Centraal Europa: Dag 19; De poesta

Onze reis door Hongarije ging vandaag weer verder. We hadden een rit van iets minder dan 2 uur voor de boeg. Het was voornamelijk een binnendoor weg en daarom ging het allemaal niet zo snel. We wilden in Hortobágy eens niet in de tent slapen en gingen met plattegrond van het VV Informatiekantoor op pad naar diverse mensen die een kamer in hun huis verhuren.

Het zat niet echt mee en alles waar we kwamen zat al vol. Onze laatste poging was in een achteraf straat waarbij we geholpen werden door twee 75+ oude dametjes die geen woord Engels verstaan laat staan spreken. Uiteindelijk werd ons met handen en voeten duidelijk gemaakt dat ook zij geen plek beschikbaar hadden. We reden naar één van de twee campings maar deze bleek volledig afgehuurd te zijn. We begonnen hem een klein beetje te knijpen.

We reden naar de andere camping en gelukkig hadden zij plaats genoeg. We vonden een mooi plekje onder de bomen en wisten de tent weer snel op te zetten. Hortobágy is het ruige herdersland en de bakermat van de goulash. We hadden allen deze middag maar om de poesta van het Hortobágyi Nemzeti Park te bezoeken. Het is het grootste beschermd natuurgebied van Hongarije en het grootste aaneengesloten natuurlijke grasvlakte van Europa. Wij reden naar het dorp Máta waar de belangrijkste paardenfokkerij van Hongarije, Máta Stud, gelegen is.

We kochten kaartjes om per huifkar de poesta te bezoeken, de paardenstallen te zien en de ruiters van de poesta te aanschouwen met hun paarden. We waren wat vroeg en moesten bijna een uur wachten voordat we konden vertrekken. We aten wat chips en bezochten de paardenstallen waar veel sportpaarden en jonge hengsten staan. Voornamelijk worden de paarden gefokt en getraind bij deze stoeterijen om aan concoursen en paardenshows te kunnen deelnemen. De bekendste Hongaarse paardenrassen zijn de Nonius en de Furioso. Het Nonius paard is sterk en gespierd en is geschikt voor aangespannen rijden.

Na bezoek aan de stallen konden we in één van de huifkarren stappen. Het was erg toeristisch en we reden met vijf volle huifkarren achter elkaar aan. Echt prettig zitten was het niet want de huifkar bonkt over een droog pad met kuilen en je wordt daarbij alle kanten op geschud. De poesta, oftewel de grote laagvlakte, is het droogste en zonnigste deel van Hongarije en dat is te zien. Het is een kale grond die bestaat uit mos en zand.

Het Hongaarse woord voor poesta, “puszta” betekent letterlijk leegte en leeg was het. De poesta is nooit dichtbevolkt geweest en de paar dorpjes die er waren, zijn platgebrand tijdens de Turkse overheersing . De poesta wordt wel al duizenden jaren bewoond door herders met hun kuddes en de csikós (ruiters) met hun paarden. Uiteindelijk hebben de rivieren de Donau en de Tisza de poesta veel veranderd. Ook hebben de mensen stukje voor stukje de poesta klaar gemaakt voor landbouw.

We kwamen tijdens de tocht de beroemde Hongaarse grijze runderen tegen die een heerlijk bad namen in de modder. Deze witte koeien met hun lange horens worden gehoed door de gulyás (koeienherders). Ook zagen we de racka-schapen met hun gedraaide horens die gehoed worden door de juhász (schepenherders), de Mangalica varkens (wolvarken) en de langharige Hongaarse herdershond.

We zagen ook drie Hongaarse csikós gekleed in de traditionele blauwe kleding die hun paarden aan het trainen waren. De Hongaren zijn een echt ruitervolk. Ze zijn er trots op want paarden spelen al honderden jaren een belangrijke rol in hun geschiedenis. De Magyaren kwamen van de steppes vanuit het Oeralgebergte over de Karpaten met behulp van hun paarden. In de 15e eeuw gebruikten de Hongaarse huzaren (lichtbewapende ruiters) hun ruiterkracht in strijd tegen de Turkse overheersers. Vooral de moed, snelheid en mobiliteit van de paarden en de ruiters waren bepalend.

De paarden luisterden gehoorzaam naar het klappen van de zweep. Ze waren aan het geluid gewend en schrokken hierdoor niet van de geweerschoten. Een andere manier om de vijand te misleiden, was het laten liggen van de paarden. Vroeger was het van levensbelang dat de huzaren bij het gevaar dat dreigde, één waren met hun paarden. Zo waren ze een minder makkelijk doelwit op de open vlakte en konden ze overleven.

De csikós (ruiters) lieten ons al deze technieken zien. Het vertrouwen tussen mens en het dier is mooi om te zien. Ronac maakte nog een rondje op een echt Noniuspaard maar ik bleef in de huifkar zitten. Op de één of andere manier was ik wat moe vandaag. Na de tocht over de poesta bezochten we in het dorp Hortobágy nog het Pásztor múzeum (herdersmuseum ) en een expositie over de zeldzame zilverreigers en andere vogels die in deze regio voorkomen. Om 18:00 uur dienden we de expositie te verlaten omdat het museum ging sluiten.

We zochten een restaurant om te eten en kwamen terecht bij Hortobágyi Csárda. Het gebouw stamt uit 1699 en was vroeger een herberg waar ruiters en hun paarden even konden bijkomen tijdens hun tocht. Je kon hier een typische poesta-maaltijd bestellen. Pappa bestelde een goulash van rund, mamma nam er eentje met schapenvlees, Ronac een ragout met champignons en ik nam een schotel met spek en aardappel. Het eten was voortreffelijk.

In de avond liepen we naar het bekendste bouwwerk van het dorp: de Brug met de negen Gaten. De 92 meter lange brug zou de grootste stenen brug van Hongarije zijn. Helaas zijn we een week te vroeg hier want volgende week wordt bij de brug de jaarlijkse grote veemarkt gehouden en zijn er ruiterfeesten. We zagen nog een prachtige zonsondergang en liepen in het donker terug naar de camping. We gingen ons snel even douchen want we zaten vol met stof van de poesta en gingen daarna naar bed.

Monkey Forest

Onze dag begonnen we met een lekker ontbijtje. We vertrokken rond de klok van 10:00 uur naar het Sacred Monkey Forest (apenwoud). Het ligt ten zuiden van de Jalan Monkey Forest en op ongeveer 300 meter van onze accommodatie. Het is één van de bekendste trekpleisters van Ubud. Tussen het dichtbegroeide regenwoud vol met beekjes en tempels, leeft een kolonie van Java-apen (makaken).


Het oude hindoeïstische tempelcomplex werd vermoedelijk halverwege de 14e eeuw gebouwd. Helaas zijn in de loop der tijd veel tempels vervallen en sommige van de huidige bouwwerken zijn zelfs replica’s. Het grootste bouwwerk, de Dalem Agung Temple, is de voornaamste tempel en wordt nog gebruikt voor dagelijkse rituelen. We kwamen er al snel achter dat de apen brutaal waren en totaal niet schuw. Terwijl Ronac even zat uit te rusten kwam zijn evenbeeld naast hem zitten. Maar wat deed die ondeugende makaak? Heel stiekem stak hij zijn hand
in Ronac zijn broekzak opzoek naar eten.


Ronac met zijn nieuwe vriendje.
Het zouden goede zakkenrollers kunnen zijn die makaken, haha. Dezelfde makaak had het even later op mamma gemunt en liet haar jurk niet meer los. Af en toe bleven we staan om foto’s te maken van de apen want wat ze zien er toch schattig uit. Eén makaak klom bij pappa op zijn hoofd en toen wij later enkele bananen kochten om ze te voeren, had ik er ook eentje op mijn hoofd zitten. Natuurlijk moeten wij ons afvragen of dit wel goed is voor de apen in het apenbos. Een aantal hadden flinke dikke buikjes van alle banaantjes die ze de hele dag door op een bordje gepresenteerd krijgen.


Zouden apen ook obese kunnen zijn net zoals mensen? Na een paar uur dwalen door het regenwoud en langs de tempels verlieten we het bos en liepen we het centrum van Ubud in. We liepen over de Jalan Raya Ubud, de hoofdstraat met veel kunstwinkels, cafés en restaurants. Ubud is van oorsprong een kunstenaarsdorp en je vind hier veel mooi houtsnijwerk en de Balinese schilderkunst bij de plaatselijke kunstgalerijen. Bij een winkeltje kochten wij onze souvenirs. Pappa en mamma twee wajangpoppen, Ronac een platte wajangpop en ik kocht een echte pijlenschieter. We hadden onze lunch bij Warung biahbiah en bestelden diverse kleine gerechtjes. Een soort Aziatische tapas die we ons goed lieten smaken.


In de middag werd er lekker gezwommen en verzamelden we bloemen die we bij de Hindoeïstische beelden in ons complex neerlegden. In de avond zijn we gaan eten bij het restaurant van Sagittarius Inn. Het was er totaal niet druk maar het eten smaakte goed. In de avond werden de spullen gepakt want morgen vertrekken we uit Ubud om de laatste dagen van onze vakantie aan het strand doorbrengen.

Komodo National Park


Ergens rond de klok van 5:00 uur werden we in onze slaap even gewekt door de zingende klanken van de muezzin, de persoon die de moslims oproept tot gebed. Gelukkig vielen we daarna nog even in slaap om rond 7:30 uur wakker te worden en op te staan. We pakten onze spullen en genoten nog even snel van een lekker ontbijtbuffet met pannenkoeken, mie goreng en nasi putih. Op de afgesproken tijd (08:30 uur) stonden we bij het kantoor van de rederij. Er waren sinds gisteravond nog acht extra mensen bij gekomen en zo kwam het aantal passagiers aan boord in totaal op veertien. We moesten lopend naar de haven en de straat langs de haven is een combinatie van traditionele havenbedrijvigheid, souvenir shops, duikscholen, restaurants en kleine hotelletjes. In de haven moesten we wat hindernissen overbruggen om bij de boot te komen.


Het werd klimmen en klauteren over de relingen van de schepen. Op de boot maakten we kennis met de hele groep. Twee Duitsers (Berndt en Franziska), twee Noord Italianen, twee Fransen (broer en zus), een Engelsman, een Amerikaans/Japans koppel en een Indonesisch meisje. Een gevarieerd gezelschap dus. Het personeel aan boord bestond uit een man of acht. We lieten de haven al snel achter ons en gingen over de Flores zee op weg naar het Komodo National Park. Het was een paar uur varen en in de tussentijd werd aan boord de lunch bereidt en verorberd. Lekkere nasi putih met gado gado en kroepoek. Als toetje was er vers fruit van watermeloen en ananas. De maaltijden, water, koffie en thee aan boord zijn inclusief. In de zeestraat tussen de eilanden Sumbawa en Flores liggen Pulau Komodo en Pulau Rinca. Op deze eilanden leeft de Komodovaraan. Het is een hagedis uit de familie die ze ook wel varanen noemen. Het is de grootste varaan/hagedis ter wereld en één van de oudste nog levende diersoorten die 60 miljoen jaar geleden leefde.

De lokale bevolking noemt de varaan “ora” wat ‘mond’ betekent. Andere namen zijn biawak raksasa (reuzenvaraan) en buaja darat wat landkrokodil betekent. We bezochten als eerste Pulau Rinca. Met een klein bootje werden we van de grote boot naar het eiland gebracht. Op de steiger stond een bord dat waarschuwde voor krokodillen in het water maar wij zagen alleen heel veel vissen in het heldere water. We moesten een klein stukje lopen naar het hoofdkwartier van het park om ons te laten registreren. Hier werden we door een in onze ogen “belangrijke” man welkom geheten. We moesten hier ook betalen, onder andere de entree voor het park, toeslag voor de fotocamera en de gids tijdens de wandeling over het eiland. We liepen naar buiten en kregen een ranger toegewezen die ons zou begeleiden tijdens de wandeling. Je mag niet alleen rondlopen in het park. Je moet altijd onder begeleiding van een ranger die een grote stok met een V-vormig einde heeft. Hiermee kan hij de varanen op afstand houden als het nodig is. We konden kiezen uit een aantal “hikes” en namen de “medium trek” van ongeveer anderhalf uur lopen.

We liepen het kamp een klein stukje uit en zagen, net voorbij het hoofdkwartier bij de gaarkeuken, al een aantal komodovaranen in de zon liggen om op te warmen. Ondanks dat de varanen niet gevoerd worden, komen ze toch op de geur van het eten af. De komodovaraan werd pas on 1910 ontdekt en bestudeerd door biologen. Vanwege het kleine gebeid waar de komodovaraan voorkomt is het een kwetsbare diersoort en is het afhankelijk van bescherming. Het zijn enorme beesten, die tot wel drie meter groot kunnen worden. We liepen het bos in op zoek naar een andere varaan. Al snel had onze ranger er eentje gespot in de begroeiing langs het pad. De varaan stond net op en liep een stuk voor ons uit langs de bosrand. Met de grote varaan nog in onze ooghoeken, zagen we aan de andere kant een kleine jonge varaan van ongeveer één jaar oud lopen. Even dachten we dat de grote varaan achter de kleine varaan aan zou gaan, het zijn namelijk echte kannibalen, maar ze kruisten elkaar op een aantal meter en gingen ieder hun eigen weg. Na een tijdje lopen verlieten we de beschutting van het bos en kwamen we in een open gebied met grasachtige begroeiing.


Het was in de zon echt bloedheet en dat maakte de wandeling minder aangenaam. Het zweet parelde op ons lichaam en liep in straaltjes naar beneden. We zagen nog een kolonie langstaartmakaak apen, wilde zwijntjes, Javaanse hertjes en een bijennest. Onze wandeling eindigde bij het park hoofdkwartier en daar vandaan liepen we terug naar de steiger voor de boten. We gingen aan boord en vervolgden de tocht naar het volgende eiland, pulau Komodo. Als je alle eilanden vanaf bovenaf ziet liggen, lijken ze dicht bij elkaar te liggen. Het lijkt zo want in de praktijk valt dat wel tegen. Het was nog een aardig stukje varen. Ondertussen was het later op de middag geworden (16:00 uur)  en de meeste toeristen hadden Pulau Komodo al bezocht en waren weer vertrokken. Onze groep was samen met een andere groep nog de enige die op zoek gingen naar de komodovaranen. We kregen een ervaren gids/ranger toegewezen en drie helpers gewapend met V-stok. Wij mochten hier zelf ook een stok in de hand nemen om de varanen op afstand te houden. Ronac had direct een “click” met de gids en liep al snel hand in hand met hem voorop.


We waren net vertrokken toen we al een varaan zagen liggen in het gras. Het was een van de oudere varanen van het park. We konden hem goed bekijken. We zagen een langwerpig lichaam en een lange staart. Ze kunnen tot wel drie meter lang worden en een volwassen mannetje kan wel 150 kilo wegen. Een mannetje is beduidend groter dan het vrouwtje maar omdat jongere en oudere varanen samen leven is het in de praktijk moeilijk te onderscheiden. Hij heeft vier gebogen poten en een brede en platte kop. Aan de poten zitten lange platte, gekromde mesachtige nagels. De huid van de varaan is bedekt met schubben die ongeveer zo dik zijn als je nagel. In de bek van de varaan zitten ongeveer een 60-tal tanden waardoor ze als een zaag makkelijk door het vlees van hun prooi kunnen snijden en er stukken af kunnen scheuren. De komodovaraan is een echte vleeseter en hij eet naast levende prooien ook wel aas (dode dieren). Met behulp van zijn oren, ogen en vooral zijn tong zoekt hij een mogelijke prooi. De varaan zal proberen om zijn prooi direct te doden maar dit lukt niet altijd. Een prooi bezwijkt echter snel door de (giftige) beet van de varaan die kan leiden tot bloedvergiftiging. Door zijn gespleten tong, kan een varaan bij een gunstige wind, een rottend karkas op een afstand van meer dan acht kilometer opsporen. De stok in onze handen voelt ineens als een wat klein wapen tegen deze bijna drie meter lange ‘draak’, zoals ontdekkingsreizigers het zeldzame dier vroeger beschreven.


Wij liepen rustig verder met Ronac en de gids voorop. Het duurde niet lang of een varaan kruiste ons op het pad. Hij/zij besloot om het pad te volgen en liep voor ons uit. Wij volgden op gepaste afstand. Ronac en de gids als eerste. Ronac voelde zich natuurlijk wel heel erg cool om zo dicht achter de varaan te lopen. Het imposante van de varanen is dat ze zich bij het lopen helemaal oprichten. Ze zien er bij het lopen direct veel dreigender en enger uit. Ze waggelen van links naar rechts, en kunnen een behoorlijke snelheid ontwikkelen. De varaan ging uiteindelijk het pad af en verdween rustig in de struiken. We hadden erg veel geluk want niet veel later zat er weer eentje midden op onze trail. Deze wilde echter niet van het pad afwijken en wij moesten daarvoor zelf uitwijken naar de struiken. Ronac en de gids gingen voorop. Toen mamma ging, hoorde de varaan takken kraken en hij keek haar een lange tijd aan. Gelukkig bleef ze muisstil staan. Eén van de helpers moest uiteindelijk voor afleiding zorgen zodat de hele groep de varaan veilig kon passeren. Wow, het was wel een spannende ervaring.

Echt heel gaaf om deze imposante beesten van dichtbij mee te maken in hun eigen leefomgeving. We wandelden verder en kwamen bij een hoger gelegen gebied en daar vandaan hadden we ook weer een mooi uitzicht over de omgeving. Weer terug bij het kamp, kochten we van één van de helpers, twee kleine beeldjes van een varaan. Het begon al schemerig te worden toen we Pulau Komodo verlieten. We zouden richting Pulau Kalong varen om daar voor anker te gaan en de nacht door te brengen. Op dit eiland hangen ook duizenden vliegende honden in bomen die uitvliegen tegen de schemering.


We kwamen er pas bij donker aan en er waren geen vliegende honden meer te zien.We kregen een lekker diner voorgeschoteld en daarna mochten we nog even op de tablet een spelletje doen en een filmpje kijken. Omdat we met veel minder mensen aan boord waren dan de berekende capaciteit, konden we kiezen waar we wilden slapen. Je kon ook boven op dek slapen dan heb je natuurlijke airco. Wij sliepen de eerste nacht beneden onder het dek. In het begin bleek het beneden toch wel erg warm te zijn en de dieseldampen zijn ook niet echt lekker. Ik zou er niet aan moeten denken dat je hier met 16 of meer personen slaapt! In de loop van de nacht koelde het echter flink af en hadden we niet genoeg aan alleen de dunne deken. Onze lange broek en fleece vest bood uiteindelijk genoeg warmte om lekker te kunnen slapen.

Dag 22; Naar Colombo

Onze laatste dag reisden we via de zuid- en westkust terug naar de hoofdstad Colombo. Onderweg kwamen langs plaatsen waar het nog steeds zichtbaar was welke schade de tsunami had aangericht in 2004. De tsunami, veroorzaakt door een zeebeving, ontstond in de buurt van Indonesië en verplaatste zich over de hele Indische oceaan. De vloedgolf overspoelde o.a. de kust van India, Thailand. Somalië en Sri Lanka. De golven werden groter naar mate ze aan de kust aanspoelden en sleurden werkelijk alles met zich mee. Het maakte veel slachtoffers en liet een grote ravage achter. We zagen kale plaatsen waar vroeger huizen hadden gestaan en waar nooit iets herbouwd is. Ik kan me niet goed voorstellen hoe het geweest moet zijn maar verschrikkelijk is het wel. We stopten bij een monument om de slachtoffers van de tsunami te herdenken.


monument ter nagedachtenis aan de Tsunami van 2004.

Onze volgende stop maakten we aan de zuidkust bij het plaatsje Kosgoda. Deze kleine badplaats staat vooral bekend vanwege de zeeschildpaddenopvang. De stranden zijn een favoriete broedplaats voor zeeschildpadden. Vanwege het uitsterven van de zeeschildpadden worden de gelegde eieren verplaatst naar de opvang waar de gevonden eieren worden uitgebroed. De overlevingskans wordt op deze manier groteren de populatie beschermd. Van de zeven soorten zeeschildpadden in de wereld, worden hier vijf soorten beschermd: de soepschildpad (of groene zeeschildpad), de karetschildpad, de onechte karetschildpad, de warana en de lederschildpad. Tijdens de rondleiding kregen wij de ronde eieren in onze handen en later ook schildpadjes van één dag oud, zo schattig. Ik was er helemaal verliefd op en wilde iedere keer een andere oppakken en vast houden. Wanneer de schildpadden gezond zijn worden ze na een aantal dagen vrijgelaten in de zee.

Helaas zagen we ook een aantal volwassen schildpadden die niet terug konden naar de zee vanwege verwondingen. Zo zagen we een paar schildpadden die een voor- of achtervin misten door een ongeluk met een schroef van een boot. Ook waren er albino schildpadden die te veel opvallen in de open zee en een blinde schildpad. Ik vond het interessant om er van te leren en de dieren te zien.


Op de schildpaddenkwekerij.

 
We vervolgden onze weg langs de westkust en zagen daar vele kokospalmen. De kokospalmen groeien het liefst aan zee. De palm heeft een lange, grijze stam die wel 30 meter hoog kan worden. In de top ontstaan de bladeren en de vruchten, de kokosnoten. In veel tropische landen is de kokospalm van groot belang. Men kan alles van de boom gebruiken. Zo kun je er bijvoorbeeld van eten en drinken en allerlei voorwerpen van maken. Wij zagen een man die in de kokospalm geklommen was om daar kokosnoten te plukken. De man bewoog zich behendig met zijn kapmes door de boomtoppen van de palmen. Knap maar levensgevaarlijk!


Een echte palmbomenklimmer, wat een acrobaten zeg!

Hoe dichter we in de buurt van Colombo kwamen hoe drukker het op de weg werd. In de voorsteden kwamen we meteen in de file te staan en het schoot niet echt op. Een flinke regenbui zorgde er ook nog eens voor dat de straten blank kwamen te staan. We hadden onze lunch bij een Chinees restaurant die een goede kwaliteit eten op tafel zetten. Het was smikkelen en smullen. We maakten een kleine stadstour door Colombo. De oorsprong van de stad begon in de 16de eeuw toen de Portugezen aanmeerden en zich op deze plaats vestigden. Later volgden de Nederlanders en de Engelsen en groeide Colombo uit tot een belangrijke havenstad. In de stad stond alles door elkaar heen. We zagen mooie koloniale gebouwen met daarnaast weer moderne kantoorgebouwen. Tempels staan naast moskeeën. Ik vond het geen mooie stad om te zien maar de tegenstellingen zijn zeer bijzonder. We stopten bij het onafhankelijksplein en zagen daar het monument ter nagedachtenis aan de onafhankelijkheid van Sri Lanka in 1948. Bij het monument stond het standbeeld van de eerste minister president van Sri Lanka.

We reden langs het Galle Face Green, een promenade die werd aangelegd om paardenraces en golf te spelen. Het wordt nu gebruikt als park om te ontspannen voor dagjes mensen. We reden door het gebied Colombo Fort waar vroeger het Nederlands en Brits fort stond. Nu is dit district het financiële district en vind je er tussen de historische gebouwen veel banken. We zagen de oude vuurtoren ent het oudste gebouw in Colombo: het Nederlands ziekenhuis (Old Colombo Dutch Hospital). Via het havengebied van Colombo reden we de stad langzaam uit. Het verkeer was erg chaotisch en rommelig.

We stonden tussen volgepropte bussen, pruttelende vrachtwagens, fietsers, trishaws (fietstaxi) en tuk-tuks. We hadden een paar keer een bijna botsing maar Nana had al bewezen een goede chauffeur te zijn en wist iedere keer weer een aanrijding te voorkomen. Ons laatste hotel lag in de plaats Katunayake op ongeveer 7 kilometer van het vliegveld. Het Tamarind Tree Hotel bestond uit 36 luxe bungalows in een mooie groene omgeving. Wij kregen een mooie, ruime bungalow in de buurt van het zwembad. We namen nog even een duikje tot het donker werd en we aangevallen werden door de muggen. Het avondeten bleek bij dit hotel niet inclusief te zijn en daarom wilden we a la carte eten. De ober probeerde ons het buffet op te dringen maar uiteindelijk kregen we toch de menukaart. We bestelden allemaal een pasta die goed smaakte. Voor de laatste keer deze vakantie pakten we onze spullen in. Morgen gaan we dit prachtige land verlaten om terug te gaan naar Nederland.


En nog één keertje zwemmen voordat we weer naar huis gaan.

Dag 19; Verering van Ganesha

Op ongeveer 20 kilometer afstand van Tissamaharana ligt het dorp Kataragama. Voor de Hindoes de heiligste plaats in Sri Lanka. Maar ook voor de Boeddhisten en Moslims is het een religieuze pelgrimsplaats. Wij wilden deze speciale plek bezoeken en reden hier vanmorgen als eerste naar toe. We parkeerden bij het centrale plein waar veel kraampjes waren die lotusbloemen, fruitmanden, kaarsen etc. verkochten.


Offers.
Wij wilden mee gaan in de religieuze gebruiken en lieten bij een van de kraampjes een fruitschaal opmaken die we later konden offeren. Ook kochten we een kokosnoot en aanmaakblokjes. Later werd mij duidelijk wat hiervan de bedoeling was. Net zoals vele pelgrims liepen wij richting de centrale park waar de Hindoetempel, de Boeddhatempel en een moskee op één terrein staan. Iedereen houdt rekening met het geloof van anderen en respecteert dit.

Onderweg liepen wij over de brug bij de heilige rivier Menik Ganga die langs het tempelterrein loopt. Veel gelovigen dompelen zich onder of baden in deze rivier, vergelijkbaar met de rivier de Ganges in India. Voordat we bij de Sivan Kovil het terrein konden betreden deden wij onze schoenen uit en lieten deze achter bij de schoenenbewaking. Omdat er nog geen ceremonie bezig was liepen we eerst een stuk over het terrein. Alles was al in voorbereiding op de Esela Perehera, het Kataragama Festival in augustus. Er worden dan duizenden pelgrims verwacht in de stad, er zal dan veel muziek zijn, er zijn olifanten en er is een parade die met godenbeelden door de straten trekt. Sommige gelovigen zullen dan diep in trance raken en lopen met haken in hun lijf of lopen over vuur.


Wassen in de rivier.

Op onze blote voeten liepen we door het zand naar het noorden van het complex en zagen daar de Kiri Vehera stupa. Onderweg kochten we lotusbloemen om deze bij het altaar van Boeddha neer te leggen. De grote witte stupa werd gebouwd door koning Mahasena en dateert waarschijnlijk uit de 3e eeuw voor Christus. De plek zou ook door Boeddha zijn bezocht voor een meditatie (spirituele oefeningen). Net zoals de vele biddende mensen legden wij onze lotusbloemen op het altaar en Nana deed een “vow” dit is een gebed of belofte.

Op onze weg terug kwamen we langs de moskee, de Bodhi-boom en een klein museum dat we niet bezochten. Nana kocht loten voor een of andere loterij en Ronac wilde perse ook een lot hebben. Gelukkig had Nana nog oude loten waar hij niets mee had gewonnen en gaf hij deze aan Ronac. Ook gaven we nog wat klein geld aan enkele bedelaars. We keken bij een kleine visnu tempel naar een zegening van een gezin door een priester. Nana regelde voor ons ook een korte zegening. De kapurala (tempelpriester) zong een lied voor de bescherming van ons gezin en we moesten wat water drinken.


Lotusbloem

Vervolgens liepen we naar de belangrijkste schrijn van Kataragama de Maha Devale. Er was een privé ceremonie aan de gang dus keken wij bij de naastgelegen tempel ter verering van de Hindoegod Ganesha. We werden door een oud vrouwtje aangesproken om de tempel binnen te gaan en te helpen bij een puja-ceremonie voor de goden die in deze tempel zou gaan beginnen. Wie deelt neemt aan zo’n puja verzameld een goed karma. Met een goed karma krijg je, als je ziel terug op aarde komt, een beter leven. We volgden de vrouw en liepen de kleine tempel binnen. Achteraan stond het belangrijkste beeld namelijk die van de Hindoegod Ganesha. Er stonden veel lichtjes omheen.


Ook wij offerden wij lotusbloemen bij Boeddha.

De god Ganesha had een “olifantenhoofd” en was de zoon van Hindoegod Shiva en Parvati. Volgens het verhaal heeft Shiva het mensenhoofd van Ganesha in een boze bui afgesneden en er later een hoofd van een wijze olifant opgezet. Men zegt dat Ganesha moeilijkheden en hindernissen weg neemt en hij is de beschermheilige van reizigers. Hindoes bidden tot Ganesha voor ze aan iets nieuws beginnen, zoals een nieuwe baan of nieuwe school of wanneer ze verhuizen. In de kleine tempel werd een rode mat uitgerold waar we niet op mochten staan en we kregen touwen in onze handen. De touwen waren bevestigd aan de klepel van verschillende bellen. De bellen hadden verschillende groten en het geluid van iedere bel bleek anders te zijn. We moesten aan de touwen gaan trekken om de ceremonie te laten beginnen.

De oude vrouw en een kapurala (tempelpriester) hielpen ons en het was een hels lawaai. Na een aantal minuten verscheen de Sadhu (heilige man) van achter het rode gordijn. Achter het gordijn bevind zich het heiligste de heiligen en het is uitsluitend toegankelijk voor de Sadhu en de tempelpriester. Sadhu of sadhoe betekent: goed persoon, deze persoon heeft de drie Hindoeïstische levensdoelen: kāma (plezier), artha (rijkdom), dharma (juist handelen) opgegeven. De nogal lelijk uitziende sadhu schuifelde wat rond voor de afbeelding van Ganesha en zwaaide met een schaaltje wierrook. Af en toe maakte hij een soort van beweging als verering of gebed naar de God Ganesha. De rituelen die de Sadhu uitvoerde zijn al eeuwenoud. We moesten aan de touwen blijven trekken totdat de ceremonie tot een einde kwam.


Ceremonie voor Ganesha waar wij mee mochten helpen.

Mijn armen waren tegen die tijd helemaal lam van het touwtrekken. Voordat we de tempel uit mochten gaf de Sadhu ons nog een witte stip op ons voorhoofd. Men noemt dit een tikka (of ook wel bindi) en het is een traditionele versiering. Het is een derde oog dat bedoeld is om de blik op de goddelijke wereld te richten en het boze oog af te weren. Aan de stip kun je tevens zien dat iemand in een tempel gebeden of geofferd heeft. Ook kregen we uit een grote pan een handje plakkerige zoete rijst die men eet na een gebed.

We liepen met de kokosnoten naar een hek met middenin een steen. Het aanmaakblokje werd aangestoken en op de kokosnoot gelegd. Pas toen hij was opgebrand, mocht pappa als eerste de kokosnoot kapot gooien op de steen waardoor hij brak. De kokosnoot staat symbool voor voorspoed en wordt kapotgeslagen (bijvoorbeeld aan het begin van iets nieuws ) in naam van Ganesha. De binnenkant van de kokosnoot symboliseert de ziel en de harde schil aan de buitenkant is ons ego. Door de kokosnoot kapot te maken doorbreken we ons ego om zo onze ware zelf te tonen. Alle hindernissen worden zo weggenomen en er volgt voorspoed.

Ons laatste bezoek is aan de Maha Devale, de belangrijkste plaats van Kataragama. In de 2e eeuw v Chr. bouwde koning Dutugemunu hier een schrijn voor de god Kataragama Deviyo,de hindoegod Skanda. In de tempel staat volgens zeggen de originele lans van oorlogsgod Skanda. Er staan vele gelovigen in de rij maar Nana weet ons via een andere rij naar binnen te krijgen. We sluiten ons aan bij de vele wachtende mensen. Velen dragen een grote fruitmand bij zich, de ene nog groter dan de andere. Voorin de tempel stonden in het wit geklede tempelpriesters die de offers, in ons geval de fruitschaal, in ontvangst namen. De schaal werd gezegend door de goden, het geld eruit gehaald en de fruitmand werd van een krans en lotusblad voorzien. Buiten aten we van het fruit en deelden we dit met andere mensen. Net voordat we wilden vertrekken, kwam er nog een muziek- en dansgroep aan. De trommels maakten flink kabaal en er liep een vrouw wervelend te dansen op de opzwepende muziek. We bleven een tijdje staan kijken en gingen weg toen ze stopten. We haalden onze schoenen op en deelden nog wat fruit uit. We liepen terug naar de auto om vervolgens een niet al te lange rit te maken naar Tangalle aan de zuidkust van Sri Lanka.


Onze cabana.
We checkten in bij Palm Paradise Cabanas aan het Goyambokka strand. We kregen een vrijstaand houten huisje (cabana) gelegen tussen de palmbomen. Het huisje staat op houten palen en is binnen en buiten ingericht met houten meubels. De zee was door de dichte begroeiing niet te zien maar we hoorden hem we te keer gaan. We gingen eerst eten bij het restaurant. We waren nog net op tijd want de keuken sloot om 14:30 uur. Nadat we onze buikjes vol hadden gegeten, gingen we natuurlijk naar het strand. Het was een mooi afgelegen tropisch strand en als de zon zou schijnen was het helemaal een paradijsje geweest.

Vanwege het regenseizoen hingen er donkere regenwolken en was de zee erg wild. Het was niet echt veilig om het water in te gaan en te gaan zwemmen. De stroming was sterk en de golven heel hoog en je werd bedolven onder de golven als je het water in ging. Ik ging niet te ver maar pappa trotseerde de golven en zwom een stuk uit de kust. Terwijl ik kung fu speelde met de golven vermaakte Ronac zich in het zand. Toen het begon te regenen keerden we terug naar onze cabana waar we met zand en schelpen onder de veranda speelden.


Woeste hoge golven, daar weet Keyro wel raad mee.

S’ avonds hadden we een drie-gangendiner bij het restaurant. Er werd heerlijke versgevangen tonijn geserveerd. Samen met pappa en Nana ben ik na het eten nog naar de Rekawa Turtle Sanctuary gegaan. Mamma en Ronac bleven thuis. Rekawa is een klein vissersdorp ten oosten van Tangalle. Op een beschermde strook strand was het mogelijk om vijf verschillende soorten zeeschildpadden te zien. De zeeschildpadden komen aan land om nesten te maken. Het Turtle Conservation Project zorgt dat de zeeschildpadden niet gestoord worden tijdens het leggen en dat de nesten niet leeg geroofd worden.

We kregen vooraf informatie van een vrijwilliger over de zeeschildpadden en moesten toen gaan afwachten of er een schildpad aan land zou komen. Uiteindelijk hoorden we dat er eentje was gesignaleerd. Toen we er aankwamen, ging de schildpad net terug naar zee. Ze had geen eieren gelegd en was waarschijnlijk ergens van geschrokken. Ondanks dat we het eieren leggen niet hadden gezien liepen we terug en was het bezoek meteen afgelopen. Jammer dat men alleen maar dacht aan commercie en niet de moeite nam om nog een poging te wagen om een andere schildpad te zien. Voor ons maakte het niet zoveel uit want wij hadden het geluk gehad dit vorig jaar in Suriname ook al te zien. Pas tegen middernacht kwamen we terug bij de cabana waar mamma en Ronac al lekker onder de klamboe lagen te slapen. Ondanks de ventilator en zeewind was het nog flink warm in het hutje. Gelukkig was ik zo moe dat ik al snel in een diepe slaap viel.

 

Dag 18; Op safari

Jeetje, het was heel erg vroeg en nog donker toen pappa en mamma ons wakker maakten. We gingen op jeepsafari in het Yala National Park. De jeep stond buiten het hek van het hotel op ons te wachten. We stapten in en het duurde niet lang meer of we vielen weer in slaap door al het gehobbel van de 4WD jeep. Het bleek nog een half uurtje rijden te zijn naar de ingang van het nationale park. We waren de tweede wachtende in de rij om het park binnen te gaan en moesten wachten tot het hek open ging. Yala National Park is een van de oudste en bekendste nationale parken van Sri Lanka. Het park beslaat een oppervlakte van 1297 km² wat Yala National Park het grootste natuurgebied van het land maakt. Het Yala National park wordt gezien als één van de hoogtepunten van Sri Lanka en is daarom ook zeer druk bezocht door toeristen.


Op zoek naar wildlife in Yala National Park.
Eenmaal in het park reden we over zandpaden met tientallen andere jeeps en af en toe zelfs in colonne. Elke jeepchauffeur wilde zijn gasten zoveel mogelijk vogels en dieren laten zien. Nana had onze chauffeur cq spotter gevraagd om naar het leefgebied te gaan van het luipaard. Olifanten zaten hier ook maar deze hebben we in Minneriya National Park al goed kunnen zien. Het gebied was droog bosland met veel open vlaktes en kleine meertjes. We zien al snel verschillende vogels onder andere bijeneters, Indische Nimmerzats (soort ooievaar), ibissen en de nationale vogel van Sri Lanka de Ceylonhoen. Ook zagen we een aantal jakhalzen rondlopen op zoek naar karkassen van dieren om op te eten. Ook zagen we herten, wilde zwijnen, olifanten en krokodillen. Keyro miste het allemaal want die was in een hele diepe slaap en met geen kanon wakker te krijgen.

We zagen verschillende grote krokodillen.

 

Na een paar uur rond rijden en hobbelen, stopten we bij de kust. Op deze plaats konden we even uitstappen, de benen strekken en even iets eten uit ons ontbijtpakket. Op deze plek stond ook het tsunami-monument. Op tweede kerstdag 2004 kwamen in dit park 49 toeristen, chauffeurs en gidsen om het leven door de tsunami die toesloeg tijdens hun safari. Het lukte Keyro uiteindelijk om wakker te worden en het laatste stukje van de safari mee te beleven. Een luipaard werd helaas niet gevonden. Uiteindelijk verlieten we Yala park en waren we rond de klok van 11:00 uur terug bij ons hotel.


Nu weet ik waarom ze deze dieren waterbuffels noemen.

Natuurlijk werd ons gevraagd of we op eigen kosten in de middag nog een keer op safari wilden gaan. Keyro wilde het zo graag dat pappa en mamma toezegden en we dus nog een keer gingen. Om de tussenliggende tijd te overbruggen gingen we lekker naar het zwembad om te zwemmen. Er waren twee Nederlandse meisjes waar we een tijdje mee speelden totdat zij vertrokken naar hun nieuwe bestemming. We werden om 15: 00 uur  opnieuw afgehaald door dezelfde chauffeur. Eerst de circa 21 kilometer naar het park en toen snel naar het west-blok van het park. In dit gebied van het park heb je de meeste kans om het mysterieuze luipaard te spotten. Keyro zat op zijn “spotterstoel” en zag heel erg veel dieren maar geen luipaard.


Even genieten op het strand tijdens een pauze in Yala NP.

We reden lange tijd rondjes over de verschillende wegen net zoals veel andere jeeps. Het leek erop dat iedereen op zoek was naar één van de 35 in het park levende luipaarden. Ondanks de vele auto’s werd het luipaard niet gespot. Onze chauffeur belde met bevriende collega’s maar niemand had iets vernomen of gezien. Gelukkig werd onze zoektocht af en toe wel onderbroken door andere dieren die wel konden spotten. We zagen een paar bijeneters en een landvaraan van wel heel dicht bij. Ook zagen we een paar die op de weg liepen. Onze gids haalde wat acrobatische toeren uit en wurmde zich met zijn jeep tussen de andere jeeps voor een betere positie. Toen de olifanten weg waren reden we verder en draaide de chauffeur op de weg. Dit werd gezien door de parkbewaking en hij kreeg een flink standje van een man met een geweer in zijn hand dat hij dat niet mocht doen. De reden waarom hij draaide was dat er bericht was dat er in de buurt een luipaard gesignaleerd was.

We reden samen met een hoeveelheid andere jeeps drie keer hetzelfde pad af maar geen luipaard. Helaas begon het donker te worden en moeten de jeeps voor een bepaalde tijd het park uit zijn. Indien de chauffeur zich hier niet aan de regels houdt , krijgt hij een boete. We moesten dus echt omdraaien en terug keren naar de uitgang. Vlak voordat we het park uitreden, kwamen we oog in oog te staan met een zogenaamde “tusker”. Zo noemt men een mannetjesolifant met enorme slagtanden ook wel. Het was weliswaar nog geen volgroeid mannetje maar hij had wel flinke slagtanden. Hij liep wat heen en weer op de weg. We konden hem echt heel goed bekijken en bijna aanraken. Van zo dichtbij hadden we de olifanten zelfs in Minneriya National Park niet gezien.


Overstekende olifanten.

Ondanks dat de luipaarden zich ook tijdens deze twee safari’s niet lieten zien vonden we het allemaal toch zeker de moeite waard. Het landschap was prachtig en we hebben veel dieren kunnen zien. Na terugkomst fristen we ons snel op en gingen daarna direct naar het restaurant voor het avondeten. Opnieuw was het goed verzorgd met een voorgerecht, soep en keuze uit twee hoofd- en nagerechten. Morgen verlaten we deze plek voor voor een volgende bestemming aan het strand.

 

 

Dag 16; Hiken naar World’s End


Het was vroeg (5:30 uur) en nog donker toen de wekker ging. Ik had veel moeite om op te staan en mijn warme bed uit te komen. Toch stonden we een half uur later klaar om te vertrekken naar de Horton Plains. We kregen een ontbijtpakket mee die we onderweg op konden eten. Helaas had de 4WD vertraging en stonden we een half uur voor niets te wachten. In de auto vielen Ronac en ik allebei weer in slaap en gelukkig duurde de rit zo’n 1 ½ uur. Bij de park entrance maakten pappa en mamma ons wakker en om ongeveer 8:15 uur vertrokken wij aan onze wandeling. Nana ging niet met ons mee vanwege klachten aan zijn voet maar dat vonden wij niet erg. Zo konden we lekker ons eigen tempo lopen en ons eigen ding doen.


Met walkie-talkies hielden we contact met pappa en Ronac.

De Horton Plains, staat op de werelderfgoedlijst, is een hoogvlakte gelegen tussen de 2100 en 2300 meter hoogte. Vroeger was dit het domein van olifanten, luipaarden en apen maar dat is verleden tijd. De wandeling die we gingen maken was zo’n 9 kilometer. Al snel zagen we hoe uniek het landschap was. Het eerste gedeelte ging door grasland en langs kleine moerassen. In het landschap staan veel rododendrons, dit zijn struiken tot kleine bomen met prachtige bloemen. Het gebied staat bekend om zijn diversiteit van planten, bomen, vlinders en dieren. Na het grasland kwamen we in een wat dichter bosgebied ook wel “cloud forest” of nevelwoud genoemd.


Het was echt sjiek om door het nevelwoud te hiken.

Het was duidelijk waarom alles hier zo weelderig groeit en bloeit want het was er vochtig en klam. Het ene moment zag je veel en het andere moment was je in een nevel van mist gehuld. We liepen over smalle, steile en meestal rotsige paadjes die voornamelijk door erosie tot stand zijn gekomen. Af en toe liepen we flink omhoog om vervolgens weer voorzichtig af te dalen. Als eerste kwamen we aan bij Mini Worlds’s End, de afgrond was hier wel 270 meter diep. Vanwege de wind moesten we ons goed vast houden en niet te dicht bij de rand komen. Nadat we weer iets verder hadden gelopen kwamen we aan bij het daadwerkelijke World’s End.


 World’s end.
Het plateau eindigde op dit punt en er was een 900 meter diepe afgrond. We hadden geluk met het weer en het was redelijk open zodat we van het dal en een adembenemende uitzicht konden genieten. Bij mooi weer zou je zelfs de Indische oceaan moeten kunnen zien liggen. Ook hier stond weer veel wind dus oppassen geblazen. We aten een kipsandwich uit ons ontbijtpakket en dat gaf ons nieuwe energie om verder te gaan met de wandeling. Vanaf de plateaurand van World’s End volgden we de weg naar de BakersFalls en kwamen we opnieuw langs mooie vergezichten. Tijdens het lopen werden we aangemoedigd door Ronac die liedjes aan het zingen was.

Vlak voordat we een grillig bos in zouden lopen, moesten we nog even naar het toilet. Er waren hokjes en een wc-pot in de openlucht en ik heb nog nooit zo’n prachtig uitzicht gehad terwijl ik een plasje deed op het toilet, uniek! Eerst was het een stuk steil klimmen tussen de bomen door. Eenmaal boven aangekomen moesten we een steil pad naar beneden volgen om bij de BakersFalls te komen. Ik weet niet hoe pappa het voor elkaar kreeg met Ronac op zijn rug maar hij was heel snel uit ons gezichtsveld verdwenen. Samen met mamma klauterde ik veilig en wel naar beneden.


Baker’s falls.

De watervallen waren 20 meter hoog maar zijn vooral indrukwekkend door de breedte. Er kletterde flink wat water naar beneden. We rusten uit en vertrokken toen er een stel “lompe Hollanders” arriveerden. Het was een flinke klim naar boven maar ik klauterde heel goed en was als eerste boven. Natuurlijk zat ik helemaal onder de modder en schrammen maar dat kon mij niets schelen. Het laatste stuk van de wandeling ging weer door de graslanden. Af en toe zagen we beekjes en meertjes. Soms scheen de zon even en dan was er weer de mist. Op de laatste paar honderd meter van de wandeling begon het te regenen.


Omhoog klauteren over het steile pad.

Nana stond ons op te wachten en we liepen snel naar de 4WD minibus. Op de parkeerplaats zagen we nog een groot Sambarhert. Het prachtige dier was groot, had een donker bruine vacht en een gewei. De dieren leven meestal alleen en niet in kuddes zoals andere herten wel doen. Ronac viel in slaap en miste hierdoor de heerlijke verse vanilleyoghurt die Nana onderweg kocht bij de lokale melkfabriek.


Sambarhert.

Tegen de klok van 13:30 uur waren we weer terug bij ons hotel. We kleedden ons om, douchten ons en wilden daarna even naar het dorpje lopen. Toen we net onderweg waren begon het flink te regenen en we namen de eerste de beste tuk tuk die we zagen. We hadden geen zin om af te dingen en betaalden de jongen 100 roepie (€ 0,50) voor een ritje van een paar kilometer. Het centrum stelde niet veel voor en we liepen wat langs de winkels en over de groentemarkt. We hadden een late lunch bij een van de weinige restaurantjes die we konden vinden.

We namen kleine broodjes (worstenbroodjes, roti kip) maar die smaakten zo lekker dat we er nog een paar haalden. We liepen terug naar het hotel en zagen onderweg nog wat typisch Engelse huizen en tuinen met rozen. Ook kwamen we langs een wedstrijdbaan voor paardenraces. Ons diner stond om 19:00 uur klaar en we gedroegen ons voorbeeldig. Het hoofdgerecht was mijn favoriete eten namelijk spaghetti bolognese. Na het eten vielen onze oogjes bijna dicht en zat er niets anders op dan lekker in ons bedje te kruipen en te gaan slapen.

Dag 13; Boeddha’s

Na het ontbijt vertrokken we voor onze lange rit naar Kandy in de centrale gebied van Sri Lanka. Onderweg zouden we diverse stops maken dus zouden we genoeg afleiding hebben. Na ongeveer twee uur rijden maakten we de eerste stop bij de grottempel in Dambulla. De gouden tempel van Dambulla staat op de Werelderfgoedlijst. De plaats is gebouwd rondom een grote granietenberg waarop de boeddhistische grottempel Raja Maha Vihara ligt. Het tempelcomplex is het best bewaard gebleven complex in Sri Lanka.


Gouden tempel, dambulla.

Bij de ingang stond een prachtige stupa (dagoba) en een grote geelgouden Boeddha. Ook hier zagen we weer een hoog kitsch gehalte met veel goud en bling bling. Om bij het complex te komen moesten we eerst de 100 meter hoge rots omhoog klimmen. Ik liet mij weer erg makkelijk dragen in het draagstel en voelde mij net een “prinsje”. Onderweg kwamen we aapjes tegen die totaal niet bang waren en allerlei gekke fratsen uithaalden. Ook liepen er veel souvenir verkopers die ons van alles aan wilden smeren.


Hoeveel apen kun je tellen op de foto?

Ze begonnen met 1000 roepee en uiteindelijk kon je het voor minder dan 100 roepee krijgen als je wilde. Hoe hoger we op de rots kwamen hoe mooier het uitzicht werd. Voor de ingang van het complex moesten de schoenen weer uit en een opdringere man verplichtte ons de schoenen bij hem in de vakjes te zetten. We mochten ze niet langs de kant neer zetten en zelfs niet meenemen?! Wat een onzin. Pure commercie om toeristjes geld af te troggelen.


De prachtige grottempels van Dambulla.

In totaal waren er in het complex vijf grottentempels. De wanden en de plafonds waren beschilderd met Boeddha’s en andere figuren. Over de vijf tempels staan ongeveer 150 Boeddha’s verdeeld. Het was jammer van de felle TL-verlichting die de sfeer wat kil en koud doet overkomen maar ondanks dat maakte het absoluut indruk. We liepen weer terug naar beneden langs de apenkolonie.


De familie aap.

Na het bezoek aan de grottempel reden we verder naar Matale. Hier bezochten we één van de vele kruiden- en specerijentuinen die we onderweg tegenkwamen. Bij de ingang kregen we een paraplu om ons droog te houden maar wij vonden het leuker om er riddertje mee te spelen en lekker nat te worden van de regen. De man die ons rondleidde liet ons veel kruiden en specerijen zien. Wij kennen de meeste kruiden en specerijen als poeder of in gedroogde vorm maar hier zagen we hoe ze als struik, blad, stengel of bloem groeiden. Zo zagen we hoe peper, kruidnagel, vanille en noodmuskaat groeit en werd mijn nagel geel gekleurd met de wortel die bij ons in de keuken gebruikt wordt als saffraan.


Op vakantie en toch nog even naar school.

Terwijl wij door de tuin liepen kregen we twee maal een drankje aangeboden. De eerste keer een heerlijke thee met specerijen en de andere keer chocolademelk met een vleugje vanille extract. Ook gingen we nog even in de schoolbanken. Voor de klas stonden flesjes en potjes met ingrediënten. We kregen een a4-tje met tekst en uitleg in het Nederlands. Er werd ons uitgelegd dat veel kruiden ook gebruikt kunnen worden als medicijn bij gezondheidsklachten. Men noemt dit Ayurvedische geneeskunde, een traditionele geneeskunde die in Sri Lanka en India veel gebruikt wordt. We kregen allerlei smeerseltjes op onze armen en benen en konden aan het einde ook nog een nek- en of schoudermassage krijgen. De massage lieten we achterwege en daarna liepen we terug.

We konden bij het winkeltje alle kruiden, specerijen en smeersels kopen. Wij wilden graag de cacao (chocolademelk) en het vanille extract kopen maar laat dit nu net het enige zijn dat ze niet meer hebben, jammer. Uiteindelijk kochten we een potje met kruiden om een vleescurry te maken. Ondanks het commerciële tintje vonden wij het toch leuk en zeer informatief. Onze laatste stop onderweg naar Kandy was bij het Aluviharaklooster.


Binnenplaatsje van het schitterende Aluviharaklooster.

Het is een heel oud klooster waar voor het eerst de Boeddhistische geschriften (regels, leer) werden opgeschreven. Ook hier zagen we prachtig beschilderde muren en plafonds en een grote liggend Boeddhabeeld met gouden gewaad en omringd door offers (bloemen en wierook). Ook was er een ruimte waar door middel van beelden werd uitgebeeld welke straffen men kon krijgen bij ongehoorzaamheid (bijvoorbeeld stelen). Keyro vond de beelden eng en wilde snel de ruimte uit maar ik daar en tegen vond het geweldig om te zien. Ik noemde de beelden “de enge mannetjes” en wilde er iedere keer naar terug keren. We maakten onderweg nog een stop bij een soort hamburgerrestaurant voor een snelle lunch.

Laat in de middag kwamen we aan bij ons hotel in Kandy. De stad was hoger gelegen en daarom was het klimaat hier koeler. Het hotel lag iets hoger op de Hunnasgiriya-berg. In het Thilanka hotel werden we deftig ontvangen en ook hier kregen we een welkomstdrankje. Onze kamer bevond zich op de vijfde verdieping en we hadden een prachtig uitzicht over het Kandy meer, natuurpark Udawattaekelle en in de verte zagen we de Tempel van de Tand. De kamer was ruim en mooi gedecoreerd. We zaten net even televisie te kijken toen we vanaf het balkon begluurd werden. Een stel apenogen keken ons nieuwsgierig aan. In de bomen bij het hotel zit het vol met Ceylonkroonapen en er werd geadviseerd om de balkondeur dicht te houden omdat ze van alles mee kunnen pikken. Wij vonden het wel leuk om aapjes te kijken en zij waarschijnlijk ook. Het avondeten was in het luxe restaurant naast het zwembad.


Nieuwsgierige aapjes op ons balkon in het hotel.

Wij maakten kennis met een collega van pappa die samen met vrouw en zoon ook een rondreis maakten door Sri Lanka. Het eten was wel in buffetvorm maar overvloedig en zeer goed. De kok kwam naar pappa en mamma toe of hij frietjes voor ons moest bakken maar dat vonden Keyro en ik allebei niet nodig. Waarom frieten als er zoveel ander lekker eten is? We aten eerst soep, daarna pasta en als laatste heel veel toetjes. Een orkestje speelde aan de tafeltjes en ik danste wat en deed met ze mee. Na het eten gingen we nog in de bar iets drinken met de collega van pappa. Terwijl zij aan het bier en de cocktails zaten, renden wij rondjes om het zwembad. Keyro speelde later een spelletje op de telefoon van Frank en ik ging bij een Nederlands stelletje aan het zwembad zitten. Het meisje vond mij wel leuk gezelschap (haar vriend had meer oog voor zijn telefoon) en ik kletste haar de oren van het lijf. Ik vertelde haar over de olifanten en de “enge mannetjes”. Rond 22:00 uur was het bedtijd en nam ik afscheid.

Dag 9; Het platteland

Onze koffer en rugzakken waren weer ingepakt en we verlieten het prachtige en goede Kassapa Lions Rock Hotel. Na het ontbijt reden we tien minuten en daarna stopten we bij een groot hotel in Habarana. Hier haalden we een lokale gids op en werden we geregistreerd voor toegang tot het gebied. We verlieten te voet de grote weg om te kijken hoe het dagelijks leven op het Sri Lankaanse platteland is. We verkenden het gebied rondom het plattelandsdorp Hiriwaduna. Na een stukje lopen stapten we in een kar die werd voortgetrokken door ossen. De ossenkar is één van de oudste manieren van transport en wordt hier nog veel gebruikt. De ossen liepen niet al te snel en zo konden wij goed de omgeving in ons opnemen. Opvallend was de grond onder ons die steeds roder werd.


We reden door het akkerland waar diverse groenten werden verbouwd. In dit seizoen werd er vooral uien en rijst verbouwd. We zagen boeren bezig om land te bewerken. De mannen doen eerst het zware werk van het omploegen van de aarde en daarna gaan de vrouwen verder met het zaaien van de gewassen. Na een tijdje hobbelen stapten we bij een stupa uit en gingen we te voet verder. We lopen door een prachtig gebied en zien in de verte zelfs een neushoornvogel (Hornbill) in de top van de bomen. Met de verrekijker van onze gids kan ik hem beter bekijken. Ik zag een grote vogel met een enorme felgekleurde en gebogen snavel. Bovenop de snavel zat nog een gekrulde “hoorn”. Kortom een prachtig dier!


Met een verrekijker lijken de dieren allemaal heel dichtbij.

Het volgende transportmiddel was een oruva, een traditionele vissersboot. Het was maar een klein stukje en we gingen direct weer aan wal. We liepen over een smal pad tussen de plantages met bananenbomen, papajabomen en palmbomen door. We kwamen uit bij een huisje van klei met een palmbladeren dak en kleine groentetuin met long beans (kouseband), een lange sperzieboon, aubergines en manioc. De bewoners was een oudere man die manioc aan het koken was. Manioc, wij kennen het als cassave, is een eetbare wortelknol die oorspronkelijk komt uit Zuid Amerika. De Portugezen namen de knol mee naar Azie. De plant kan groeien op arme grond en is goed bestand tegen droge periodes. Volgens Nana is het heel gezond en beschermd het je tegen allerlei ziekten zoals kanker.


Op zoek naar wilde olifanten vanuit de uitkijkpost.

We beklommen de uitkijkpost naast het huisje. Hier slaapt de man ’s nachts en kijkt hij of er geen wilde olifanten komen. De olifanten zijn een plaag voor de boeren want ze kunnen akkers, oogst en afrasteringen verruiineren. De boeren proberen de olifanten te verjagen met hulp van vuur of voetzoekers (vuurwerk). Jaarlijks overlijden boeren maar ook olifanten aan deze confrontatie. We kregen nog een paar banaantjes en zagen een gekko onder het dak van het huisje. We gaven de man wat roepies voor zijn gastvrijheid en liepen verder.


Een dakvlechten van palmbladeren.

We kwamen langs een gebied met meerdere huisjes en daar liet Nana ons zien hoe je van de palmbladeren een dak vlecht voor op een huis. Het laatste stuk legden we opnieuw af in een oruva en we voeren over het enorme waterreservoir (wewa). Wat een prachtig en bijzonder gebied was het, schitterend. Na deze mooie maar ook leerzame tocht reden we verder naar het oostkust. Onderweg zagen we veel rijstvelden en verschillende waterreservoirs uit de oude tijd. Ons hotel lag in het plaatsje Uppuveli op ongeveer acht kilometer van het centrum van Trincomalee. In het noorden woonden voornamelijk Tamils en dit veroorzaakte van 1983 tot 2009 een conflict met de Singalezen. De Tamiltijgers vochten voor een onafhankelijke staat. Het werd een langdurige burgeroorlog en er zijn veel slachtoffers gevallen aan beide kanten. Vanaf 2009 gaven de Tamil tijgers zich over en keerde de rust onderling weer terug.

Het toerisme is in dit gedeelte van het land echt in opkomst en staat in de kinderschoenen ten opzichte van de rest van Sri Lanka. Ons hotel Sea Lotus Park bereikten we via een omweg omdat de hoofdweg was afgesloten. We checkten in en kregen een ruime kamer op de begane grond met een terras aan de tuin. We gingen eerst iets eten want we hadden flink honger gekregen. We gingen binnen in het resaturant zitten in de hoop dat daar airco was maar dat bleek niet zo te zijn. Er was alleen wat verkoeling van de fan. We deden onze bestelling bij een ober in opleiding en zagen de jongen de hele tijd bezweet van hot naar her rennen. We hadden allemaal medelijden met de jongen. Het duurde lang (bijna een uur) voordat ons eten kwam en dat van mamma kwam zelfs helemaal niet. De bestelling was verkeerd gegaan en de sweet en sour garnalen van mamma zouden snel komen werd haar beloofd.


Trincomalee

Ondertussen gingen wij naar buiten om op het strand te gaan spelen. Helaas begon het donker te worden en kwam er een flinke regenbui naar beneden. We renden snel naar onze kamer maar waren toch al doorweekt. We amuseerden ons goed op de kamer al werden we af en toe in het donker gezet omdat de stroom uitviel. In de avond gingen we in het restaurant eten. De keuze van het buffet viel tegen bij hetgeen we tot nu toe hebben gehad. Er was keuze uit vis of vlees en wat bijgerechten. Ronac werd al snel vrienden met de kok en een paar obers en verdween in de keuken. Hij wist daarmee een schaaltje met chocoladeijs te versieren, de bofkont. Morgen gaan we lekker genieten van het strand en helemaal niets doen.

Dag 6; Olifanten en de Lionsrock

De wekker ging om 5:45 uur en we checkten uit om 6:30 uur en verlieten deze leuke plek. Het verkeer was chaotisch, de weg druk, veel bochten en van al het optrekken en remmen werden we allemaal een beetje misselijk. Het bleef het eerste uur druk maar daarna werd het rustiger en de omgeving prachtig. We reden langs bananenbomen en rijstvelden met prachtige uitzichten, echt heel mooi. We arriveerden goed op tijd bij het Pinnawala Elephant Orphanage, een weeshuis voor olifanten. Hier worden verstoten, gehandicapte of gewonde olifanten opgevangen.


Pinnawala Olifantenweeshuis.

We liepen als eerste naar een gebouw waar twee jonge olifantjes gevoed werden. De babyolifantjes werden gevoed met een babyfles en deze was binnen twee slokken leeg. Ondanks de hoge entreekosten (2000 roepie p.p.) voor het weeshuis moet er voor extra activiteiten betaald worden. Zo kon je een olifant een flesje geven of wat fruit maar dan kostte dit natuurlijk wel extra geld. We keken bij een volwassen olifant die bezig was te helpen bij de bouw van een nieuwe shelter. Hij droeg wel 3 boomstammen tegelijk naar de bouwplaats, ongelofelijk sterk hoor!


De olifant is het grootste landdier ter wereld. Er zijn twee soorten olifanten namelijk de Aziatische en de Afrikaanse. Ze verschillen nog wel wat van elkaar. Zo heeft de Afrikaanse olifant grotere oren en kan hij veel zwaarder worden. De Aziatische vrouwtjesolifant heeft geen slagtanden en die van de Afrikaanse wel. Opvallend aan de olifant was en is natuurlijk zijn slurf. Hij gebruikt dit lichaamsdeel als extra hand. Hij gebruikt zijn slurf om dingen op te rapen, te eten, te wassen en het trompetgeluid te maken. We bekeken de kudde, momenteel zo’n 80 olifanten, op het 10 hectare grote land terwijl ze stonden te wachten om naar de Ma Oya rivier te gaan om te baden. Wij liepen alvast voor ze uit en staken de straat over en kwamen door een straatje vol toeristische winkeltjes.


Bij de rivier waren restaurants met terrasjes die uitkeken over de rivier. We namen plaats op een plastic stoel en niet veel later hoorden we het stampen van de kudde olifanten die eraan kwam. Ronac ging nog even met mamma een olifant aaien maar ik deed dat niet. De olifanten liepen langzaam de rivier in om daar te drinken en zich nat te maken. De mahouts, verzorgers, stonden aan de kant om ze in de gaten te houden. Een mahout, meestal een man, bouwt een speciale band op met de olifant en verzorgd hem zijn hele leven. De mahout communiceert met de olifant door lichaamstaal, observatie en gesproken of ongesproken taal. Helaas zagen we ook dat sommige mahouts de bullhaak (stok met scherpe punt) hadden om de olifanten te corrigeren, jammer.

Rond 10:30 uur liepen we terug naar de minibus en werden we verrast door een verfrissende regenbui. Omdat het hier warm is, maakt het niet veel uit en ben je zo weer droog als het stopt met regenen. We hadden weer een ritje van een paar uur voor de boeg. We reden naar wat ze noemen de culturele driehoek. In dit gebied bevonden zich vroeger veel koningssteden en stonden de paleizen van de koning. Onderweg kochten we langs de weg bij een fruitverkoper een aantal ramboetans. Het was een vrucht met een stekelige rode schil en hij wordt veel gegeten in Azië. Mamma pelde de schil eraf en toen verscheen er een glazige, witte vrucht met in het midden een ovale bruine pit. Het vruchtvlees was erg zoet en ik vond het erg lekker. Onderweg hadden we een lunch in Dambulla bij een vrij toeristisch restaurant met een lopend buffet. Het eten was niet slecht maar niet bijzonder en hopelijk gaan we deze vakantie ook nog eten bij lokale eettentjes.


De Sigirya Rock (leeuwenrots).

We waren rond de klok van 14: 00 uur bij de oude koningsstad Sigiriya. Het is één van de zeven plaatsen in Sri Lanka die op de Werelderfgoedlijst staat. Tussen het vlakke landschap en bomen zagen we al de steile wanden van een blok graniet uittorenen, de beroemde Sigiriya Rock of ook wel Leeuwenrots genoemd. We liepen het complex binnen via het buitenhof. Het werd omgeven door een hoge muur en een slotgracht. We volgden de lange rechte weg langs de symmetrisch aangelegde watertuinen met reservoirs en vijvers. Helaas stonden deze droog. Het complex werd gebouwd door koning Kassapa die eerst zijn vader en broer vermoordde om zo aan de macht te kunnen komen. We begonnen aan de pittige wandeling via trappen naar de citadel die boven op de rots ligt. Via een lange trap kwamen we uit bij een nis met prachtig bewaard gebleven fresco’s van “wolkenmaagden”, voor mij gewoon mooie vrouwen.


Vervolgens kwamen we langs de spiegelwand en we bij een terras aan de noordkant van de rots met de restanten van de leeuwenpoort. We zagen nog poten van een enorme leeuw die daar gestaan heeft. De naam leeuwenrots was nu verklaard. Via een smalle ijzeren trap liepen wij zonder Nana (hij was te moe) verder naar boven om daar uit te komen bij de citadel waar nog de ruines van de Koninklijke vertrekken waren. Ik liep de hele tijd erg goed terwijl mijn broertje zich lekker door pappa in het draagstel liet dragen. Het uitzicht over het complex en de omgeving was prachtig. Er stond wel veel wind dus af en toe moest ik me goed tegen houden om niet weggeblazen te worden, sjiek. Na even rond gelopen te hebben, daalden we weer af naar beneden waar Nana ons opwachtte. Het complex werd na de dood van koning Kassapa gebruikt als klooster en op de terugweg zagen we hier nog wat ruimtes van.


Langs de steile rotswand lopen was een echt avontuur.

We reden naar het kleine Sigiriya dorp dat uit niet meer dan wat restaurants, winkeltjes en hotels bestaat. Hier zouden we om 17:00 uur een rit maken op de rug van een olifant. We waren iets te vroeg en dronken nog een milkshake bij “Croissant Hut” één van de barretjes. We betaalden eerst bij het kantoortje de $ 30 per volwassene en $ 15 per kind. Vanwege het gebrek aan wisselgeld kregen we 25 roepie korting wat omgerekend € 0.14 is. Een lachertje natuurlijk maar pappa en de man konden er wel om lachen. Iets na 17:00 uur klommen we via een trap met platform in een houten mand op de rug van de 26-jarige olifant Rani. Ronac vond het “sjiek maar was ook een beetje bang” zoals hij het zei.


Ronac en mamma zaten samen aan de ene kant en pappa en ik aan de andere kant. H
et eerste stuk liepen we over de geasfalteerde weg en in de verte zagen we steeds de Sigiriya Rock. Onderweg stopte Rani een keer om wat bladeren van de bomen te eten. Olifanten zijn echte planteters. We zagen ook nog een groepje Hoelmans of grijze langoeren. Deze apen komen alleen voor op het Indische subcontinent. Het zijn slanke apen met een bruinige vacht, een lange dunne staart en een donker gezicht. De hoelman wordt door de Hindoes als heilig dier beschouwd. Het was leuk om ze achter elkaar aan door de bomen te zien klimmen en klauteren. Uiteindelijk ging Rani van de asfaltweg af en kwamen we uit bij een prachtig kunstmatig aangelegd meer dat helemaal vol stond met lotussen.


Rani liep het water in en begon lekker te drinken. Ze liep steeds verder maar onze voeten bleven toch droog. Vanaf het meer keken we ook uit over de Sigiriya Rock. Rani poseerde als een volleerd model voor de camera en hopelijk zitten er een paar leuke plaatjes bij. Voordat we aan de terugweg begonnen mochten mamma en Ronac op kop van Rani gaan zitten. Ik zei meteen “dat wil ik ook wel” en was stiekem een beetje jaloers. Halverwege stopten we even en toen werd er gewisseld. Samen met pappa mocht ik voorop. Ik voelde me net Tarzan in de jungle. Na afloop stegen we af en mocht ik haar nog een lekkere ananas geven die ze met smaak op at. Ik vond het een geweldig leuke ervaring zo op de rug van een olifant.


Ondertussen was het tijd geworden om richting ons hotel te gaan. We reden een half uurtje en kwamen uit bij het Kassapi Lions Rock Hotel in het kleine dorp Digampathaha. We kregen een welkomstdrankje (zuurzaksap) en warme handdoek terwijl we wachtten op de formaliteiten voordat we naar onze kamer konden. Het hotel bestaat uit kleine losstaande bungalows die verspreid over het terrein stonden. Onze driepersoonskamer was erg ruim met 3 bedden, televisie, airco en ruime, luxe en gedeeltelijk open badkamer. We fristen ons op en gingen naar het restaurant dat praktisch naast onze bungalow lag. Het avondeten was vanaf 19:30 uur en bleek in buffetvorm te zijn maar de keuze en kwaliteit waren zeer goed. Ik kon moeilijk kiezen want er was zoveel keuze. Soep, salade, brood, pasta, aardappelen, curry’s en lekkere toetjes. We blijven hier in totaal 3 nachten dus ik heb genoeg tijd om van alles wat uit te proberen.


Hocus Pocus…

Na het avondeten werd er achterin de zaal een kar met spullen opgezet. Er kwam een goochelaar optreden. Mamma en Ronac gingen op de stoelen zitten die klaar stonden voor de show. Onder begeleiding van opzwepende muziek deed de goochelaar allerlei trucjes en Ronac zat met verbazing en open mond te kijken. Hij snapte er soms helemaal niets van?! “Hoe kan dit nu?”, vroeg hij mamma de hele tijd maar ook zij kon er geen antwoord op geven. Ik bekeek het van een afstandje maar ging er niet veel later toch bij zitten. Ik bleek het toch leuker te vinden dan ik had gedacht. Ook ik zat met verbazing en open mond te kijken Ronac was dus niet de enige. Na de show ging Ronac met de goochelaar op de foto en liepen we terug naar ons huisje om naar bed te gaan.