Centraal Europa: Dag 20; Boeda en Pest aan de Donau

Onze reis door Hongarije ging opnieuw weer verder. Vandaag gingen wij op naar de hoofdstad van het land: Boedapest. Het is de grootste stad van het land met bijna twee miljoen inwoners. Dat is een vijfde deel van alle Hongaren samen. Het was ongeveer 2 uur rijden vanaf Hortobágy. Het eerste stuk ging binnendoor maar gelukkig reden we ook bijna een uur op de snelweg. We hadden met de verhuurder van het appartement gesproken om te bellen als we op de ring van Boedapest reden. Zo kon hij ons opwachten bij de parkeergarage die hij voor ons geregeld had.

Het verkeer in het centrum viel reuze mee en was niet anders dan een grote stad in Nederland. Ze rijden hier zelfs veel hoffelijker en vriendelijker. We arriveerden stipt op de afgesproken tijd (12.30 uur) bij de parkeergarage. We werden ontvangen door Gabor een vriendelijke man die maar aan één stuk door bleef praten. Hij liep met ons mee naar het appartement en gaf ons een uitgebreide rondleiding. Het appartement was werkelijk voorzien van alles wat je maar nodig hebt. WIFI, koelkast, wasmachine etc.

We besloten om niet te lang in het appartement te blijven en direct de stad in te gaan. We liepen een stukje en gingen op zoek naar een plek voor een late lunch. We vonden een Burgerrestaurant maar niet zo eentje als de McDrek. De hamburgers waren overheerlijk en gemaakt van “echt” vlees. We zaten overvol toen we alles op hadden. Terwijl wij moesten wachten op het eten, hadden we op de plattegrond van Boedapest gekeken en een route uitgestippeld om de meeste bezienswaardigheden te kunnen zien.

De stad bestaat uit twee gedeelten, Boeda en Pest. Tussen Boeda en Pest stroomt de rivier de Donau. Boeda is rustig en heuvelachtig en hier vind je de burcht en het Koninklijk Paleis. Pest is vlakker, veel drukker en moderner. Je vindt er fabrieken, winkels en kantoren. Ook ons appartement ligt aan deze kant. We liepen naar de Donaupromenade onder de bevolking bekend als Duna Korzo.

De promenade loopt tussen de Kettingbrug en de Elizabeth brug. In totaal verbinden negen bruggen de stadsdelen Boeda en Pest met elkaar. We kwamen langs een straat vol met souvenirwinkels maar liepen er langs. We kwamen uit bij de grote Markthal van Boedapest. Het gebouw werd eind 19e eeuw gebouwd en ontworpen door de Hongaar Samu Pecz. Oorspronkelijk liep er door dit gebouw een kanaal. Bootjes konden naar binnen varen om de goederen rechtstreeks tot bij de markthandelaars te brengen. De gevel van het gebouw is prachtig versierd met gekleurde tegels van de Hongaarse fabrikant Zsolnay. We gingen niet naar binnen maar speelden even met het water van een fontein.

Vervolgens liepen we in de richting van de Vrijheidsbrug (Szabadság hid). De stalen groen geverfde brug is één van de negen Donaubruggen en dateert uit 1896. Een paar jaar later reed de eerste tram over de brug. In 1945 werd de brug door de Duitsers verwoest. De brug werd herbouwd en in 1946 weer opnieuw in gebruik genomen. Op de torens van de brug staan vier roofvogels: de turul. Deze vogel speelde een belangrijke rol in de Hongaarse mythologie. We liepen de Vrijheidsbrug over en kwamen zo in het stadsdeel Boeda. We liepen de bosrijke en steile Géllertheuvel op. en eindigden op de top (235 m) bij het Vrijheidsbeeld.

De berg dankt zijn naam aan de heilige Géllert die hier door de heidense Magyaren een marteldood vond. Op de plaats waar Géllert in een dichtgemaakt vat van de rotsen af naar beneden werd gegooid, staat nu een beeld van hem. Tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Hongaarse revolutie in 1956 was de Géllertheuvel de plek waar vandaan de stad door de Russische tanks beschoten werd. Op de top van de heuvel. Op 235 meter hoogte, staat het Vrijheidsbeeld (Szabadság Szobor). Het monument werd opgericht door het Rode leger om hun overwinning in de Tweede Wereldoorlog te herdenken. Het veertien meter hoge standbeeld is een vrouw met een palmblad in haar handen.

We liepen wat rond en hadden aan verschillende kanten, een prachtig uitzicht over de stad. Iedere keer opnieuw zagen we andere bekende gebouwen liggen zoals het parlement, de opera, koninklijk paleis en de Matthiaskerk. We liepen de berg af naar beneden en kwamen langs het Koninklijk paleis. We bezochten dit nog niet en liepen door naar de oudste brug over de rivier de Donau. De Széchenyi kettingbrug werd gebouwd van 1842 tot 1849.

Boedapest dankt deze brug aan een graaf István Széchenyi die in 1820 hoorde dat zijn vader in Wenen was overleden. Hij moest naar de andere zijde van de Donau met een pontjesbrug. Echter was deze buiten gebruik door de strenge winter. Hij strandde dus in het Pest gedeelte en kon een week niet verder. Hij kwam toen op het idee om een permanente brug over de Donau te bouwen en dit zou betalen, ongeacht wat de kosten zouden zijn.

In de tijd dat de hangbrug werd gebouwd was het een bouwkundig hoogstandje te noemen. Het was toen met 375 meter lengte één van de langste bruggen van Europa. Aan beide zijden van de brug staan grote leeuwen die de brug bewaken. We liepen deze prachtige brug over en kwamen weer aan de andere kant van de stad uit. Via een lange hoofdweg liepen we in het donker terug naar ons appartement. In het appartement aten we nog een bordje soep met brood voordat we naar bed gingen.

Klungkung

We huurden voor vandaag een privé chauffeur die ons eerst naar een paar mooie tempels zou brengen en daarna af zou zetten in Sanur. We vertrokken op tijd want we wilden proberen om bij de eerste tempel de grote toeristenstroom voor te zijn en dat lukte. Onze chauffeur hield er goed de vaart in en na ongeveer twintig minuten rijden, waren we bij de Pura Gunung Kawi. We moesten om de tempel te betreden een sarong dragen (de volwassenen) en de kinderen een sjerp. We betaalden natuurlijk veel te veel voor de sarongs en later bleek dat je ze bij de ingang gewoon kon lenen. Ach ja, een extra souvenir is ook best leuk.


Om bij de Pura Gunung Kawi te komen moesten we eerst zo’n 260 traptreden afdalen. Onderweg hadden we een mooi uitzicht over de vallei met prachtige rijstterrassen. We werden meerdere malen gepasseerd door de lokale bevolking die offers gingen brengen bij de tempel. De vrouwen dragen de offers in rieten manden op hun hoofd, heel knap. Beneden staken we de oude stenen brug bij rivier de Pakerisan over en kwamen bij het tempelcomplex waar je de rotstempels vindt. Het bleken tien hoge uitgehakte candi’s (beelden) in de rotsen te zijn die dateren uit de 11e eeuw.


Pura Gunung Kawi

Men dacht dat het grafmonumenten waren maar dat klopt waarschijnlijk niet. Men denkt dat ze ter ere van de Koninklijke familie van de Udayana-dynastie zijn gemaakt. Bij de tempels zelf werden er voorbereidingen getroffen voor de vollemaanceremonie van morgen. Het vlechten van offermandjes, vlaggen en bloemenkransen is een taak die behoorlijk tijdrovend is. Op de terugweg naar boven kochten we nog een klein souvenir, een ketting met een munt er aan. Onze volgende stop was bij de Hindoeïstische Pura Tirta Empul tempel. De tempel werd gebouwd in het jaar 962 ten tijde van de Warmadewa-dynastie.


Weer een nieuw souvenir.

De tempel is bekend vanwege haar heilig water dat uit een nabijgelegen bron komt en dat gebruikt wordt voor reinigingsrituelen. Vele Balinezen komen hier jaarlijks om rijstoffers te brengen, te bidden en zich onder te dompelen in het heilige water. De mensen reinigen zich in het water voor hun gezondheid en geluk. We volgden op gepaste afstand het reinigingsritueel van een familie en twee jonge jongens. Het was interessant om te volgen en te zien. Na deze tempel gingen wij op weg naar paleis van Klungkung. Onderweg stuitten wij op een belangrijke en laatste plechtigheid in het leven van de Balinees namelijk de crematie. We zagen de voorbereiding van de processie waarbij de kist van de overledene door dragers naar de begraafplaats zou worden gebracht. De hele familie en alle mensen uit het dorp of wijk lopen mee in de stoet, net als een band en onderweg worden liederen gezongen.

Er wordt van alles gedaan om de overledene voor te bereiden op het hiernamaals. De straten worden hiervoor tijdelijk afgezet. Zo kan iedereen waardig afscheid nemen van de overledene. Uiteindelijk wordt het lichaam en allerlei offergeschenken open en bloot verbrand. Enkele uren later wordt de as uitgestrooid. Voor de crematie wordt het lichaam vaak tijdelijk begraven bij een tempel want crematies zijn vrij duur. In rijke families wordt het lichaam vrij snel verbrandt na het begraven maar in armere gezinnen kan dit soms langer duren. Sommige families wachten net zolang tot er voldoende geld is voor de crematie. De hele arme mensen maken gebruik van een Koninklijke crematie waarbij soms wel meer dan honderd lichamen te gelijk worden gecremeerd, dit is gratis.

Tegen 11:00 uur arriveerden we in Semarapura waar wij de overblijfselen van het historische Klungkung paleis zouden bezoeken. Bij het verlaten van de auto stapte Keyro in een diep gat en haalde hij zijn been lelijk open. Het was gelukkig een oppervlakkige schaafwond maar zijn been inclusief de wond was bedekt met gesmolten teer van het asfalt. Met veel doekjes wist hij het zelf redelijk schoon te maken. We betraden het paleis dat werd beschouwd als het hoogste en meest belangrijke van de negen koninkrijken van Bali uit de late 17e eeuw tot 1908. Het paleis werd verwoest tijdens de Nederlandse koloniale verovering. Het paleis werd gebouwd in een vierkante vorm met de belangrijkste poort naar het noorden. Het werd verdeeld in een aantal blokken voor verschillende rituelen en functies. Het Bale Kambang (drijvende paviljoen) is het hoogtepunt van de gebouwen die er nog staan.


Klungkung

Het Kerta Gosa is het Paviljoen van de gerechtigheid. Rechters losten hier problemen op die niet binnen families of dorpsgemeenschappen konden worden opgelost. Op het plafond zijn tekeningen geschilderd die duidelijk moeten maken wat het verschil is tussen goed en kwaad en wat je straf zou kunnen zijn. We bezochten ook het kleine museum met onder andere oude Hollandse kranten en veel militaire spullen. Na ons bezoek aan het paleis reden we in één keer door naar de badplaats Sanur. Het eerste hotel waar we gingen vragen om een kamer had niets meer beschikbaar. Onze chauffeur vroeg naar onze prijsklassen en wist een leuk hotel.

Bij Hotel Bumas hadden ze nog wel een kamer voor ons beschikbaar. We moesten alleen even wachten want de kamer werd net schoongemaakt. Ondertussen doken Keyro en ik in het zwembad. We hadden hier niet één maar twee zwembaden om uit te kiezen. We liepen rond 14:30 uur richting het levendige centrum van Sanur met allemaal barretjes en restaurants. Sanur was vroeger een klein vissersplaatsje aan de zuidoost kant van Bali maar groeide door de komst van toeristen. Het traditionele karakter van de stad heeft het echter redelijk weten te behouden doordat de overheid heeft besloten dat de gebouwen niet hoger dan vijftien meter mogen zijn.


Strand bij Sanur.

We gingen bij een restaurant iets eten en bestelden laksa (curry en vis noodlesoup), bakso (noodlesoup) en twee keer mie goreng. Na de late lunch vertrokken we naar het strand dat achter de hoofdstraat, hotels, restaurants en winkels ligt. Langs het 5 kilometer lange strand loopt een voet/fietspad zodat je er heerlijk kunt flaneren. De zee bij Sanur is kalm en ondiep. Het was eb en er waren brede stroken zanderige modder met hier en daar wat koraal zichtbaar. Wij doken meteen in het zand om te graven en te bouwen. In de avond besloten wij om het rustig aan de doen en lekker in het hotel te blijven. Pappa en mamma hadden een afhaalrestaurant gezien en daar haalden ze rond een uur of acht wat te eten. Op het bed aten we van de mie goreng, nasi goreng, nasi campur en loempia’s terwijl we een film keken die we niet konden verstaan, haha.

Legongdans


Na alle dagen vroeg opstaan, konden we eindelijk eens een keer blijven liggen totdat we vonden dat we genoeg geslapen hadden. We wasten ons, kleden ons aan en gingen naar de gemeenschappelijke ruimte voor het ontbijt. We kregen een lekker omeletje en Ronac was helemaal blij dat hij eindelijk weer melk kon drinken in de ochtend. Hij ging het zelfs helemaal alleen in het Engels bestellen bij de serveerster. Knap van hem hoor!


De twee clowtjes in de tuin van onze accomodatie.

Na het ontbijt haalden we onze zwembroek en doken we het zwembad in. We brachten er een paar uur door met het opduiken van onze duikschijven. In de middag besloten we om Ubud een beetje te verkennen. Het dorp is centraal gelegen in het midden van Bali. De naam Ubud komt van het Balinese woord “ubad” dat medicijn betekent. In de begin periode was Ubud een gehucht maar in 1930 werd er onder leiding van vorst Sukawati begonnen met de bouw van een hotel. In 1936 begonnen een aantal kunstenaars de schilders organisatie en sindsdien groeide het dorp.


Waterpret in het zwembad van Sagitarius.

We liepen de Jalan Monkey Forest af en doken een zijstraatje in. We liepen meteen tegen groene rijstvelden aan. We aten bij een restaurantje dat gelegen was aan zo’n rijstveld. Terwijl wij genoten van heerlijke sapjes, kip met cashewnoten, nasi campur en spaghetti speelden de lokale kinderen met in een vlieger in het rijstveld. Na het eten vervolgden we onze verkenningstocht door Ubud. Opvallend is dat men op Bali overwegend hindoeïstisch is en dat zie je duidelijk terug in het straatbeeld. Overal zijn tempels en zie je mensen die dagelijkse offers brengen. De offers zijn meestal rijst, deeg, bloemen of vruchten en deze zijn verpakt in palmblad. Zelfs op straat, bij winkels, huizen en restaurants zie je de offers liggen. Het zijn vooral de vrouwen die de offers brengen om de geesten tevreden te stellen.


Offers die we overal langs de weg zagen.

Aan de hoofdstraat (Jalan Raya Ubud) tussen winkels, cafés, restaurants en hotels ligt het Puri Saren Agung. Het paleis van de oude koningen wordt ook wel ‘waterpaleis’ genoemd. Het werd gebouwd in de zestiende eeuw. In de jaren 30 van de vorige eeuw, dus al voor de Indonesische onafhankelijkheid, werd het koningshuis afgeschaft. Het paleis is te bezichtigen maar was tijdens ons bezoek voor het grootste gedeelte afgesloten vanwege een lokale ceremonie. Op de terugweg kochten we van straatverkopers kaartjes voor een dansvoorstelling. We gingen eerst terug naar het hotel en relaxten wat. De dansvoorstelling begon om exact 19:30 uur in Balai Banjar Ubud Kelod.


Op Bali kun je verschillende dansvoorstellingen bezoeken en wij hadden gekozen voor de Legongdans. Al op jonge leeftijd leren meisjes maar soms ook jongens de kunst van het traditioneel dansen. De dansen zijn vaak honderden jaren oud en worden gebruikt bij tempelfeesten of andere plechtigheden. Het verhaal van de Legongdans gaat over een prinses in de 12e eeuw die op zoek is naar haar prins. Meestal wordt er door twee meisjes gedanst. Wat ons opviel was de manier waarop de voeten worden neergezet tijdens deze dans. Ook de handgebaren en gezichtsuitdrukkingen zijn vaak vol drama en expressie.


De dans werd begeleid door het gamelanorkest. Er kwam een flink volume uit de instrumenten en soms moesten we de handen voor onze oren houden. De hele voorstelling keken wij met open mond en gingen we volledig op in de dans, de muziek en de mooie meisjes. Na de voorstelling zijn we bij één van de vele restaurants aan de Jalan Monkey Forest gaan eten. Er kwamen enkele specialiteiten uit de regio op tafel zoals babi guling (geroosterd speenvarken) en bebek bengil (geroosterde eend).

Onafhankelijkheidsdag

We waren op tijd wakker en hadden nog tijd over om te ontbijten. We konden kiezen uit toast met jam of bananenpannenkoeken. Een simpel ontbijt wat we toch met smaak op aten. We vertrokken rond de klok van 8.15 uur. In de buurt van Aimere zagen we bij mensen thuis het proces om de sterke drank arak te maken. De oorsprong van arak ligt in Arabië en daar vandaan is het via Sri lanka naar Indonesië gebracht. Het wordt gemaakt van het sap uit palmsuiker van de kokospalm. Het wordt gestookt tot een alcoholpercentage van 30 en 50 %. De smaak ligt tussen whisky en rum. De arak wordt in Indonesië vaak puur gedronken maar meestal wordt het in cocktails of punch gebruikt.


Op de foto met onze chauffeur Elvis (rechts) en zijn vriend 

We hadden deze keer een vroege lunch (11:30 uur). Edison had Elvis een goed adres gegeven waar we geroosterd varkensvlees konden eten. Het was ook meteen het enige gerecht op de menukaart. Toen het vlees geserveerd werd, leek het erg veel op de babi merah die Jong (de Indonesische moeder van Nicole) vaker voor ons heeft gemaakt. Het varkensvlees was felrood gekleurd, geroosterd en werd geserveerd met nasi putih (witte rijst), groenten en sambal. Een heerlijk gerecht dat goed smaakte.

Met goed gevulde maag vervolgden we onze weg in de richting van Ruteng. Vandaag werd in Indonesië de zeventigste Onafhankelijkheidsdag gevierd. Overal vonden ceremonies, feesten en activiteiten plaats om te vieren dat Indonesië in 1945 onafhankelijk werd van Nederland. We hadden er wel een beetje een dubbel gevoel bij. Onderweg zagen we veel rode en witte versieringen, de kleuren van de Indonesische vlag. We stopten in de Manggarai provincie bij een dorp om even naar de feestelijkheden te kijken.


hooggeerde gasten.

Terwijl we stonden te kijken kwam er een jongen aanlopen die ons in het Engels uitnodigde om samen met de burgemeester en commissaris van de politie de ceremonie bij te wonen en van dichtbij mee te maken. Het werd een geweldige en bijzondere gebeurtenis. Alles wat er gebeurde werd in het Engels toegelicht. Eén man sprak zelfs Nederlands en we werden door iedereen als eregasten behandeld. We zagen de uitvoering van de caci, het traditionele zweepgevecht van de Manggarai.


De krijgers zijn uitgedost met een typisch gehoornd hoofddeksel en bewapend met zweep en een groot schild gemaakt van buffelleer. De twee rivalen gaan het gevecht aan en worden begeleid door het ritme van instrumenten en gezang. De winnaar is degene die de fysieke en spirituele verdediging van de tegenstander weet te doorbreken. Littekens opgelopen tijdens het gevecht worden zorgvuldig gekoesterd en gezien als kenmerk van mannelijkheid. Bloed uit zo’n wond is een offer aan de nitu, de geesten van de voorouders.

Iedereen wilde na afloop met ons op de foto en het kostte moeite om deze feestelijkheden achter te laten en verder te reizen. Niet ver van Ruteng bezochten we het Ranamese meer wat ‘groot meer’ in de lokale taal betekent. Het meer is omgeven door regenwoud en was ooit een kratermeer. Om het terrein te mogen betreden moesten we “smeergeld” betalen en de bedragen variëren iedere keer, volgens Elvis. Een duidelijk staaltje van corruptie in dit land.


Aan het einde van de middag (15:30 uur) arriveerden we bij het FX72 Hotel. Het hotel is prachtig gelegen midden tussen de bergen en de rijstvelden. Het uitzicht was adembenemend. Het hotel is nog niet zo heel lang geopend en is gehuisvest in een oud schoolgebouw. We kregen een kamer op de tweede etage met een dubbel bed en een matras op de grond. Wij hadden geen zin om nog wat te doen en wilden alleen maar op de tablet of Nintendo spelen. Pappa en mamma lieten ons in de kamer en gingen een stukje lopen tussen de rijstvelden bij het hotel.


Voetballen op het rijstveld.

Ze kwamen enthousiast terug dat er kinderen met ons wilden voetballen. Dat lieten we ons geen tweede keer zeggen. We trokken de schoenen aan en gingen met ze mee. Op een rijstveld naast het hotel waren een heleboel jongetjes aan het voetballen. We werden direct uitgenodigd om mee te doen en ze wilden onze naam en leeftijd weten. In het begin was het even wennen want de bal was wat zacht en de ondergrond (rijstveld) voelde heel anders aan dan een grasveld. De kinderen hier zijn aan de omstandigheden gewend en er waren er een paar met veel talent.

Het was echt super leuk en ik wist van geen ophouden. Af en toe moesten we opletten dat we de bal niet kwijt raakten in de stroming van het irrigatiesysteem rond de rijstvelden. Pappa ging terug met Ronac en mamma bleef bij mij. Toen de zon onder was, moest ik echt mee terug naar het hotel. Jammer dat we hier maar één nachtje blijven want ik had nog wel een keer willen voetballen. We aten in het restaurant van het hotel maar vonden de gerechten (o.a. mie goreng en kip) allemaal een beetje tegenvallen. Tja, ook dat kun je een keer hebben. Natuurlijk keken we nog even een filmpje voordat we moe maar voldaan gingen slapen.

Wayangvoorstelling

We werden wakker rond de klok van 8:00 uur net zoals normaal dus. We keken uit het raam en zagen overal huizen en winkelcentra. We deden rustig aan en wachtten tot onze contactpersoon kwam om de betaling te regelen. Hierna liepen we naar beneden om een taxi aan te houden die ons naar het Wayang Museum zou brengen. Vanuit de taxi lieten we alles van deze metropool op ons inwerken. Jakarta is de hoofdstad van Indonesië en ligt aan de noordwestkust op het eiland Java. Met zijn circa tien miljoen inwoners (waarschijnlijk zelfs meer) is het direct de grootste stad in het land. Wij zouden maar één dag in Jakarta blijven en dat was vooral om een beetje te relaxen, te acclimatiseren (wennen aan de warmte) en om bij te komen van de lange vlucht.

De stad heeft een lange geschiedenis en stond onder verschillende namen bekend. De oude naam van de stad was Sunda Kelapa. In juni 1572 werd de naam van de stad verandert in Jayakarta, wat nu Jakarta is. Sunda Kelapa is niet de enige naam die de stad heeft gehad. Jakarta is ook in Nederlandse handen geweest en kreeg de naam Batavia. Tijdens de Japanse bezetting in 1942 werd de naam verandert in Djarkata. In 1972 is de spelling opnieuw gewijzigd en werd het Jakarta. De stad was druk, chaotisch, veel smog (luchtverontreiniging) en er leven veel mensen in armoede. Het verkeer in Jakarta is een groot probleem. De wegen zijn vol met auto’s, bussen, brommers en motors die kriskras door elkaar rijden en onze rit met de taxi duurde veel langer dan verwacht. We zagen mensen met mondkapjes tegen de luchtvervuiling en hele gezinnen van vier personen op één brommer, levensgevaarlijk zou je zeggen.


Op veel plaatsen aan de toch al drukke straten stonden mobiele etenskarren, ook we kaki lima genoemd. Letterlijk betekent dit vijf voeten, de wielen, een houten steun en de benen van de verkoper. Er wordt de gehele dag een variatie aan eten verkocht. Meestal verkoopt de kaki lima één soort warme maaltijd (bijvoorbeeld mie bakso, gado, gado, saté), snack (bijvoorbeeld pisang goreng, kroepoek) of drank. Onze taxichauffeur zette ons af bij Jalan Pintu Besar Utara, het beging van één van de weinige autovrije zones in het centrum. We liepen de straat af en kwamen uit bij het Taman Fatahilla plein. Het plein was in de VOC-tijd het stadhuisplein. Met behulp van UNESCO zijn verschillende koloniale gebouwen rond het plein gerestaureerd. In het oude stadhuis is hedendaags het Jakarta City Museum gevestigd. Op het plein was het heel druk. Er werden fluorescerende fietsen met bijbehorende zonnehoeden verhuurd en de lokale mensen maakten enthousiast een slingerend rondje over het plein. Opvallend was de grote hoeveelheid moslima’s. In Indonesië zijn verschillende bevolkingsgroepen zoals Moslims, Christenen, Katholieken en Hindoes.

Verschillende groepen betekent ook dat er meerdere religies (godsdiensten) in het land zijn.De grote meerderheid van de Indonesische bevolking is moslim. Met meer dan 200 miljoen moslims is Indonesië zelfs het grootste islamitische land ter wereld. In de 15de eeuw kwam Indonesië in aanraking met de Islam. Vooral de eilanden Java, Sumatra en Maluku gingen over naar deze godsdienst. Toch lijkt de islam hier niet direct op de Arabische versie van de islam. Regionale tradities en het oude geloof werden vermengd met de islam en zo ontstonden er verschillende variaties. Zo hebben vrouwen hier meer rechten en vrijheden dan in andere Islamitische landen. Een aantal keren werden wij gevraagd om met lokale toeristen op de foto te gaan. Een grote groep moslima’s bedankten mij zelfs met “We love you” alleen omdat ik met ze op de foto ging. We liepen naar het Wayangmuseum dat ook aan het plein gevestigd is.


Er was net een wayangvoorstelling begonnen dus besloten we eerst daar naar toe te gaan en later het museum te bezichtigen. Terwijl pappa en mamma met een meneer van het museum stonden te praten, hij sprak zelfs Nederlands, voelde ik mij even niet zo lekker. Ik had erg veel last van de warmte en begon buikpijn te krijgen en te zweten. We werden naar de voorstelling gebracht en mochten helemaal vooraan gaan zitten op het podium en niet op de speciaal opgestelde stoelen. Gelukkig stond er een airco en voelde ik me daarna wat beter worden. Op Java kent men de traditionele wayangvoorstelling en het is van oudsher een volksvermaak. Het is een gebeurtenis waar alle rangen en standen, jong en oud, arm en rijk elkaar ontmoeten. Het spel met de platte leren poppen, de wayang kulit, is al zeer oud en bestond al vóór het jaar 900. Families kwamen vroeger bij elkaar om naar de voorstellingen te kijken waar, door middel van de poppen, hun voorouders als schimmen weer tot leven werden gebracht. Aan het begin van de voorstelling werd een groot, zeer fijn kunstig uitgesneden bladvormige figuur op het scherm getoond, de gunungan. Het blad wordt gebruikt om het begin, de pauzes tussen de verschillende scènes van het verhaal en het einde van de voorstelling aan te geven. De dalang, in ons geval een jonge jongen, was tegelijk de verteller, de regisseur en de vertoner van het wayangspel. Hij bracht de poppen tot leven door ze allerlei schaduwbewegingen te laten maken tussen een fel brandende lamp en het scherm.

Soms werden er twee, soms zelfs vier poppen tegelijk omhoog gestoken en liet hij hun ledematen bewegen met behulp van stokjes. Het verhaal waarbij de poppen hun bewegingen maken, werd begeleid door een gamelanorkest. Het geluid wat het orkest produceert is enorm en af en toe moest ik echt even mijn oren dicht houden. Omdat wij niets konden verstaan of begrijpen van wat de jongen vertelde, moesten wij onze fantasie een beetje gebruiken. Ronac was hier een stuk beter in en wilde voor mijn gevoel uren blijven kijken. Volgens ons leek het verhaal te gaan over de tegenstelling goed en kwaad. In de loop van het verhaal leek het kwaad de overhand te krijgen en dat de boze geesten zouden zegevieren. Maar aan het einde verscheen dan toch de held die het verhaal een zodanige wending gaf dat uiteindelijk het goede kon overwinnen. Na de voorstelling liepen we door het museum waar verschillende wayangpoppen stonden tentoongesteld. We zagen de wayang kulit die ook werden gebruikt in de voorstelling. Deze poppen zijn met de hand gemaakt van buffel- of geitenleer en zijn zeer gedetailleerd gemaakt met veel versieringen. Ook waren er de wayang klikit, dit zijn platte houten poppen die meestal gebruikt worden voor historische verhalen. Bij hun spel wordt geen scherm gebruikt, zij worden als pop vertoond. Dat gebeurt ook bij de bij velen bekende wayang golek, de poppen met de rondhouten koppen die meestal prachtig beschilderd zijn. Er waren ook collecties wajang en poppen uit andere landen zoals Maleisië, Frankrijk en India.


Na het museumbezoek liepen we een rondje om het plein op zoek naar een restaurant om te kunnen lunchen. We kwamen uit bij restaurant Djakarte. Op de kaart hadden ze poffers met ijs staan die bestelden Ronac en ik natuurlijk. Pappa en mamma namen de mie goreng (gebakken noedels). Ronac had een apart drankje besteld. Het was water met aardbeien en het werd niet geserveerd in een glas maar in een jampotje, grappig. Na de lunch zochten we een taxi om terug te gaan naar het appartement. We brachten de rest van de middag door in het uitgestrekte zwembad dat onder de vijf hoge appartementencomplexen door loopt.

Het zwembad was gedecoreerd met mooie beelden van vissen, krokodillen en schildpadden. In de avond liepen we naar de Mall of Indonesia direct aan de overkant van ons appartement. In het winkelcentrum waren natuurlijk een heleboel winkels maar ook restaurants en kinderattracties. Ook vonden we hier een bank om te kunnen pinnen. Pappa en mamma’s portemonnee waren na het pinnen super dik en we waren miljonair. De munteenheid waarmee betaald wordt, is de Indonesische roepia (rupiah). Je kunt daar als hoogste bedrag 2.000.000 (2 miljoen) roepia pinnen. Nu is dat een hele pak geld voor ons uiteindelijk niet zo veel waard. Omgerekend is 2 miljoen roepia ongeveer € 140,00. We aten bij het foodcourt en iedereen kon zelf kiezen wat hij of zij wilde. Mamma en pappa namen saté en nasi campur, Ronac had mie goreng en ik nam kebab. Het smaakte goed en was niet duur. Na het eten kregen we nog een ijsje en dat was in verhouding wel weer prijzig. We gingen niet te laat naar bed want we moeten vannacht al om 3:00 uur weer op om naar het vliegveld te gaan voor onze binnenlandse vlucht naar Maumere.

Dag 16; Vøringsfossen; Flåmsbane

Het was vroeg vanmorgen maar het zonnetje scheen al vrolijk naar binnen. Ik was om 6:30 uur al wakker en kon niet meer in slaap komen. Het beloofde een mooie dag te worden. Ik stond op, moest plassen en samen met mamma ging ik naar het sanitairgebouw. We besloten om ons maar direct te wassen en aan te kleden. In tegenstelling tot de andere campings kon je hier wel gratis douchen in de nieuwe douches. Pappa en Keyro hadden meer moeite met opstaan maar uiteindelijk waren we rond half acht klaar voor vertrek. We wilden al vroegde ferry halen anders moesten we weer langer wachten.

We waren ruim op tijd in Dragsvik en konden na vijf minuten wachten aan boord van de ferry naar Vangsnes. De ferry voer over het Sognefjord, het langste fjord van Noorwegen. Veel meer dan het uitzicht vanaf de boot, zouden wij niet zien van het bekende fjord. De tocht duurde ongeveer 20 minuten en we genoten van het uitzicht. We vervolgden vanaf Vangsnes onze weg langs het Sognefjord. Bij het plaatsje Vik verlieten we de weg langs het fjord om wat landinwaarts te rijden naar Hopperstad. We bezochten bij Hopperstad een van de weinig overgebleven staafkerken van Noorwegen.

De staafkerk (stavkirke) bleek een geheel uit hout opgetrokken kerkgebouw. Het had een typische bouwstijl die vooral in Scandinavië ziet. De staafkerken deden hun intrede in de tijd dat het Christendom in Noorwegen werd verspreid. De staafkerk van Hopperstad dateert uit 1140 en verkeert nu na restauratie in goede staat.

Een Noorse jongen met Nederlandse ouders gaf ons een korte rondleiding in het Nederlands. Binnen zagen we de houtenconstructie van de staven, de galerij en het altaarbaldakijn. Het houtsnijwerk en de motieven hiervan gaan terug tot aan het Vikingentijdperk. Zo zie je in het dak van de kerk drakenkoppen en dezelfde structuur als bij een Vikingschip. We vervolgden weg RV13 (Riksvei) en het was een van de mooiste routes die we tot nu toe gereden hadden.

We reden over een slingerende bergweg tussen de meertjes, de rotsblokken en sneeuwresten door. Natuurlijk stopten we even om met onze korte broeken en slippers in een laag sneeuw langs de kant van de weg te kunnen staan. We hadden eigenlijk een stuk willen lopen maar daar hadden we geen tijd voor. Bij Vinje verlieten we RV13 en namen we de E16 naar het plaatsje Flåm.

Het plaatsje is gelegen aan het Aurlandsfjord en is bekend om de Flåmsbane, de zeer beroemde spoorlijn die hier begint. De trein van 12:30 uur was volgeboekt en wij kochten een ticket voor die van 13:30 uur. We deden wat boodschappen en aten onze lunch bij een restaurant. Een kwartier voor vertrek liepen we naar de gereed staande trein. Er was al een lange rij van toeristen die allemaal in wilden stappen. Het treinstel waar wij in moesten zat al flink vol en een plekje bij elkaar was niet mogelijk. Gelukkig konden we wel met twee personen bij elkaar zitten.

Ik zat met mamma bij een aardig Nederlands koppel en ze lieten mij zelfs bij het raam zitten. Keyro en pappa zaten in het midden en konden maar weinig zien. De Flamsbaan (Flåmsbane) is met een hellingspercentage van gemiddeld 5,5% één van de steilste spoorlijnen ter wereld. Het wordt gezien als Noors meesterwerk. De aanleg van de lijn heeft in totaal 20 jaar geduurd en werd in 1940 geopend. De lijn loopt tussen Flåm en Myrdal en de treinreis duurt in totaal een uur enkele reis. De uitzichten zouden uitzonderlijk mooi moeten zijn maar dat viel ons een beetje tegen.

Nu regende het wel maar toch, we hebben echt mooiere plekken gezien. Halverwege konden we de trein even verlaten om te kijken bij de imposante waterval Kjosfossen. Er werd een hele show van gemaakt door muziek en danseressen. Mooi maar wel erg toeristisch en overdreven. De terugweg verliep hetzelfde maar toen konden we gelukkig wel bij elkaar zitten en konden pappa en Keyro ook naar buiten kijken. Achteraf was de treinrit wel aardig maar volgens ons erg overgewaardeerd en toeristisch.

We reden de E16 terug en namen bij Vinje de afslag op de RV13 in de richting van Voss. We speelden een tijdje op de Nintendo en ik sliep zelfs een lange tijd. Bij Eidfjord namen we de nieuwe brug over het Hardangerfjord en de verschillende tunnels want de veerboot werd in 2013 opgeheven. De Hardangerbrug overspant het Eidfjord, een deel van het Hardangerfjord en is de enige vaste oeververbinding over het fjord. De brug is 1.380 meter lang en zag er enorm uit, wat een constructie!

Aan beide zijden was een tunnel en in één ervan was zelfs een rotonde aangelegd. We hoorden op de navigatie: “neem bij de rotonden de derde afslag…”. We lachten erom want we reden in de tunnel en dat kon toch niet? Nou het kon dus wel! Even later reden we door een wel hele vreemde tunnel die leek op een soort slakkenhuis waar je doorheen reed. We kwamen langs de Vøringfossen waterval waar we morgen naar toe willen en niet veel later zagen we aan de rechterkant de Garen camping voor de komende twee nachten liggen. Ons hutje was sfeervol en gezellig en had een prachtig uitzicht over het riviertje en het dal. We hadden al snel ontdekt dat er voldoende kinderactiviteiten te doen waren, een ruim en groot speelveld, trampolines, een schaakspel etc.

We speelden met de 13-jarige Nederlandse Esther en haar grote 16-jarige broer Daniel. Tussendoor gingen we even wat eten in de hut. Omdat we vanmiddag al warm hadden gegeten, werd het vandaag makkelijk soep met broodjes en gebakken ei. Na het eten konden we nog een tijdje buiten spelen totdat pappa en mamma het tijd vonden om naar bed te gaan.

Dag 3; Halden; Oldtidsveien

Na een warme en plakkerige nacht werd ik om de klok van 08:10 uur wakker. Ik klom uit mijn bed en ging gezellig bij mamma liggen. Samen wachtten we tot Keyro en pappa ook wakker werden. We liepen om de beurt naar de wasruimte om onze tanden te poetsen, te wassen en een plasje te doen. We aten deze morgen Kellogg’s als ontbijt en deden het rustig aan. Rond 10:30 uur vertrokken we in de richting van Fredrikstad. We reden eerst in de richting van Skejeberg waar de Oldtidsveien, de weg van de oudheid, begint. In de omgeving langs deze weg zijn in de prehistorische tijd rotstekeningen gemaakt.


Wij stopten bij de archeologische vindplaats van Fra Begbyfeltet De vindplaats lag verscholen tussen de weilanden en een groep bomen. Ik besloot vandaag de leider te zijn en iedereen moest mij volgen. Als snel zagen we de circa 5000 jaar oude tekeningen uitgehakt in de rotsen. De tekeningen waren ingekleurd met rode verf om ze beter zichtbaar te maken. De betekenissen zijn niet helemaal duidelijk en ook niet waarom ze zijn gemaakt. Op de tekeningen stonden onder andere schepen en dierenfiguren. We liepen verder via vlonders en zagen nog meer tekeningen.

We kwamen op een stukje open vlakte waar een grote boom stond waar we in konden klimmen. Ook hing er in de andere boom een schommel. Keyro ging op de schommel zitten en ik duwde hem. Terwijl pappa en mamma nog wat informatie lazen op de borden vonden Keyro en ik een put met water er in. We pakten een stok om in de put te roeren. Volgens pappa was het een trollenpot en roerden we in de trollensoep. Pappa met zijn rare ideeën en grote fantasieën.

Na deze korte en leuke wandeling reden we door naar het historische centrum van Fredrikstad. We parkeerden de auto net buiten het centrum op een parkeerplaats van een zwembad. Er stonden geen duidelijke borden en geen parkeerautomaat. Pappa en mamma gingen er maar vanuit dat het gratis parkeren was al was mamma toch een beetje zenuwachtig en bang dat we misschien een parkeerboete zouden krijgen. Nog geen vijftig meter verder was een grote betaalde toeristen parkeerplaats maar we lieten de auto toch daar staan. Te voet liepen we naar “Gamlebyen”, de oude stad. We kwamen langs een glasblazerij en namen binnen een kijkje. We zagen hoe op de traditionele manier glas wordt geblazen. Voor deze ambacht moet je een moeilijk techniek beheersen en heb je een hoop geduld nodig. De voorwerpen werden gemaakt door lucht te blazen in roodgloeiend vloeibaar gemaakt glas. Door te blijven draaien aan de buis krijgt het glas een bepaalde vorm. Het was interessant om te zien.

We vervolgden onze wandeling door de oude vestingstad. Fredrikstad ligt aan het Oslofjord en aan de monding van de langste rivier van Noorwegen, de Glåma. De stad ligt 30 kilometer van Zweden en werd gesticht door Koning Fredrik II om de bewoners te beschermen tegen de Zweden. De Gamlebyen werd beschermd door stadsmuren en vestinggrachten.

Langs het water bleek een festival aan de gang te zijn. Het bleek te gaan om de Internationale Tall Ships Race. Dit jaar waren er 65 historische en moderne Tall Ships uit 1

5 landen vertrokken uit het Nederlandse Harlingen (Friesland) voor de zeiltocht. Een maand lang gaan de schepen een sportieve strijd met elkaar aan. De eerste haven die de Tall Ships aan doen was Fredrikstad en daar lagen de schepen nu voor anker. Het was een prachtig gezicht al die schepen en het zorgde voor feestelijke festiviteiten die zich vooral aan de overkant in het nieuwe gedeelte van Fredrikstad afspeelden. Ik wilde daar graag naar toe maar er stond en flinke wachtrij voor de veerboot en daar hadden de anderen geen zin in.

Je kon ook aan boord gaan van diverse schepen voor bezichtiging maar dat wilden wij niet. We hadden ondertussen flinke honger gekregen en wilden liever iets gaan eten. Bij een klein café/restaurantje bestelden we drie hamburgers en een hotdog voor pappa. Wij kregen een braincooler (wij kennen het als Slush Puppie). Het bestaat uit een mengsel van bevroren water met siroop. Het ijs wordt vermalen waarna je het met een rietje op kunt drinken. Na het eten liepen we nog over een mooi plein en bezochten we een oud kerkje. We keerden terug naar de auto en hadden gelukkig geen boete maar wel flink wat Kronen parkeergeld uitgespaard. Op de terugweg stopten we bij een archeologisch vindplaats waar we oude grafheuvels en grafcirkels zagen. Er stonden grote grijze stenen, ook wel monolieten genoemd in een kring om de grafheuvel. Hier werden in de oudheid mensen begraven en was dit hun laatste rustplaats. Ik had totaal geen zin om te lopen en was een beetje dwars. Pappa bedacht een spelletje om mij te laten lopen. Mamma was vooruit gelopen en we speelden soldaatje om haar te overmeesteren.

Keyro en ik verstopten ons achter de stenen zodat mamma ons niet zou zien. Uiteindelijk kreeg zij flink de schrik te pakken toen ze ons niet zag. Met veel gegiechel hadden wij ons verstopt achter een monoliet en sprongen toen te voorschijn: gefopt! De terugweg naar Halden reden we via de snelweg en daar gingen we langs bij de supermarkt Coop. De prijzen hier in Noorwegen zijn gemiddeld twee tot drie keer zo veel dan in Nederland. Zo betaal je voor een heel brood bijvoorbeeld NOK 30 = € 3,50 en zagen wij een doosje aardbeien voor NOK 90 = € 11,00. Wij zijn gelukkig slim geweest en hebben ook het een en ander aan boodschappen uit Nederland mee genomen. We kochten de dingen die we nodig hadden en keerden terug naar onze hytter bij de fredriksten Camping.

Terwijl pappa en mamma het avondeten gingen bereiden speelden wij met Mathijs onze nieuwe overbuurjongen. We gingen samen voetballen en wat rondhangen. Ondanks dat Mathijs al dertien jaar oud is, hadden wij allebei meteen een leuke klik. Al snel hoorden we dat hij dezelfde route deed als ons en we hem nog wel een paar keer tegen zouden komen op andere campings. Ons avondmaal bestond vandaag uit fajijtas met kip, courgette, maïs, kidneybonen en guacamole. De afwas lieten we deze keer aan mamma over en we speelden nog een lange tijd buiten. Het wordt hier veel later donker dan in Nederland dus dat is een groot voordeel. Morgen gaan we deze camping verlaten om verder te rijden in de richting van Lillehammer.

Dag 2; Halden; Fredriksten Festning

We werden om 7:15 uur uit onze diepe slaap gewekt door de scheepsradio. De kapitein vertelde dat we rond 9:00 uur de haven van Göteborg in Zweden binnen zouden varen. We gingen ons douchen en kleedden ons aan. We gingen naar het Sun Deck maar eenmaal boven gekomen, begon het net heel hard te regenen. We vluchtten snel weer naar binnen en amuseerden ons nog even in de kids corner. Pappa haalde vlak voor de aankomst nog een kop koffie met een muffin en een glas melk voor Keyro. Iedereen haastte zich naar het Car deck maar wij bleven lang zitten. Uiteindelijk schoot mamma nog in de stress omdat we niet direct de “blauwe” lift konden vinden die ons naar het juiste car deck zou brengen waar onze auto stond. We waren prima op tijd bij de auto en konden vrij snel instappen en de boot afrijden.

De haven van Göteborg, de grootste haven van Zweden, stelde in onze ogen niet veel voor en zag er wat verwaarloosd uit in vergelijking met de haven die we in Kiel hadden gezien. We stonden met alle auto’s en vrachtwagens van de boot in de rij om de snelweg op te komen. We namen eerst de verkeerde afslag maar na snel te draaien, bleek dit nog sneller te zijn. Pappa en mamma hadden besloten om Göteborg niet te bezoeken en meteen richting Noorwegen te rijden. Op de snelweg was het vrij rustig en je mocht er niet harder dan 110 kilometer per uur rijden en op veel stukken zelfs maar 90 kilometer per uur. Pappa zette zijn cruise-control aan om te zorgen dat hij niet te snel zou rijden. De snelweg liep door een mooi groen gebied en overal zagen we stops. Na zo’n anderhalf uur rijden namen we de afslag naar het kustplaatsje Smögen. Het dorp zou een van de best bewaarde vissersdorpen zijn en ligt aan de bekende scherenkust (skärgård) van West Zweden. De kustgebieden hebben vaak ondiep water met kleine rotsachtige eilanden en die worden scheren genoemd. In de zomer zijn er veel toeristen te vinden en dat zagen we ook wel aan de campers en caravans die we op weg er naar toe tegen kwamen. We stopten met de auto op een gratis parkeerplaats net buiten het centrum van Smögen.

De parkeerplaats lag naast de Smögenbron (Smögenbrug) die Smögen verbindt met de plaats Kungshamn. We besloten om van de mooie uitzichten te genieten en niet het drukke centrum in te gaan. We zagen veel bootjes en de pittoreske rood geverfde vissershuisjes. Ook liepen we een tijdje over de rotsen en vonden daar mooie steentjes en skeletjes (scharen en harnas) van krabben. Na deze mooie stop reden we dezelfde weg terug naar de snelweg en vervolgden we onze reis in de richting van Halden. We kwamen het Koninkrijk Noorwegen binnen via de oude Svinesundbrug over het Iddefjord. Inmiddels is er ook een nieuwe boogbrug gebouwd om de oude brug te ontlasten. Voor beide bruggen die Zweden en Noorwegen met elkaar verbinden moest tol betaald worden. Wij hadden via internet de AutoPass aangevraagd omdat veel tolstations onbemand zijn. Nu wordt er een foto gemaakt van je kenteken en krijg je achteraf een afschrijving via je creditcard. Er was op het moment dat wij passeerden niets van een grenscontrole en al snel reden we Halden binnen. De stad deed groter aan dan we hadden verwacht met veel industrie maar het centrum zag er gezellig uit.

Dwars door Halden stoomt de rivier de Trista en in het midden van het centrum ligt een gezellige jachthaven. Boven het centrum van de stad zagen we de Fredriksten Festning liggen. We pinden in het dorp geld, geen Euro’s maar Noorse Kronen (NOK) om mee te kunnen betalen. Het laatste stukje naar de camping ging de weg steil omhoog. We reden de Fredriksten Camping op en gingen naar de resepsjon (receptie). We kregen de sleutel van onze eerste kampeerhut en hoorden waar de douches, toiletten etc. waren. Huisje nummer 10 was klein maar knus en had een slaapzolder. We moesten even zoeken naar een (eet)tafel maar deze bleek omhoog te staan en creëerde zo meer plaats in het huisje. Het begon helaas net wat te regenen maar daar lieten we ons niet door belemmeren. De camping lag in het bos direct naast de Fredriksten Festning. Voor de deur waren direct wandelmogelijkheden met prachtige uitzichten over het Iddefjord en het fort. De regenbui was van korte duur en het zonnetje begon al snel weer te schijnen.

Pappa en mamma zorgden samen voor de avondmaaltijd en die ze moesten bereidden op een elektrisch kookplaatje met maar één pit. Ook hebben we geen stromend water of wasbak in het huisje. Weer eens iets anders en een leuke uitdaging vonden zij. Het was handig dat we zelf nog een elektrische grillplaat hadden meegenomen zodat alles net iets sneller klaar was. De maaltijd bestond uit pasta met courgette, paprika, champignons en gehaktballetjes, lekker! Na het eten wachtte ons een klein karweitje. De afwas moest gedaan worden en wij verrasten mamma door haar mee te helpen. Met een teiltje gevult met vuile borden, pannen, bestek en een theedoek liepen wij naar het wasgebouw. Samen werkten we snel en efficient en was de afwas zo gedaan.

Na de afwas liepen we met zijn vieren naar het Fredrikstenfort. Het fort werd lang geleden gebouwd (de bouw begon in 1658) door de toenmalige Deense koning en wordt ook wel het Gouden Leeuw fort genoemd. Vanaf de vesting konden ze goed buurland Zweden in de gaten houden. Vanaf 1905 werd Noorwegen onafhankelijk en werd het fort niet meer gebruikt. We liepen door het fort en zagen dingen zoals: vestingmuren, munitiemagazijnen, bakkerij, brouwerij en de bastions (uitspringend deel in de vestingmuren). Het was voor ons een grote ontdekking, heel leuk. Ik zag vanaf het fort zelfs onze auto voor het hutje staan! Met mijn ogen is dus niets mis. Ook zagen we een prachtige regenboog die leek te verdwijnen in een eenzaam huisje op een heuvel. Keyro en mamma werden nog even in het schandblok gezet. Het schandblok bestond uit twee planken op een paal en tussen de planken zaten drie gaten. Aan de buitenkant moesten ze hun polsen leggen en in het midden hun hals leggen.

In de Middeleeuwen werd dit als strafmiddel gebruikt toen gevangenisstraf nog niet gebruikelijk was. De veroordeelde werd zo voor iedereen te kijk gesteld en men kon de veroordeelde bespuwen, uitschelden, lijstraffen uitdelen (bijvoorbeeld zweepslagen) en bekogelen met rot fruit of stenen. Natuurlijk gebeurde dat niet echt met mamma en Keyro. Na deze leuke wandeling kregen we een ijsje en maakten we ons op voor onze eerste nacht. Pappa en Keyro gingen in de kantine nog de WK finale tussen Duitsland en Argentinië kijken. Gelukkig was ik al een tijdje in dromenland toen zij Duitsland in de verlenging zagen winnen en in een regenbui naar het huisje terug kwamen. In het huisje was het warm en broeierig. Op de slaapzolder was het helemaal niet uit te houden. Pappa en mamma legden de matrassen van de slaapzolder op de grond en zo was het nog ietsjes aangenamer.

Dag 22; Naar Colombo

Onze laatste dag reisden we via de zuid- en westkust terug naar de hoofdstad Colombo. Onderweg kwamen langs plaatsen waar het nog steeds zichtbaar was welke schade de tsunami had aangericht in 2004. De tsunami, veroorzaakt door een zeebeving, ontstond in de buurt van Indonesië en verplaatste zich over de hele Indische oceaan. De vloedgolf overspoelde o.a. de kust van India, Thailand. Somalië en Sri Lanka. De golven werden groter naar mate ze aan de kust aanspoelden en sleurden werkelijk alles met zich mee. Het maakte veel slachtoffers en liet een grote ravage achter. We zagen kale plaatsen waar vroeger huizen hadden gestaan en waar nooit iets herbouwd is. Ik kan me niet goed voorstellen hoe het geweest moet zijn maar verschrikkelijk is het wel. We stopten bij een monument om de slachtoffers van de tsunami te herdenken.


monument ter nagedachtenis aan de Tsunami van 2004.

Onze volgende stop maakten we aan de zuidkust bij het plaatsje Kosgoda. Deze kleine badplaats staat vooral bekend vanwege de zeeschildpaddenopvang. De stranden zijn een favoriete broedplaats voor zeeschildpadden. Vanwege het uitsterven van de zeeschildpadden worden de gelegde eieren verplaatst naar de opvang waar de gevonden eieren worden uitgebroed. De overlevingskans wordt op deze manier groteren de populatie beschermd. Van de zeven soorten zeeschildpadden in de wereld, worden hier vijf soorten beschermd: de soepschildpad (of groene zeeschildpad), de karetschildpad, de onechte karetschildpad, de warana en de lederschildpad. Tijdens de rondleiding kregen wij de ronde eieren in onze handen en later ook schildpadjes van één dag oud, zo schattig. Ik was er helemaal verliefd op en wilde iedere keer een andere oppakken en vast houden. Wanneer de schildpadden gezond zijn worden ze na een aantal dagen vrijgelaten in de zee.

Helaas zagen we ook een aantal volwassen schildpadden die niet terug konden naar de zee vanwege verwondingen. Zo zagen we een paar schildpadden die een voor- of achtervin misten door een ongeluk met een schroef van een boot. Ook waren er albino schildpadden die te veel opvallen in de open zee en een blinde schildpad. Ik vond het interessant om er van te leren en de dieren te zien.


Op de schildpaddenkwekerij.

 
We vervolgden onze weg langs de westkust en zagen daar vele kokospalmen. De kokospalmen groeien het liefst aan zee. De palm heeft een lange, grijze stam die wel 30 meter hoog kan worden. In de top ontstaan de bladeren en de vruchten, de kokosnoten. In veel tropische landen is de kokospalm van groot belang. Men kan alles van de boom gebruiken. Zo kun je er bijvoorbeeld van eten en drinken en allerlei voorwerpen van maken. Wij zagen een man die in de kokospalm geklommen was om daar kokosnoten te plukken. De man bewoog zich behendig met zijn kapmes door de boomtoppen van de palmen. Knap maar levensgevaarlijk!


Een echte palmbomenklimmer, wat een acrobaten zeg!

Hoe dichter we in de buurt van Colombo kwamen hoe drukker het op de weg werd. In de voorsteden kwamen we meteen in de file te staan en het schoot niet echt op. Een flinke regenbui zorgde er ook nog eens voor dat de straten blank kwamen te staan. We hadden onze lunch bij een Chinees restaurant die een goede kwaliteit eten op tafel zetten. Het was smikkelen en smullen. We maakten een kleine stadstour door Colombo. De oorsprong van de stad begon in de 16de eeuw toen de Portugezen aanmeerden en zich op deze plaats vestigden. Later volgden de Nederlanders en de Engelsen en groeide Colombo uit tot een belangrijke havenstad. In de stad stond alles door elkaar heen. We zagen mooie koloniale gebouwen met daarnaast weer moderne kantoorgebouwen. Tempels staan naast moskeeën. Ik vond het geen mooie stad om te zien maar de tegenstellingen zijn zeer bijzonder. We stopten bij het onafhankelijksplein en zagen daar het monument ter nagedachtenis aan de onafhankelijkheid van Sri Lanka in 1948. Bij het monument stond het standbeeld van de eerste minister president van Sri Lanka.

We reden langs het Galle Face Green, een promenade die werd aangelegd om paardenraces en golf te spelen. Het wordt nu gebruikt als park om te ontspannen voor dagjes mensen. We reden door het gebied Colombo Fort waar vroeger het Nederlands en Brits fort stond. Nu is dit district het financiële district en vind je er tussen de historische gebouwen veel banken. We zagen de oude vuurtoren ent het oudste gebouw in Colombo: het Nederlands ziekenhuis (Old Colombo Dutch Hospital). Via het havengebied van Colombo reden we de stad langzaam uit. Het verkeer was erg chaotisch en rommelig.

We stonden tussen volgepropte bussen, pruttelende vrachtwagens, fietsers, trishaws (fietstaxi) en tuk-tuks. We hadden een paar keer een bijna botsing maar Nana had al bewezen een goede chauffeur te zijn en wist iedere keer weer een aanrijding te voorkomen. Ons laatste hotel lag in de plaats Katunayake op ongeveer 7 kilometer van het vliegveld. Het Tamarind Tree Hotel bestond uit 36 luxe bungalows in een mooie groene omgeving. Wij kregen een mooie, ruime bungalow in de buurt van het zwembad. We namen nog even een duikje tot het donker werd en we aangevallen werden door de muggen. Het avondeten bleek bij dit hotel niet inclusief te zijn en daarom wilden we a la carte eten. De ober probeerde ons het buffet op te dringen maar uiteindelijk kregen we toch de menukaart. We bestelden allemaal een pasta die goed smaakte. Voor de laatste keer deze vakantie pakten we onze spullen in. Morgen gaan we dit prachtige land verlaten om terug te gaan naar Nederland.


En nog één keertje zwemmen voordat we weer naar huis gaan.

Dag 21; Nederlandse historie in Galle

Ronac en ik hadden een goede nachtrust ondanks de gezangen van de priesters. Pappa en mamma waren meerdere malen wakker geworden en hadden dus iets minder goed geslapen. We hadden ons ontbijt beneden in het restaurant. Vers fruit vooraf en daarna toast met jam, eitjes en curd. Curd is de specialiteit van deze streek. Het is een zure dikke yoghurt gemaakt van buffel melk die gezoet wordt met treacle (stroop gemaakt van suikerriet). Ik vond het heerlijk. Langs de weg vind je ook veel kraampjes die de curd verkopen in aardewerk potten.


Prachtige uitzichten langs het fort van Galle.

We gingen deze ochtend naar de havenstad Galle. In deze stad viel nog veel te zien van de Nederlandse overheersing. We bezochten het fort dat gebouwd werd door de Portugezen maar door de Nederlanders werd vergroot en verbouwd in 1665. Het fort bleek nog in goede staat, het overleefde zelfs de grote tsunami van 2004. Het fort fungeerde tijdens de tsunami als schokbreker en dit voorkwam dat de achterliggende stad werd weggevaagd. We maakten een wandeling over de fortmuren. Binnen de muren van het fort stonden veel Nederlandse gebouwen zoals het huis van de gouverneur en een oud Nederlandse kerk.

We zagen Nederlandse straatnamen en bezochten op de Lynbaan een museum. In de vitrinekasten zagen we allerlei antiek en verschillende gebruiksvoorwerpen zoals schalen, theepotten etc. We zagen Delfsblauw en Maastrichts aardewerk. Op de binnenplaats zat een man edelstenen te slijpen en een vrouw kant te klossen. We mochten van een van de medewerkers met een emmer water halen uit de oude waterput. Onze volgende stop was bij het National Maritime Archeology Museum dat gehuisvest was in een oud Nederlands warenhuis. We zagen allerlei dingen die te maken hebben met de zee. Bijvoorbeeld de zeevaart historie, boten, koraal en dieren en vissen die er leven.


Twee emmertjes water halen…
Onze laatste stop was bij de gereformeerde “Groote kerk”. De Groote Kerk werd gebouwd in een kruisvorm. Binnen in de kerk lagen in de vloer grafstenen die origineel uit een begraafplaats komen. De kerk werd in 2004 gerenoveerd en is momenteel nog steeds in gebruik. We waren rond 13:30 uur weer terug bij ons hotel en we wilden direct door naar het strand. Zonnebrandcrème op, UV shirt en zwembroek aan en heerlijk het water in. Vanwege de ligging in de baai is de zee redelijk veilig om in te zwemmen. Unawatuna heeft veel schade gehad tijdens de tsunami van 2004, maar is weer opgebouwd.

Op het strand stonden veel palmbomen en er zijn veel kleine restaurantjes en hotels te vinden. We wandelden een stuk langs het strand en gingen bij een van de restaurantjes lunchen. Ik was eigenwijs en zei wel tien keer dat ik niets wilde. Toen pappa, mamma en Ronac hun eten kregen, bleek dat ik toch honger had. Ze wilden niets meer voor mij bestellen maar ik kon wel van de “spicy fried rice met zeevruchten” van mamma mee eten en dat smaakte zeer goed. Samen met mamma zwommen we in zee en speelden we in het zand. Pappa liep naar de stupa en pagode van de vrede.


Daar zaten de lawaaimakers dag en nacht te zingen.
Hij zag daar de “boosdoeners” van de gezangen en hoorde dat er bijna een einde aan zou komen. Er waren bepaalde festiviteiten en het standbeeld van Boeddha werd geverfd. Toen de zon langzaam onderging vertrokken we naar de kamer om ons daar te douchen en van al het zand te ontdoen. Het avondeten hadden we in het drukke restaurant want er was helaas geen plaatsje vrij op het strand. De spullen werden ingepakt en morgen beginnen we alweer aan onze laatste reisdag in Sri Lanka.


De baai van Unawatuna.