De Dadès vallei

Het was vandaag moeilijk om wakker te worden en op te staan. Uiteindelijk zaten we om 8:45 uur aan het ontbijt. We zouden om 9:30 uur starten met de wandeling. Het was nog koud maar het zonnetje begon al aardig te schijnen.

Onze gids heet Olaiyd en we hadden hem gisteren en vandaag al aan het werk gezien in het hotel. Hij vroeg ons wat geduld te hebben en even te wachten. We gingen naar buiten en genoten vanaf het terras van het uitzicht. Wat een verschil was met gisteren.

Om 10:00 uur kwam Olaiyd zich verontschuldigen dat onze lunch nog gemaakt moest worden en we nog niet konden vertrekken. Uiteindelijk was alle klaar en konden we gaan. We liepen een klein stukje langs de weg en sloegen daarna af de wadi (vallei) in.

We liepen langs de rivierbedding die vol met stenen ligt en er stroomt water doorheen.  We liepen langs akkers waar graan (gerst, tarwe), wortelen, kool en aardappelen verbouwd worden. Ook staan er veel palmbomen, amandelbomen en vijgenbomen. Veelal voor lokaal gebruik. We kwamen door slaperige berberdorpjes en langs stoffige ingestorte kashba’s. Zomaar ineens stonden we voor de kleurige rode bergen en vreemd uitziende rotspartijen. Hier loopt een smal bergpad de bergen in.

De tocht bestaat uit drie delen. Het eerste deel was vrij gemakkelijk lopen maar al snel werd het smaller en we moesten we flink gaan klimmen. Dit is dus het tweede deel. Op sommige stukken moeten we ons zien te redden op de bijna verticale rotsen. Met kleine pasjes liepen we over smalle richeltjes en trokken we ons omhoog aan de rotsen om de weg te vervolgen. Sommige stukken waren weer smal en waren we bang dat mamma kwam vast te zitten.

Voor hele dikke mensen is deze route niet aan te bevelen. We kwamen ook twee karkassen van berggeiten tegen die in de winter door het water in de kloof waren verdronken. Olaiyd steekt ons vaak een helpende hand uit maar de meeste tijd loop en klim ik als eerste naar boven. Het laatste stuk naar het plateau was een flinke klim en ging bijna steil omhoog. Olaiyd vertelde ons om rustig aan te doen en heel voorzichtig te zijn.

Ik ondervond geen problemen en stond als eerste boven. Leuk om mamma en Keyro zo te zien zwoegen. Het plateau is grauw en dor en er staan alleen maar rotsplanten en struiken.

We moeten nog een stukje lopen totdat we bij een berberwoning komen. De woning is uitgehakt in de rotsen. We worden door de familie (moeder met drie kinderen) uitgenodigd om binnen te komen kijken. Het is niet groot en best donker. De moeder en dochter verzorgen een kop thee.

Nu niet alleen met mint maar er bleek ook verse tijm aan toegevoegd te zijn. Naast de grot is nog een kleine ruimte waar het vee gestald staat. Er liep een ezel, een jonge geit en een kip. De jonge kinderen keken verlegen naar ons.

De dochter was bescheiden en verlegen maar ondanks at zeer geïnteresseerd in foto’s die we konden laten zien op de display van onze spiegelreflexcamera. De terugweg gaat bergaf en is een stuk gemakkelijker te lopen.

We komen weer uit in de groene vallei maar gaan nog niet terug. We lunchen op een vlak stuk met gras langs de rivier. Het broodje met kip, paprika en uien was het wachten wel waard geweest. Het was veel en er was ook nog banaan en sinaasappel.

De zon scheen behoorlijk fel en het werd aardig warm. We lopen nog een stuk tot we uitkomen bij een plek waar de rivier flink stroomt. We houden een rustpauze bij het water.

Ik was al aardig moe en er werd besloten om terug te lopen naar het hotel. We steken de (op deze plek) flink stromende rivier over. Geen stevige brug maar een smalle boomstam. Het grootste gedeelte van de terugweg lopen we langs de openbare weg.

Goed opletten want sommige auto’s scheurden toch nog best hard langs. Mamma nam me de laatste paar honderd meter op haar rug, super lief.

We waren rond 16:00 uur terug en verlangden naar een lekkere douche. Helaas viel dat tegen en werd het water niet warm. We spoelden ons snel schoon en droogden ons snel weer af. We deden het verder rustig aan. In de avond aten we weer bij het hotel. Helaas werd er exact hetzelfde eten geserveerd als gisteren. Na het eten waren we moe en gingen we direct slapen. Morgen rijden we verder naar nog een kloof in het Atlasgebergte en wel de bekende Todgha (Todra) kloof.

Tizi ’n Tichka pas

Na ons ontbijt namen we afscheid van Moumir en werden we om 9.10 uur opgehaald om naar het autoverhuurbedrijf te gaan. Het was een stuk drukker dan toen we aankwamen en na ongeveer 20 minuten kwamen we aan bij het kantoor van NJAM Car om onze huurauto voor de komende tijd op te halen. We werden vriendelijk ontvangen, zoals overal in Marokko tot nu toe, door de medewerkster. Meteen werd er gevraagd of pappa Marokkaanse roots had want ze vonden hen eruit zien als een Arabier. Haha, waarschijnlijk zullen we dit vaker gaan horen.

Er moesten wat formaliteiten in orde gemaakt worden. Er werd geen borg geblokkeerd op onze creditcard want ze vonden ons een betrouwbaar en eerlijk gezin. We kregen de auto waar we mee opgehaald waren, een Dacia Duster, precies zoals geboekt. De auto was nog maar een paar maanden oud en had zelfs nog geen nummerbord. Op de voor en achterkant zat een sticker met het kentekennummer. Blijkbaar duurt het administratieve proces en aanvragen van het nummerbord te lang en op deze manier mag je in Marokko toch in de auto rijden.

Alles was vrij snel geregeld en om 10:00 uur rijden we over de ringweg de stad uit. Met plattegrond van Njam Car en de gedownloade kaarten op de telefoon hebben we al vrij snel Marrakesh achter ons gelaten en rijden we op de N9 in de richting van Ouarzazate. De weg N9 is bijna 200 kilometer lang. Vanuit Marrakesh kun je de hoge bergketens van de Hoge Atlas al zien liggen. In de winter ligt er sneeuw en er zijn een twintigtal skipistes.

Ze liggen niet veel lager dan de Alpen en hebben meer dan de helft van het jaar sneeuw. De Jbel Toubkal is 4.167 meter hoog en de Jbel Sirouna erachter 2.773 meter. In een klein dorpje stoppen we even om wat drinken in te kopen. De weg is niet moeilijk te rijden, maar vergt wel enige stuurkunsten. Met pappa achter het stuur komt dat helemaal goed. Na ongeveer 2 uur rijden gaan we echt de bergen in. De weg is een aaneenschakeling van bochten en de uitzichten en landschappen zijn adembenemend.  Na iedere bocht veranderen de kleuren van groen naar bruin of rood. Er wordt op veel plaatsen aan de weg gewerkt en dat geeft wat op onthoud. Halverwege passeren we de Tizi n Tichka bergpas. Het is de hoogste bergpas van Afrika op bijna 2300 meter hoogte.

Langs de route staan veel lokale handelaren die enthousiast (of wanhopig?) geodes verkopen. Een “geode” is een bolvormig stuk gesteente waar de binnenkant begroeid is met gekleurde kristallen. De kleuren zijn knal roze, blauw en groen. Ze zien er onnatuurlijk uit en je ziet direct dat het vervalsingen zijn. Blijkbaar verkopen ze af en toe toch wat want ze blijven het aanbieden en proberen. Ronac werd van de bochtige wegen goed misselijk en spuugde een deel van zijn ontbijt uit. Gelukkig wel in een plastic zak die mamma ons bij voorbaat al had gegeven.

Bij een van de weinige restaurants op de bergroute maakten we een korte stop. We kochten wat drinken en Oreo koekjes en betaalden natuurlijk de hoofdprijs (95 dirham). Ronac was kwaad dat hij geen Pringles (chips) kreeg en maakte flinke stampij.  Na de Tizi n Tichka bergpas gaat de weg naar beneden en passeren we oude verlaten kasbah’s, kleine dorpjes en groene rivierbeddingen. We rijden om 14:30 uur onze plaats van bestemming binnen: Aït Ben Haddou. Onze accommodatie, Kasbah Valentine,  vinden we meteen en  we gastvrij ontvangen.

We krijgen eerst een kopje Marokkaanse muntthee. De Marokkanen drinken hun thee heel sterk en met heel veel suiker of honing. De typische Marokkaanse muntthee wordt dan ook wel eens “Marokkaanse whiskey” genoemd. Andere namen zijn: Toearegthee, Sahrawithee, Atay Benaa’naa’ of muntthee . Het is een thee die in Noord Afrika en in Arabische landen wordt gedronken. De muntthee staat centraal in het sociale leven in het Maghrebgebied. De thee wordt uit kleine theeglaasjes gedronken. Hoewel de ceremonie niet zo uitgesproken is, is de bereiding wel strikt. Eerst wordt de Chinese groene thee die de basis van muntthee vormt, in een metalen theepot gedaan en met een scheut kokend water gewassen. Na het afgieten van het water gaan de suiker en verse blaadjes van de munt in de pot en wordt het kokende water erop geschonken.

Vervolgens worden enkele blaadjes verse thee toegevoegd. De thee moet daarna nog 5 minuten doorkoken. Het eerste glaasje thee dat uit de pot geschonken wordt, wordt weer terug gegoten in de pot zodat alle smaken goed door elkaar trekken. Daarna worden de glazen ingeschonken. Ik vind de thee echt heerlijk. Bij de thee worden koekjes, dadels en nootjes geserveerd. Na het theemoment konden we naar onze kamer. De kamer bleek traditionele berberstijl ingericht.

Bijna de helft van de Marokkanen behoort tot het berbervolk. Berbers stammen af van de oorspronkelijke bewoners van Marokko. Ze hebben hun eigen taal, literatuur en muziek. De Arabieren vormen in Marokko de grootste groep. Toch hebben zij niet altijd in dit land gewoond. Ze kwamen in de zevende eeuw vanuit Arabië naar Marokko om de bevolking tot de islam te bekeren. De Berbers hebben de Arabieren eeuwenlang als indringers beschouwd.

Ze konden het slecht met elkaar vinden. Inmiddels is dat voorbij en nu leeft de bevolking in harmonie samen. Arabieren en Berbers hebben al meer dan duizend jaar dezelfde godsdienst, cultuur en geschiedenis. Vanaf het dakterras hadden we een prachtig uitzicht over de omgeving en de beroemde kasbah van Aït Ben Haddou. Deze middeleeuws verstevigde stad ligt in een vallei langs een rivier. De stad is bekend om zijn schitterende kasbah’s en staat op de werelderfgoedlijst van UNESCO. De kasbah’s zijn tegen een heuvel aangebouwd en opgebouwd uit leem, een grondsoort die fijner is dan zand. De kasbah is het verdedigbare deel van de medina (oudste deel van de stad) en wordt omringd door hoge stadsmuren.

Bijna iedere nederzetting in Marokko heeft haar eigen kasbah. Vroeger gebruikte men de kasbah als woning voor het dorpshoofd. Als er meerdere kasbah’s zijn noem je het ook wel een ksar. Een kasbah die als woonplaats wordt gebruikt noemt men ook wel een dar. Indien een kasbah als opslagruimte van graan wordt gebruikt, noem je het een igherm. En in sommige gevallen, zoals ook hier, doet de graanschuur tevens dienst als bewakingspost. Je noemt het dan agadir.

Vroeger  lag Aït Ben Haddou aan de handelsroute van de Afrikaanse Sahara naar Marrakech verbond. Toen de zon wat lager stond liepen wij naar de kasbah. Vanuit de verte leek het net op een zandkasteel. Voordat we de site konden bezoeken moesten we eerst de wadi (rivier) Maleh oversteken. Vertaald betekend wadi Maleh, “zoutrivier”. Het water is zeer zoutrijk en niet geschikt voor te drinken. Er stond niet heel veel water maar we moesten toch over de zandzakken en stenen lopen om geen natte voeten te krijgen.

De kasbah is één van de best bewaarde en best gedecoreerde kasbah’s van het land en staat inmiddels onder bescherming van Unesco. Er wonen niet veel mensen meer in de kasbah.  Er leven nog ongeveer tien families maar de meeste bewoners zijn weggetrokken naar het nieuwe gedeelte van de stad. De families die er nog wonen leven van het toerisme en niet meer van de opbrengsten van het land. We liepen via de smalle steegjes naar boven. De huizen (kasbah’s) zijn gegroepeerd in de verdedigingsmuren en die worden op de hoeken versterkt door hoektorens.

Bovenop de heuvel bevond zich de agadir (opslagplaats en bewakingspost). Het uitzicht over de omgeving, de palmenplantage, de woestijn en de Atlas is prachtig. De kasbah was ook het decor voor verschillende film. Zo werden onder andere de films:  Jewel of the Nile, Gladiator, Lawrance of Arabia, End of Times en Game of Thrones. We hadden ondertussen flink honger gekregen want we hadden niet geluncht. We liepen terug naar onze accommodatie en vroegen of het al mogelijk was om te eten. Het was geen probleem en al snel zaten we aan tafel en kregen we de menukaart. We bestelden als voorgerecht harira, gevulde soep met onder andere kikkererwten en linzen.


De kasbah werd ook gebruikt als decor voor de serie “Game Of Thrones”

Ik bestelde tajine rundvlees en groenten als hoofdgerecht, mamma nam couscous met kip, Ronac nam pizza en pappa had een speciaal gerecht pastilla. Vooraf werden er schaaltjes gemengde noten, amandelen, walnoten, olijven en dadels op tafel gezet. Zo lekker! We speelden kaartspelletjes tot het eten geserveerd werd. De soep kwam al snel en bleek aardig te vullen. De tajine, couscous en pizza kwamen ook vrij snel. Net pappa moest wachten op zijn gerecht. De pastilla werd vers gemaakt en is een hartig gevulde taart. Van oorsprong kom het gerecht uit Andalusië.

 

De buitenkant is van een heel dun deeglaagje en kan gevuld worden met verschillende soorten vleesvulling. De meest voorkomende vulling is met duif of kip en amandelen. Als de pastilla in de oven is gebakken wordt deze bestrooid met poedersuiker en kaneel. Het gerecht zag er prachtig uit en wordt dan ook vaker geserveerd op feesten. We wilden allemaal een hapje proeven van het gerecht. Een vreemde maar lekkere smaak. Het hartige in combinatie met de nootjes, poedersuiker en kaneel maakte het zeer zoet. Het toetje bestond uit sinaasappel met kaneel erover. Op de kamer keken we nog een filmpje en daarna gingen we naar bed.

Met de jeep over de Wolkenpas

Ons verblijf in Hué zat er al weer op. We reisden vandaag verder naar kustplaats Hoi An. Pappa en mamma brachten rond 8:00 uur onze rugzakken naar Brothers Travel en die zouden per bus naar Hoi An vervoerd worden. Ons vervoer voor vandaag was een oude Amerikaanse legerjeep. Onze chauffeur en gids was Huy. We maakten even een paar foto’s voordat we rond de klok van 9:00 uur vertrokken. Al snel lieten we Hué achter ons. Huy reed rustig en we hadden alle tijd.

Op weg naar Hoi An!

We zouden de populaire route nemen over de Hai Van pas. In totaal was de trip zo’n 160 kilometer. Onderweg zouden we diverse stops maken zodat we ook wat van de omgeving kunnen zien. Keyro voelde zich vandaag niet zo heel fit en was nog erg moe. Ergens langs de hoofdweg maken we een stop bij klein vissersdorp. Hiervandaan was er ook een prachtig uitzicht over de kust en de bergen in het achterland.

We reden verder en namen na een half uur een afslag naar recht, landinwaarts. We passeerden een controle punt waar betaald moest worden. De weg die we volgden was een zandweg met putten en het was hobbelig en we slingerden alle kanten op. De natuur was hier echt prachtig.

Spannende jeep rit, Ronac als hulpchauffeur

We parkeerden de auto en liepen te voet verder naar Soui Voi, de olifantenwaterval. We waren de drukte net voor en kleedden ons snel om zodat we een duik konden nemen in de verschillende bassins bij de waterval. Het geheel is erg toeristisch ingericht en ingesteld maar dat neemt niet weg dat het een mooi stukje natuur is. Het uitzicht op de bergen is echt geweldig mooi.

Samen met pappa of mamma gleed ik van de stenen af naar beneden. Nog geen half uur later begon het druk te worden en konden wij ons weer aankleden om verder te gaan.

Een prachtig uitzicht vanaf ons lunchadres.

De volgende stop was voor de lunch. We stopten bij een bekend visrestaurant waar Huy zich moeite deed om kleinere porties te bestellen want normaal wordt er per kilo besteld.

Keyro en ik hadden nergens zin in en waren wat dwars. Mamma bestelde garnalen en pappa had oesters. Voor ons werd er een bord gebakken rijst gebracht. Bij het zien van mamma’s garnalen kregen wij er ineens toch zin in en was mamma zo lief om haar garnalen met ons te delen. Aan de lange tafel naast ons werd luidruchtig gegeten en gedronken.

Om de minuut werd er wel een “toast” uitgebracht en werden de glazen geheven. De overgebleven schelpen, servetten, graten etc. belandde zo op de grond, wat een rotzooi! Bij ons had de Keuringsdienst van Waren het restaurant allang gesloten, hihi.

Na de lunch was het een klein stukje rijden naar het begin van de Hai Van pas. Tegenwoordig gaat het meeste verkeer door de aangelegde tunnel dus op scooters, motors en toeristen bussen na, rijdt er niet veel verkeer over de pas. Voordat we de pas op rijden maken we nog even een korte fotostop met uitzicht over de kust en het plaatsje Lang Co.

 

De Hai Van pas, ook wel wolkenpas of in het Vietnamees Deo Hai Van genoemd wordt gezien als een van de mooiste kustwegen ter wereld. De Hai Van pas is het stuk over de bergen wat het plaatsje Lang Co verbindt met de moderne stad Da Nang. De pas is een 21kilometer lange bergweg. Langzaam aan brengt de jeep ons via de kronkelende weg naar het hoogste punt (496 meter).

Hier stoppen we bij een oude bunker en is er naar beide richtingen een mooi uitzicht over de kustlijn. We dalen af naar de grote stad Da Nang dat vroeger bekend stond als Tourane. In 1965 richtten de Amerikanen hier een militaire basis in. Er was een vliegveld, haven en depots met wapens. Er werden veel economische en industriële activiteiten ontwikkeld en het werd een van de belangrijkste handelscentra van het land.

De stranden rondom de stad zagen er mooi uit maar verder vonden wij het niet erg aantrekkelijk door alle grote, hoge gebouwen. Een stuk buiten Da Nang, langs de kustweg, stopten we bij de Marble Mountains.

De marmerbergen bestaan uit marmer en zandsteen. De Vietnamese naam: Ngu Hanh Son betekent “bergen van de 5 elementen”. Elke berg vertegenwoordigt een element en is daar ook naar vernoemd: Hoa Son (vuurberg), Moc Son (houtberg), Kim Son (metaalberg), Tho Son (aardeberg) en Thuy Son (waterberg).

Zelf was ik in de jeep in slaap gevallen en had ik geen zin om mee te gaan. Ik mocht bij Huy blijven terwijl pappa, mamma en Keyro de trappen op klommen om de bergen te bezoeken.

Er waren mooie grotten, pagodes, tempels en mooie uitzichtpunten. Het was nog ongeveer een half uurtje rijden van de Marble mountains naar Hoi An. Onderweg pikten we bij het busstation onze rugzakken op. We hadden gereserveerd bij Rural Scene hotel. Het ligt op het Cam Nam, een van de riviereneilanden. Het is een rustige locatie, twee kilometer van het historische centrum van Hoi An. Huy zette ons er af en wij namen afscheid van hem.

De terugweg zou voor hem een stuk sneller gaan via de tunnel. Wij checkten in en kregen een lekker drankje. We hadden al snel het zwembad gespot. Snel brachten we de spullen naar onze twee grote, aaneengeschakelde slaapkamers op de tweede etage. Daarna snel het zwembad in en lekker even spetteren. We stonden om 19:00 uur klaar zodat we met een elektrisch golfkarretje van het hotel naar het centrum werden gebracht. Wat een top service! Het centrum was erg sfeervol en de straten werden verlicht door lampionnen.

Er zijn talloze restaurants en barretjes te vinden. We liepen door een van de straatjes en zagen bij toeval nog een bekend Nederlandse koppel uit Noord Vietnam zitten bij een van de restaurantjes. Wij maakten even een praatje over wat zij hadden gedaan na de trekking in Sa Pa. Zij gingen verder met hun eten en wij zochten een tafeltje en ook iets bestelden.

Keyro en ik namen pizza, pappa Sint Jacobsschelpen en mamma nam een lokale specialiteit met vis en  een cocktail. Keyro en ik hadden uiteindelijk niet zo’n honger en lieten meer dan de helft van onze pizza over. Gelukkig konden we deze mee krijgen in een doos. We werden om 21:00 uur weer opgepikt door het karretje en zo waren we snel weer terug in het hotel. Terwijl Keyro meteen naar bed ging, keek ik nog even een Vietnamees filmpje op televisie.

Hike van Lao Cai naar Cat Cat

Ook vandaag drong de geur van pannenkoeken in onze neusgaten toen we onze ogen open deden. Snel wassen, aankleden en ons klaar maken voor vertrek. Even ontbijten op het terras. Ik at een paar pannenkoeken met honing en dronk een kopje koffie. Het weer is vandaag wat omgeslagen en de lucht is bewolkt. Het lijkt erop dat het ieder moment kan gaan regenen.

Op weg voor de 17km lange hike.

We vertrokken rond de klok van 8:45 uur. Al snel lieten we Lao Cai achter ons en lopen we weer midden tussen de rijstvelden. De bewolking en lagere temperatuur maakt het wandelen wel een stukje aangenamer. Onderweg kwamen we een paar beekjes tegen die we moesten zien te overbruggen zonder natte voeten te krijgen.

Op gevaar voor natte voeten naar de overkant.

We hadden we een redelijk tempo in en we arriveerden rond 11:00 uur al bij de locatie voor onze lunchstop. We zaten nog aardig vol van het ontbijt maar besloten toch om iets te eten. We zitten net of het begint te regenen. Een beter moment voor een pauze was er niet. We aten verse noedels met groenten en kip. Na het eten bleek de regen alweer gestopt te zijn en konden we verder met onze wandeling van 17 kilometer.

Het eten met stokjes gaat steeds beter.

In dit gebied was het veel drukker dan gisteren. Hier komen veel dagjes toeristen naar toe die een glimp op willen vangen van de omgeving en de mensen die hier wonen. Af en toe was het wachten of in een rij achter elkaar aan lopen. Het pad was wat glibberig geworden en we moesten iets beter opletten waar we de voeten plaatsten. We kwamen de groep Nederlanders weer tegen en die hadden ook een hoog tempo.

We werden ingehaald door onze “bekende” groep, Ronac liep voorop met ze mee.

Ronac volgde en liep op een gegeven moment voorop en gaf het tempo aan. Pappa en ik volgde ook maar mamma bleef achter met Ping en liep haar eigen tempo. We kwamen door weelderige bamboebossen en langs kleine kabbelende beekjes. Bij het dorp Cat Cat zien we nog veel meer dagjes toeristen. De afdaling naar het dorp gaat via een trap met ongelijke treden. Overal stonden kraampjes met zelfgemaakte knuffels, tassen, sieraden en versnaperingen. Op het einde van de afdaling steken we via een brug het water over.

Er is een waterval en er zijn een aantal waterraderen die langzaam ronddraaiden. Er was ook een klein theater waar een dansvoorstelling werd gegeven. We keken even maar konden het niet helemaal afzien omdat we op een bepaald tijdstip ergens moesten zijn om opgepikt te worden door een minibus. Terwijl we op de terugweg waren kregen wij allebei van Ping een handgemaakte knuffel. Zo ontzettend lief van haar!

De minibus stond al klaar en bracht ons terug naar het Garden Eden Hotel. We namen met veel dikke knuffels afscheid van onze gids Ping. Wat een schat van een vrouw en een super gids! In het hotel kregen we een kamersleutel en konden we even douchen. Met een groot deel van de Nederlandse groep zaten we buiten op het dakterras tot we rond 18:00 uur konden gaan eten.

Onze knuffel van Ping.

Het was een lekker diner. Langzaam zagen we de zon ondergaan en werden de bergen een donkere vlek. Ruim op tijd verlieten we met z’n allen het hotel om naar het busstation te lopen waar de sleeperbus zouden nemen. Het busstation lag in de buurt van de overdekte markt en het was nog een stukje lopen. We moesten nog een tijd wachten voordat de bus zou vertrekken. Van kenners hadden we gehoord dat we in de rij moesten gaan staan indien we een stoel onderin wilden hebben.

Pappa zorgde ervoor dat de rugzakjes in het bagageruim kwam terwijl wij in de rij bleven staan. Al snel bleek dat we niet zelf in konden stappen maar dat de namen werden opgeroepen. Toevallig zagen wij onze namen als laatsten op de pagina staan. Mamma gaf bij de chauffeur aan dat Ronac niet bovenin kon liggen omdat hij mogelijk uit de stoel kon vallen.

Gelukkig begreep hij dit en mochten we direct instappen. We stapten in, moesten onze schoenen uit doen, deden ze in het uitgereikte plastic zakje en gingen op zoek naar een plaats. Er waren drie rijen met (lig)stoelen onder en boven. Onderin was bijna alles al bezet. Ronac wist de laatste ligstoel onderin te bemachtigen. Net op tijd dus. Wij moesten wel bovenin. In een klein vakje konden we onze schoenen opbergen en verder hadden we nergens plaats voor. Door de beperkte ruimte klommen we een beetje onhandig in onze stoel.

In de slaap bus, al kwam er weinig slaap aan te pas.

Voor mensen die lang zijn is het echt een ramp in de sleeperbus. Wij zijn allemaal niet groot en hadden al weinig ruimte voor onze benen. Voor Stan, Archie en Job zou het geen fijne rit worden. We hebben er wel heel hard om kunnen lachen met zijn allen. De bus zag er nogal futuristisch uit met de roze paarse lampjes. Het duurde lang voordat we de slaap konden vatten.

Net toen we sliepen, stopte de bus alweer voor een plasstop. Het was warm, benauwd en stonk verschrikkelijk in de bus. Niet erg fris dus. We arriveerden midden in de nacht in Hanoi. Vroeger toen de snelweg er nog niet was arriveerde je vroeg in de ochtend. Nu stonden we dus half slapend in de nacht in Hanoi centrum. We liepen naar het kantoor van Friends Travel Vietnam waar we in de slaapzaal nog een paar uurtjes konden slapen. De bedden waren hard maar alles was al beter dan het slapen in de sleeperbus.

Trots op de mannen, de hike prima overleefd!

Centraal Europa: Dag 15; Klimmen en klauteren in Slovenský Raj Nationaal Park

In de ochtend vertrokken we redelijk op tijd in de richting van het Slovenský Raj Nationaal Park. We reden als eerste naar camping Podlesok in Hrabušice. De camping is gelegen aan de rand van het Slowaaks paradijs (Slovenský Raj Nationaal Park ) en veel wandelingen starten op deze plaats. Er stond een file om het terrein op te komen. Wij melden de parkeerwachter dat we voor de camping kwamen en konden doorrijden. Bij de receptie van de camping vroegen we of er een huisje beschikbaar was. Er was er eentje beschikbaar maar hiervoor vroegen ze € 90,00 per nacht en dat vonden wij wel heel erg prijzig. We besloten om gewoon de tent maar weer op te zetten.


De volgende camping.

We worden zo langzamerhand steeds handiger en sneller met het opzetten van de tent. De camping bestond uit twee terreinen waar je de tent op kon zetten. Wij vonden uiteindelijk een mooi plaatsje aan het einde van de camping. Al snel kwamen we er achter dat het sanitair niet geweldig was. Er waren maar twee gebouwen wat erg weinig is gezien het aantal kampeerplekken die er zijn. Bij de damestoiletten functioneerde maar één van de drie fatsoenlijk. De camping was omheind en afgesloten met een slagboom waarvoor we een elektronische bleeper hadden gekregen bij de receptie.

De tent werd super snel opgezet zodat we nog een beetje op tijd aan de wandeling konden beginnen. De wandeling die we hadden gekozen, was die door de bekendste en meest bezochte, Suchá Belá kloof. Door aardverschuivingen en de eeuwenlange inwerking van water zijn er in dit kalksteengebied prachtige kloven en diepe dalen gevormd. Voordat we aan de wandeling konden beginnen, moesten we entree betalen voor het Nationaal Park. Het werd meteen duidelijk dat het een zeer populaire wandeling is want we kwamen heel veel mensen tegen.

Het eerste stukje liepen we langs en af en toe door de bedding van een beek omhoog. We liepen over keien en de wortels van bomen en probeerden het water te vermijden. We waren blij met onze waterdichte wandelschoenen want af en toe liep de enige weg toch door het water. We werden klam en vochtig en al snel begonnen we te zweten. Soms liepen we over houten bruggetjes waar af en toe planken ontbraken en op sommige plaatsen konden we ons alleen maar vast houden aan de kettingen in de muur. In het midden van de kloof kwamen we terecht in een lange wachtrij.

Hier moesten we met smalle klimladders naar boven klimmen. De ladders zorgden voor veel oponthoud omdat het voor veel wandelaars een zwaar gedeelte van de wandeling is en er ook een hoop mensen bang zijn. Terwijl we moesten wachten, bouwden we dammen met stenen in het stroompje. Het wachten duurde lang en toen we dan eindelijk konden beginnen aan de beklimming van de ladders, wilde Ronac niet meer gaan. Hij was bang maar ik niet. Ik sprong de ladder op en begon in rap tempo aan de klim naar boven. Mamma volgde mij daarna kwam Ronac en pappa sloot onze rij af. Ronac was helemaal in paniek en was huilend de ladder op aan het klimmen. Het pad is eenrichtingsverkeer dus we konden ook niet terug.

Voor Ronac was het extra lastig want hij kon zich alleen maar vasthouden aan de sporten van de bijna verticaal staande gladde ladder. Wij konden ons nog vasthouden aan een ketting in de muur maar daar is Ronac nog te klein voor. Met een schreeuwende Ronac klommen we langzaam op de smalle ladder en langs watervalletjes naar boven. Je moet niet naar beneden kijken als je hoogtevrees hebt want dan durven veel mensen niet meer verder. Eenmaal boven aan gekomen hadden we een volgende beproeving. We moesten om een uitstekende rots heen. De enige houvast was een ketting en een paar gladde roosters boven de afgrond.

Vervolgens ging de route nog een lang stuk langs de rotswand over de metalen, gladde roosters. Wat later kwamen we weer bij trappetjes en houten bruggetjes. Ronac was ondertussen over zijn angst heen en liep weer als een kievit. Snel en behendig liepen we over de keien, bruggetjes, roosters en vlonders. De stijging van de wandeling was zo’n 400 meter en de top van de kloof lag op 950 meter hoogte.

Natuurlijk moesten we ook een weg terug naar de camping volgen. Dit pad was een stuk gemakkelijker dan de heenweg en liep door de bossen. Af en toe was de afdaling lastig doordat de kleine paadjes over keien en boomwortels liepen. We waren na ongeveer vijf uur wandelen weer bij het startpunt. We zochten een tafeltje bij restaurant Rumanka dat direct naast de camping is gelegen.


Gelukkig kon Ronac achteraf weer lachen.

We hadden flinke dorst en er werden milkshakes, bier, kofola en een Tatratea likeur besteld. De Tatratea is een traditionele thee-likeur uit het Tatra-gebergte. Er zijn zes verschillende varianten verkrijgbaar met alcoholpercentages van 22 tot 72%! Mamma nam de citrus (citroen en limoen) variant met een alcoholpercentage van 32%. Zij vond deze likeur al veel te sterk maar pappa vond het wel lekker.

Het avondeten smaakte goed na onze lange wandeling. Pappa had halušky met bryndza en spek, mamma risotto, Ronac vleesdumplings en ik had gepaneerd kaas met frietjes. Als toetje haalden wij zelf bij het buffet buiten nog een lekker Magnum ijsje. Voordat het donker werd speelden pappa en ik nog een partijtje voetbal op het veldje voor onze tent. Ronac ging lekker op de picknickbank zitten en keek naar het kampvuur dat één van onze buren aanmaakte. Wij vielen die avond in slaap met zang en gitaarspel van andere buren. Gelukkig klonk dit veel beter dan de oude man met zijn microfoon een aantal dagen geleden op de camping in Belá.

Centraal Europa: Dag 13; Štrbské Pleso

Na het opstaan waren Ronac en ik de hele tijd aan het treuzelen en duurde het opbreken van de tent voor pappa en mamma veel langer dan ze hadden gewild. We reden rond 10:00 uur weg in de richting van één van de mooiste en drukste nationale parken van Slowakije. De route er naar toe was al prachtig. Nationaal Park Vysoké Tatry (Hoge Tatra) is gelegen in het noorden van Slowakije en loopt door tot in Polen.

Het gebied heeft wel meer dan 85 bergmeren en veel watervallen. We reden ongeveer in drie kwartier naar het dorp Štrba Štrbské Pleso, gelegen op de zuidoever van het gelijknamige meer op een hoogte van 1350 meter. Het werd direct duidelijk hoe populair het Hoge Tatra gebergte bij toeristen uit allerlei landen is. Het dorp telt niet meer dan 200 inwoners en de meeste gebouwen zijn commerciële hotels in de nabijheid van het gletsjermeer. In 1872 werd aan de oever van het meer het eerste hotel Patria gebouwd.

We hadden moeite om een nog vrije parkeerplaats te vinden want het was super druk. Uiteindelijk konden we de auto ergens parkeren tegen Nederlandse prijzen van 2 euro per uur. We wilden niet langer rond rijden en stapten uit. We deden onze wandelschoenen aan en volgden de mensenmassa. In de winter is het ook een skigebied en er bevindt zich hier een moderne skischans. Je ziet de schans al van ver en hij is niet te missen. We liepen naar het informatiebureau om informatie in te winnen over de mogelijke wandelingen in dit gebied.

We kozen voor de wandeling naar de top Predne Solisko. We kochten tickets voor de poma Phoenix kabellift die ons naar een chata, een Slowaakse berghut, halverwege de berg bracht. Hier namen we de rode route naar de top van de Predne Solisko. De route was druk en op sommige stukken liepen we in optocht omhoog. Het pad werd steeds steiler en moeilijker begaanbaar. Of en toe moesten we flinke stappen zetten en ons letterlijk omhoog hijsen. Na ongeveer 50 minuten kwamen we aan op de top op ongeveer 2093 meter hoogte.

We keken uit over het grillige gebergte met zijn steile wanden, spitse bergtoppen en het dal. We bleven een tijdje genieten van het uitzicht en aten een snickers om nieuwe energie te krijgen voor de terugweg. Pappa en Ronac daalden heel snel af en het was voor mamma en mij niet bij te houden. Soms moest je ook nog wachten op mensen die niet doorliepen of die je niet in kon halen.

Bij de chata kregen we een lekker ijsje. We gingen niet met de lift naar beneden maar volgden het pad terug naar de vallei en het bergmeer Štrbské Pleso. De alpenweide waar we doorheen liepen, waren prachtig gekleurd door bloeiende planten. Sommige soorten planten komen alleen in deze streek voor. In het lager gelegen gedeelte liepen we tussen de bossen met sparren en dennen. We kwamen uiteindelijk uit bij de oever van het meer. Het uitzicht werd een klein beetje verpest door de logge hotels die aan de oever gebouwd zijn. We moesten nog een klein stukje terug lopen in de richting van de parkeerplaats.

Onderweg kochten we een broodje hotdog om onze ergste honger wat te stillen. Met de auto reden we verder in de richting van Tatranská Lomnica. We passeerden een aantal keren de spoorlijn die de plaatsjes in de Hoge Tatra met elkaar verbindt. Het gebied is echt prachtig en het is duidelijk wat de Slowaken bezingen in hun volkslied: het is een prachtig natuurgebied.

Net buiten Tatranská Lomnica aan de weg naar Poprad lag onze volgende camping. Het wordt het Tatranec resort genoemd en bestaat uit hotel, bungalows en een camping. Het woordje resort is ons een beetje onduidelijk want zo mooi was het allemaal niet om te zien. Wij zochten een plekje met elektriciteit op het grote kampeerterrein en bouwden snel de tent op. We wilden op tijd naar het dorp om iets te gaan eten.

In het dorp zaten veel leuke restaurants maar bijna nergens was plek voor vier personen. Uiteindelijk vonden we een tafel bij pizzaria Marcello. Op zich wel lekker om eens een keertje Italiaans te eten. De serveerster kwam niet al te vriendelijk over en sprak/verstond slecht Engels. Toch lukte het om de bestelling door te geven. In de tussentijd speelden we een paar partijtjes “pesten” met speelkaarten. Niet veel later kregen wij onze pizza’s en mamma haar salade al geserveerd. We bleven na het eten nog een tijdje zitten omdat we hier Wi-Fi hadden en pappa en mamma nog wat dingetjes uit moesten zoeken voor het vervolg van onze reis.

Het was al donker toen we terug bij de tent kwamen en goed koud. Snel kropen we dicht tegen elkaar aan in onze slaapzakken. In de nacht koelt het hier in de bergen flink af tot een graad of zes. We lagen net in bed toen de tent ineens langzaam naar beneden zakte. Ik riep dan ook: “pappa, mamma, de tent stort in. Met onze handen hielden we de tent omhoog en pappa kroop naar buiten om de opblaasbare bogen te controleren. Gelukkig bleek na inspectie dat de afsluitdop er niet goed op bleek te zitten. Hierdoor was de boog langzaam leeggelopen en zakte de tent in. Het was lastiger geweest als er een lek of gat in had gezeten. Pappa pakte de pomp en niet veel later stond de tent weer omhoog. Met zijn allen hebben we hard zitten lachen om het voorval en daarna konden we rustig gaan slapen.

Centraal Europa: Dag 11; Demänovská Dolina

Onze reisroute ging vandaag helaas alweer verder. We verlieten de Nizne Kamence camping redelijk vroeg. We reden door naar het hart van Slowakije. Het was minder dan twee uur rijden naar het Demänovská Dolina (Demänovská dal) en het meeste oponthoud hadden we bij de stad Ružomberok. We reden naar Kemping Bystrina aan het begin van het dal in het dorp Demänova.


Keyro las meerdere boeken van de Gladiator uit deze vakantie.

De camping had twee grote ronde kampeervelden met zicht op de Vysoké Tatry (Hoge Tatra). We reden als eerste naar het hoger gelegen gedeelte, een vrij kaal gedeelte. Er stonden daar ook al aardig wat tenten. Op het iets lager gelegen gedeelte stond maar één eenzame tent. Wij reden daar naar toe en vonden een mooi plaatsje tussen de dennenbomen. De tent werd opgezet en daarna gingen we een hapje eten bij restaurant Koliba Bystrina dat op hetzelfde terrein ligt als de camping en het hotel.


Dumplings en  halušky

Er werden vier gerechten besteld: germknödel, dumplings met fruit, halušky met bryndza en spek en goulash. Toen het eenmaal op tafel stond werd er wat met de gerechten geschoven omdat iedereen iets anders wilde eten dan hij/zij besteld had. Het restaurant heeft veel streekgerechten op de kaart staan en de bediening draagt de nationale klederdracht . Het eten was goed maar te porties wat te groot voor de lunch.

‘s Middags brachten we een bezoek aan de Demänovská ijsgrot. Om bij de grot te komen moesten we eerst betaald parkeren, vrij hoge prijzen voor Slowakije, op een nabijgelegen parkeerterrein. We trokken een lange broek en fleecevest aan want in de grot zou het tussen de 0,4°C en 3,0°C zijn. We moesten eerst ongeveer 25 minuten bergopwaarts in een mooi bos wandelen om bij de ingang van de grot te komen.


De schitterende omgeving van Demänovská Dolina

In de middag zijn er drie rondleidingen en we hadden de eerste net gemist. We moesten bijna een uur wachten. We kochten de kaartjes en kregen een velletje papier met uitleg in het Engels. De tour was helaas alleen in het Slowaaks. Er werd ook duidelijk vermeld dat foto’s maken verboden was of je moest een toeslag van 10 euro betalen. Wij hebben de toeslag niet betaald en maakten geen foto’s.


Impressie van de ijsloze ijsgrot.

Het viel ons heel erg op dat de prijzen hier veel hoger liggen dan in de rest van Slowakije. Alles in deze regio is toeristisch en men wilt vooral veel geld aan toeristen verdienen. De tour duurde ongeveer een half uur. De grot is 1.750 meter lang en bestaat uit drie verdiepingen. We zagen veel stalagmieten en stalactieten. In de grot werden ook botten aangetroffen van de grotbeer. In de achttiende eeuw werden de botten vaak aangezien voor botten van draken.

Op de plek waar normaal ijsvlakten, ijsstalactieten en stalagmieten te zien zouden moeten zijn, zagen wij nu alleen maar grond. Er werd ons duidelijk gemaakt dat het niet de juiste tijd van het jaar was en er afgelopen winter te weinig ijs aangroei is geweest. Voor ons allemaal een beetje een teleurstellend bezoek aan een ijsgrot die gewoon een grot bleek te zijn. Wat ons betreft mag je het geen ijsgrot noemen of maak er van te voren melding van.

Op de terugweg gingen we op zoek naar een supermarkt om boodschappen te doen voor een barbecue. De supermarkt was klein en de keuze beperkt. Het werden verschillende soorten Klobása (worst) en een simpele salade. Terwijl pappa en mamma de barbecue voorbereiden legde ik mij lekker in de zon en las ik mijn spannende boek “Gladiator”. Het eten was weer een succes. In de avond begon het te regenen en gingen we vroeg onze tent in om een boek te lezen en een potje te kaarten.


Worst, worst en worst op de barbecue

Centraal Europa: Dag 10; Naar de bergtop Veľký Kriváň

We wilden vandaag naar het hoogste bergtop van bergketen Malá Fatra namelijk de Velký Krivaň. We reden door het mooie Vrátnadal (Vrátna Dolina) naar het dorp Vrátna. We kochten kaartjes voor de gondel die ons naar 1524 meter hoge Snilovské sedlo bracht. Boven lag een restaurant en was er een panoramisch uitzicht over de omgeving.


Na een goed ontbijt op stap voor hopelijk een mooie hike.

Het Fatra-gebergte bestaat uit twee bergketens: Malá (klein) en Velká (groot) Fatra en wordt doorsneden door de rivier de Váh. Het is wel zo dat de Malá Fatra het hoogste gebergte is van de twee. Zoals we gisteren ook al gezien hadden werden door bergstromen ravijnen uitgeslepen in de rotsachtige bodem. De lagere gedeelten van de bergen zijn dichtbegroeid met naaldbomen. Het gebied is tevens het leefgebied van lynxen en bruine beren. We volgden in optocht de rode route naar de Veľký Kriváň.

De wandeling naar de top duurde circa drie kwartier. We hoefden maar een hoogteverschil van slechts 200 meter te overbruggen tot aan de top. We liepen door bergweiden die in het verleden door grazende schapen zijn ontstaan. Door de vele bloemen, watervallen en beekjes doet het gebied schilderachtig aan. De 1709 meter hoge top van de Veľký Kriváň was in nevel gehuld toen we boven kwamen.

We bleven een tijdje op de kale bergtop van de Veľký Kriváň om te genieten van de weidse vergezichten. De terugweg naar beneden ging een stuk sneller. Grappig was wel dat wij als één van de weinigen op sandalen liepen. Iedereen was super sportief uitgerust met wandelkleding, wandelschoenen, wandelstokken en zo voort. Maar met onze sandalen liepen wij prima hoor!

Bij het restaurant aten we een verfrissend ijsje voordat we met de lift terug naar beneden gingen. Net voordat we de gondel in wilden stappen viel er een oudere man uit en die kwam klem te zitten tussen de deur en de vloer. Mamma hielp mee om de man er tussen uit te krijgen en pappa zorgde ervoor dat de liftbediende de gondel stil zette. Gelukkig mankeerde de man niets en kon hij zelf niet veel later weer verder gaan. Het duurde wel even voordat de lift weer volledig opgestart was en wij konden instappen.

Onze tweede activiteit die we wilden doen was raften op de rivier de Váh. We hadden een folder gekregen maar daar stond geen adres maar alleen een plaats op vermeld. We begonnen te rijden in de hoop dat we in het dorp bewegwijzering zouden zien. Helaas vonden we dit net en reden we verder naar het plaatsje Strečno.

Hier zou je op een vlot van houten boomstammen een tocht kunnen maken over de rivier de Váh. Ook hier konden we het niet direct vinden en moesten we het een aantal keer gaan vragen. Uiteindelijk kwamen we toch bij het bedrijf dat deze tochten verzorgde. We moesten ongeveer een half uur wachten. Met een busje werden we naar een punt ongeveer 10 kilometer buiten Strečno gebracht. We deelden het vlot met twee andere Slowaakse families. Het vlot werd bestuurd door twee mannen waarvan de ene wel verdacht veel op de beroemde voetballer Lionel Messi leek.

De uitleg onderweg werd gegeven (uiteraard) in het Slowaaks. Wij moesten het doen met een goed gedetailleerd informatieblad in het Engels. Het water van de rivier stroomde redelijk hard en het vlot gleed gemakkelijk door het water. De Váh is een zijrivier van de Donau en de langste rivier van Slowakije. De rivier is ontstaan uit samenvloeing van twee rivieren en de lengte bedraagt 403 km.

Direct aan de rivier de Váh liggen twee burchten tegenover elkaar. Beide kastelen dateren uit de 14e eeuw. Als eerste zagen we op de rechter over van de Váh de burchtruíne Starý hrad (kasteel). Niet veel later zagen we hoog op een steile rots het Strečno Hrad boven het landschap uit torenen. In het verleden lag de vesting aan een belangrijke handelsroute door de Waagvallei. In 1678 werd het bouwwerk en is het onbewoond gebleven en tot een ruïne vervallen.

Uiteindelijk werd de ruïne gerestaureerd en is er een museum over de geschiedenis van het kasteel en de nationale Slowaakse opstand ondergebracht. Na het passeren van het kasteel waren we vrij snel bij het eindpunt van de één uur durende tocht over de rivier. Op de terugweg naar Belá stopten we bij de Country Saloon voor ons diner. Het was wat vroeg maar we hadden onze lunch overgeslagen vandaag.

We beginnen zoals de Slowaken dat ook vaak doen met een soep. We hadden knoflooksoep, kippensoep en goulashsoep. Als hoofdgerecht hadden we rundergoulash met knedliky (gestoomd brood), een Mexicaanse schotel en twee pasta’s. Het eten werd erg snel na elkaar geserveerd en wij vonden het allemaal een beetje tegenvallen. Het eten was niet echt warm en leek opgewarmd te zijn. Jammer want tot nu toe hebben we overal lekker gegeten. Op de camping deden we nog een raar dansje voor de tent, speelden we voetbal en gingen we zelf bij de kleine campingwinkel chips en een suikerspin halen. Het was een prachtige dag vandaag.

Centraal Europa: Dag 9; Wandeling Velký Rozsutec

Voor vandaag stond er een wandeling op het programma in het Nationaal Park Malá Fatra. Met de auto reden we naar Hotel Diery nabij het dorp Biely Potok. Hier vandaan vertrekken veel wandelingen het Malá Fatra gebied in. Het Nationaal Park Malá Fatra behoort al jarenlang tot de drukst bezochte plaatsen. Het zou ook één van de mooiste berggebieden van het land zijn.

We parkeerden (betaald) onze auto en maakten aan de hand van de plattegrond een keuze welke wandeling we wilden gaan maken. Het werd de blauwe route in de richting van de op 1344 meter hoogte gelegen Veľký Rozsutec. De wandeling is een vrij populaire dagtocht en in het begin liepen we af en toe in optocht over het wandelpad. In het begin liepen we door het beekdal op een wandelpad met bruggetjes en trappetjes.

Ronac struikelde al vrij snel doordat er iemand in de weg stond en schaafde zijn hele knie open op het grindpad. Bij het kruispunt van Podžiar aangekomen namen wij de blauwe route rechtdoor en veel mensen volgden een kortere route linksaf. Het werd al snel een stuk rustiger om te lopen.

De route kreeg wel steeds meer uitdaging en het pad ging over de rotsen en af en toe moesten we bij steile stukken een ketting vast houden. De wandelroute volgde de rivier Dierový potok. Het rots massief, de kloven en de ravijnen werden afgewisseld met dennenbossen en watervalletjes.

We kwamen langs waterval Horné Diery naar de bergpas Sedlo Miedzirozsutce. Het laatste stuk naar de Sedlo Miedzirozsutce was flink zweten en de vermoeidheid van het naar boven lopen en klimmen en klauteren sloeg toe. We rustten lange tijd uit en genoten van het uitzicht. In dit gebied leefde Juraj Jánošík. Deze opstandeling, strijder en rover was een soort Robin Hood en is een nationale held van Slowakije. De verhalen van deze volksheld leven nog steeds voort in literatuur, opera’s en musicals.

Pappa besloot om alleen het laatste stuk naar de Veľký Rozsutec te lopen en mamma en wij zouden aan de terugweg beginnen. Het eerste stuk was lastig door een stuk bos dat tegen de steile bergwand van de Veľký Rozsutec was gelegen. Het was glad en modderig en met angst om niet naar beneden te glijden, wist mamma ons één voor één veilig verder te loodsen. Wij waren op sommige momenten toch wel wat angstig.

Na ongeveer een half uur gelopen te hebben, zagen we pappa alweer aan komen. Hij haalde ons in en met zijn vieren liepen we verder. Het laatste gedeelte van de wandeling was vrij vlak en we eindigden bij Hotel Diery.

We hadden honger gekregen en zochten een tafel bij restaurant Terchovská Koliba Diery. Ronac nam een pannenkoek met fruit, pappa en mamma een schotel met diverse Slowaakse specialiteiten (o.a. halušky, bryndza en worst ) en ik een schnitzel met spek en gebakken aardappelen. Op de camping speelden we nog voetbal en in de speeltuin. We eindigden de dag met een ijsje en vielen in slaap bij de gitaar spelende buurman.

Op de lange latten

Het werd een spannende dag voor mij want ik ging naar mijn eerste les om te leren skiën. We stonden eerder op uit bed om op tijd klaar te zijn en niet te laat te komen. De bus stopte direct bij het appartement en zo legden we de laatste 500 meter naar boven af. Omdat de sneeuwgrens boven de 1500 meter lag op dit moment werden alle skilessen op de berg gegeven in plaats van bij het Talstation. Met de 8-persoons Hochzeigerbahn gingen we naar het Mittelstation op 1450 meter. Normaal telt het skigebied ongeveer 54 kilometer aan skipiste maar het gedeelte van de Sechszeiger is gesloten in verband met de weinige sneeuwval.


Voor het eerst op de (nog niet zo heel) lange latten.

Voor mij maakt het niet zoveel uit als ik maar kan leren skiën. Mijn les was bij de oefenweide van de plaatselijke skischool. De mascotte is de berggeit Pitzi en hij schijnt zich zo af en toe te laten zien. Ik maakte kennis met mijn skileraressen in de bambinigroep. Om 10:00 uur werd er gestart met de les. Eerst moesten we een beetje warm worden door met een hoepel te rollen en proberen te pakken. Vervolgens kregen we onze ski’s aan en konden we op de bewegende band gaan staan. De band bracht ons naar “boven” en daar gingen we van start met het leren van de “flug” of ook wel de pizzapunt genoemd. Hiervoor moesten we proberen om de ski’s in een V-vorm te zetten en te remmen door druk uit te oefenen op de ski’s. Ik vond het allemaal maar lastig en liet me liever recht naar beneden glijden maar dat was natuurlijk niet de bedoeling.


Af en toe begreep ik mijn Oostenrijkse skijuffen niet omdat ze alleen maar Duits spraken. Op zich vond ik het wel heel leuk om te doen maar na twee uur les was ik best uitgeput. Bij deze skischool kun je pas vanaf 5 jaar ook de middag lessen volgen en daarom had ik de middag vrij. Keyro kwam na zijn skiles samen met pappa en mamma naar mij toe en gezamenlijk gingen we naar het centraal gelegen Zeigerrestaurant. We gingen buiten op het terras in de zon zitten, heerlijk. Af en toe werden we even nat door het rond stuivende sneeuw van het sneeuwkanon. In de middag oefende ik wat met mamma bij de oefenweide terwijl Keyro wel de berg af zoefde met zijn skiklas. Later op de middag gingen we met de bus terug naar huis en kon ik nog lekker wat spelen in ons appartement. ’s Avonds aten we spaghetti met tomatensaus. We speelden wat spelletjes en keken televisie. Ik was toch wel moe van de hele dag actief buiten bezig zijn en verlangde om 20:00 uur echt naar mijn bedje.


De ski broers in de sneeuw.