ons mee. Het mocht van pappa en mamma en zo vertrokken wij rond 12:00 uur naar Luik.

Het prachtige station “Liège Guillemins”

We zouden een expositie van het Chinese terracottaleger bezoeken. Helaas hadden we dit jaren geleden tijdens onze vakantie in China niet gedaan. Een leuke gelegenheid om het nu te doen. Het museum is gelegen in het treinstation Liège Guillemins. Luik werd lange tijd gezien als sombere en vieze industriestad maar de afgelopen jaren heeft de stad een metamorfose ondergaan. Er is van alles gedaan om de stad aantrekkelijker te maken. We parkeerden vlakbij het station in een straatje en hoefden geen parkeergeld te betalen omdat het een feestdag was.

Het station is modern en architectonisch zeer bijzonder. Het is er ook bijzonder druk met fotografen en architectuurliefhebbers. Het gebouw is ontworpen door Santiago Calatrava, een Spaanse architect. Het is opvallend hoeveel glas er is gebruik en we waren best onder de indruk.

Ondanks dat Luik net over de grens bij Nederland ligt, wordt er geen woord Nederlands gesproken en staat alles in het Frans aangegeven. We waren verbaasd toen het meisje achter de ticketbalie van de tentoonstelling ons in het Nederlands aansprak. We betaalden de entree en ontvingen twee Nederlandstalige audiotours.

De introductiefilm was met een voice-over in het Frans en in het Engels ondertiteld. Met een beetje vertaling van pappa en mamma wisten wij het meeste dat er verteld werd toch te begrijpen. We keerden tijdens de tentoonstelling ongeveer 2200 jaar terug in tijd naar de eerste keizer van China. Keizer Qin Shi Huangdi wilde na zijn aantreden een grafmonument oprichten. Het monument en het leger bevindt zich tussen de berg Li en de stad Xi’an.

Op een maquette konden we zien hoe het monument er destijds uit moet hebben gezien.  Aan de bouw hebben meer dan 700.000 arbeiders waaronder vele slaven gewerkt. De grafheuvel was en begroeid met gras en bomen en werd omringd door dikke muren. Binnen deze muren stonden ooit ook tempels, zalen en bestuurlijke gebouwen. Op het terrein bevonden zich ook meerdere putten met grafgeschenken. Zo werden er onder andere 8000 levensgrote terracotta beelden gemaakt van krijgers en paarden om de keizer in het hiernamaals te beschermen.

Qin Shi Huangdi geloofde er in dat het graf zijn paleis voor de eeuwigheid was en dat het leven onder de grond een vervolg was van zijn leven op de aarde.  In 1974 werd het Chinese terracottaleger ontdekt door boeren die een put aan het graven waren. Het werd de grootste archeologische vondst van de 20ste eeuw. Het terracottaleger bestond uit soldaten, kruisboogschutters, ruiters met strijdwagens en paarden. Het leger was klaar voor de strijd. Er werd gebruik gemaakt van echte wapens en ze waren geschilderd in heldere kleuren.


Tenslotte keerden we nog één keertje terug bij de Chinese muur

Veel wapens werden geroofd en de kleuren vervaagden door blootstelling aan de buitenlucht. De beelden zin van binnen hol en in delen gemaakt. Ze werden gemaakt door rijksarbeiders en lokale werklui. De figuren zijn op ware grootte gebouwd. Er wordt gezegd dat alle terracottakrijgers gebaseerd zijn op echte mensen.  Ieder gezicht heeft verschillende eigenschappen en expressies.

Sommige figuren staan en weer andere zitten geknield, klaar voor de strijd. Sommige figuren dragen een harnas terwijl anderen gekleed zijn in een uniform. De figuren die we in Luik zagen waren echter niet de originele beelden maar wel erg getrouwe kopieën. De originele zijn te fragiel om te transporteren. Wij vonden het allemaal zeer interessant om te zien. Na de tentoonstelling liepen we nog wat door het station en liepen we naar het centrum van Luik. We kwamen door een mooi groen park met fitnesstoestellen en prachtige beelden.


Na het park liepen we de wijk ‘La Carré’ binnen. In deze wijk zijn een groot aantal winkelstraten te vinden en zijn er veel cafés en restaurants. Veel winkels en restaurants waren gesloten vanwege tweede paasdag. In het historische centrum kwamen we ook langs de Koninklijke Waalse Opera. Het operagebouw is in het begin van de negentiende eeuw gebouwd op de plaats waar een oud Dominicanenklooster stond.


Het Prins Bischoppelijk paleis van Luik.

Het volgende mooie gebouw dat we zagen was het prins bisschoppelijk paleis van Luik aan het Place Saint Lambert. Het paleis van Luik is zonder twijfel het mooiste oude gebouw in de stad.  Het paleis werd oorspronkelijk geheel in de gotisch renaissancistische stijl gebouwd. De voorgevel is echter in de achttiende eeuw vervangen door een gevel in de neoclassicistische stijl.

Tegenwoordig is het Paleis van Justitie en het provinciebestuur hier gevestigd. Het Place Saint-Lambert is één van de grootste en belangrijkste pleinen van Luik. Het plein is aan het einde van de achttiende eeuw ontstaan nadat de Sint-Lambertuskathedraal gesloopt werd. Het plein ligt hoger dan de andere delen van het historische centrum en de trappen rond het plein zaten vol met jongeren. Onze zoektocht naar een echte Luikse wafel mislukte. De Gaufre de Liège is de bekendste lekkernij uit Luik en is nog bij enkele patisserieën in het centrum te vinden. Helaas waren deze vandaag allemaal gesloten. We reden tegen de klok van vijf uur weer terug naar Maastricht voldaan na een leuke leerzame dag.

Centraal Europa: Dag 18; Ridders van Egri Vár

In de ochtend reden we met de auto naar één van de mooiste delen van het Bükkgebergte. Nabij het dorp Szilásvárad zo’n 30 kilometer noordelijk van Eger ligt het Szalajkadal. Het dorp is het centrum van de prachtige witte Lippizaner paarden In Hongarije. Wij bezochten het dorp niet maar reden naar een parkeerplaats aan het begin van het dal.


Wij liepen naar het treinstation en kochten een kaartje voor een tocht met het treintje dat ons een stuk naar boven bracht. In de zomer rijdt het treintje t met enige regelmaat heen-en-weer over de 5 kilometer lange smalspoorlijn. We hoefden niet lang te wachten. Bij het laatste station stapten wij uit en begonnen we aan de wandeling naar de oermensengrot van Istállóskõ dat boven aan het Szalajkadal ligt. Het was een pittige klim over een smal, glibberig pad. De grot ligt bovenaan de hoogste berg van het Bükkgebergte op zo’n 959 meter hoogte.


Genieten van de prachtige groene omgeving.

Archeologen vonden in de grot onder andere resten van twee bewonersgemeenschappen. Zij vonden onderdak in de grot zo’n, 44.000 jaar geleden en 30.900 jaar geleden. Het waren voornamelijk jagers die waren gespecialiseerd in de jacht op de holenbeer, oer bizon en mammoet. Er werden pijlpunten, , beenderen en een fluit met drie gaatjes vervaardigd uit een stuk bot van een holenbeer gevonden. Wat dieper in de grot vonden ze ook een stookplaats. Er was ook een lugubere vondst. Archeologen groeven het gebeente op van maar liefst 27 personen die er het slachtoffer van kannibalisme waren geworden.


de oermensengrot van Istállóskõ

We liepen wat door de grot en begonnen aan de terugweg naar beneden. De natuur is hier schitterend. We volgden het dal en kwamen langs verschillende meren die gevuld worden door een klein beekje. De beek wordt weer gevoed door verschillende bronnen. Op weg naar beneden heeft de beek verschillende watervallen gevormd. De bekendste is de zeventien meter hoge Fáytol trappenwaterval. De waterval stroomt trapsgewijs naar beneden en is ontstaan door kalkafzetting. Ieder jaar is de waterval weer een beetje anders, omdat de bekkens waar het water in blijft staan, aangroeien en veranderen.


De Fáytol trappenwaterval

In dit bos lagen ook nog verschillende oude kweekvijvers voor de viskwekerij. We zagen de vierkante bassins direct langs het pad liggen en deze worden nog altijd gebruikt. De Szalajka-forellen (pisztrang) zwemmen in de bassins lekker hun rondjes. We kwamen nog langs een hertenkamp en voor we het wisten waren we alweer terug bij de parkeerplaats. We aten een broodje in de auto en reden terug naar de camping om de auto achter te laten.

We hielden even een “zen” moment en vertrokken daarna voor alle festiviteiten naar het centrum van Eger. Voordat we naar de burcht gingen aten we iets bij één van de gezellige restaurantjes. Wij namen pasta en pappa en mamma hadden halušky met stoofschotel. Na de lunch liepen we naar de burcht. Het gebied rondom Eger is al bewoond sinds de steentijd. In de 11e eeuw werd het pas echt belangrijk toen koning István er een bisschopszetel stichtte. De restanten van het bisschoppelijk paleis liggen binnen de muren van de burcht (Egri Vár). Toch is de burcht het meest bekend om “het beleg van Eger”.

Tijdens de oorlog tegen de Turken vielen in 1522 veel burchten zonder verzet in Turkse handen. In 1552 werd de stad door een grote Turkse legermacht omsingeld. De Hongaren (2000 soldaten met hulp van hun vrouwen en kinderen) hielden 40 dagen stand tegen de Turkse aanval. Onder leiding van István Dobó vochten de verdedigers van de burcht succesvol tegen een overmacht van 100.000 Ottomaanse soldaten. Doordat de verdedigers telkens van bastion verwisselden kregen de Turken het idee tegenover een veel grotere verdedigingsmacht te staan.


De belegering van Eger

Dappere vrouwen en kinderen hielpen de Hongaarse soldaten mee en goten vanaf de kasteelmuren kokend water en teer op de Turkse belegeraars. De naam van de bekendste wijn van Hongarije, Egri Bikavér (“stierenbloed”) komt voort uit twee legendes rond deze overwinning. De Hongaarse verdedigers kregen hulp van de legendarische “strijdende vrouwen van Eger”. Volgens de legende mengden zij stierenbloed door de wijn, waardoor de kracht en de strijdlust van de verdedigers toenam. Een ander verhaal dat verteld wordt is dat kasteelcommandant István Dobó tijdens de strijd tegen de Turken zijn oververmoeide en verzwakte manschappen wijn te drinken gaf. De wijn pepte de Hongaren op, en zo verschenen ze, half dronken, op de kantelen van de burcht.

De belegeraars zagen het rode vocht van de Hongaarse snorren en baarden druipen en dachten dat de Hongaren stierenbloed hadden gedronken. Met het kromzwaard tussen de benen sloegen de Turken op de vlucht. Iemand die het bloed van een stier gedronken had was immers onoverwinnelijk.” In 1596 keerden ze echter terug en toen lukte het hen wel de burcht te veroveren.


Martelmuseum in het kasteel.

In de burcht werden onder andere verhalen nagespeeld van het beleg. Er waren Hongaarse krijgers, Turkse krijgers, vaandeldragers, ambachtslieden en marktkoopmannen te zien. We liepen lange tijd rond en amuseerden ons super. Bij een van de marktkramen kochten wij een ridder outfit. Zwaard en helm. We konden zo mee doen in het thema, haha.


Onze twee strijders hielden ook een aantal heroïsche gevechten in het kasteel.

We bezochten ook nog de onderaardse gangen waar een tentoonstelling was met allerlei martelwerktuigen. Een beetje luguber allemaal. Toen het wat donker werd dronken we wat op het binnenplaats en oefenden onze riddermoves op het plein. In het donker liepen we terug naar de camping. We dachten een stukje af te snijden door een andere weg te nemen maar dit pakte net verkeerd uit. We liepen uiteindelijk een stuk om maar voor ons als ridder was dat geen probleem. Moe van alle gevechten en indrukken, vielen wij al snel in slaap.