Centraal Europa: Dag 18; Ridders van Egri Vár

In de ochtend reden we met de auto naar één van de mooiste delen van het Bükkgebergte. Nabij het dorp Szilásvárad zo’n 30 kilometer noordelijk van Eger ligt het Szalajkadal. Het dorp is het centrum van de prachtige witte Lippizaner paarden In Hongarije. Wij bezochten het dorp niet maar reden naar een parkeerplaats aan het begin van het dal.


Wij liepen naar het treinstation en kochten een kaartje voor een tocht met het treintje dat ons een stuk naar boven bracht. In de zomer rijdt het treintje t met enige regelmaat heen-en-weer over de 5 kilometer lange smalspoorlijn. We hoefden niet lang te wachten. Bij het laatste station stapten wij uit en begonnen we aan de wandeling naar de oermensengrot van Istállóskõ dat boven aan het Szalajkadal ligt. Het was een pittige klim over een smal, glibberig pad. De grot ligt bovenaan de hoogste berg van het Bükkgebergte op zo’n 959 meter hoogte.


Genieten van de prachtige groene omgeving.

Archeologen vonden in de grot onder andere resten van twee bewonersgemeenschappen. Zij vonden onderdak in de grot zo’n, 44.000 jaar geleden en 30.900 jaar geleden. Het waren voornamelijk jagers die waren gespecialiseerd in de jacht op de holenbeer, oer bizon en mammoet. Er werden pijlpunten, , beenderen en een fluit met drie gaatjes vervaardigd uit een stuk bot van een holenbeer gevonden. Wat dieper in de grot vonden ze ook een stookplaats. Er was ook een lugubere vondst. Archeologen groeven het gebeente op van maar liefst 27 personen die er het slachtoffer van kannibalisme waren geworden.


de oermensengrot van Istállóskõ

We liepen wat door de grot en begonnen aan de terugweg naar beneden. De natuur is hier schitterend. We volgden het dal en kwamen langs verschillende meren die gevuld worden door een klein beekje. De beek wordt weer gevoed door verschillende bronnen. Op weg naar beneden heeft de beek verschillende watervallen gevormd. De bekendste is de zeventien meter hoge Fáytol trappenwaterval. De waterval stroomt trapsgewijs naar beneden en is ontstaan door kalkafzetting. Ieder jaar is de waterval weer een beetje anders, omdat de bekkens waar het water in blijft staan, aangroeien en veranderen.


De Fáytol trappenwaterval

In dit bos lagen ook nog verschillende oude kweekvijvers voor de viskwekerij. We zagen de vierkante bassins direct langs het pad liggen en deze worden nog altijd gebruikt. De Szalajka-forellen (pisztrang) zwemmen in de bassins lekker hun rondjes. We kwamen nog langs een hertenkamp en voor we het wisten waren we alweer terug bij de parkeerplaats. We aten een broodje in de auto en reden terug naar de camping om de auto achter te laten.

We hielden even een “zen” moment en vertrokken daarna voor alle festiviteiten naar het centrum van Eger. Voordat we naar de burcht gingen aten we iets bij één van de gezellige restaurantjes. Wij namen pasta en pappa en mamma hadden halušky met stoofschotel. Na de lunch liepen we naar de burcht. Het gebied rondom Eger is al bewoond sinds de steentijd. In de 11e eeuw werd het pas echt belangrijk toen koning István er een bisschopszetel stichtte. De restanten van het bisschoppelijk paleis liggen binnen de muren van de burcht (Egri Vár). Toch is de burcht het meest bekend om “het beleg van Eger”.

Tijdens de oorlog tegen de Turken vielen in 1522 veel burchten zonder verzet in Turkse handen. In 1552 werd de stad door een grote Turkse legermacht omsingeld. De Hongaren (2000 soldaten met hulp van hun vrouwen en kinderen) hielden 40 dagen stand tegen de Turkse aanval. Onder leiding van István Dobó vochten de verdedigers van de burcht succesvol tegen een overmacht van 100.000 Ottomaanse soldaten. Doordat de verdedigers telkens van bastion verwisselden kregen de Turken het idee tegenover een veel grotere verdedigingsmacht te staan.


De belegering van Eger

Dappere vrouwen en kinderen hielpen de Hongaarse soldaten mee en goten vanaf de kasteelmuren kokend water en teer op de Turkse belegeraars. De naam van de bekendste wijn van Hongarije, Egri Bikavér (“stierenbloed”) komt voort uit twee legendes rond deze overwinning. De Hongaarse verdedigers kregen hulp van de legendarische “strijdende vrouwen van Eger”. Volgens de legende mengden zij stierenbloed door de wijn, waardoor de kracht en de strijdlust van de verdedigers toenam. Een ander verhaal dat verteld wordt is dat kasteelcommandant István Dobó tijdens de strijd tegen de Turken zijn oververmoeide en verzwakte manschappen wijn te drinken gaf. De wijn pepte de Hongaren op, en zo verschenen ze, half dronken, op de kantelen van de burcht.

De belegeraars zagen het rode vocht van de Hongaarse snorren en baarden druipen en dachten dat de Hongaren stierenbloed hadden gedronken. Met het kromzwaard tussen de benen sloegen de Turken op de vlucht. Iemand die het bloed van een stier gedronken had was immers onoverwinnelijk.” In 1596 keerden ze echter terug en toen lukte het hen wel de burcht te veroveren.


Martelmuseum in het kasteel.

In de burcht werden onder andere verhalen nagespeeld van het beleg. Er waren Hongaarse krijgers, Turkse krijgers, vaandeldragers, ambachtslieden en marktkoopmannen te zien. We liepen lange tijd rond en amuseerden ons super. Bij een van de marktkramen kochten wij een ridder outfit. Zwaard en helm. We konden zo mee doen in het thema, haha.


Onze twee strijders hielden ook een aantal heroïsche gevechten in het kasteel.

We bezochten ook nog de onderaardse gangen waar een tentoonstelling was met allerlei martelwerktuigen. Een beetje luguber allemaal. Toen het wat donker werd dronken we wat op het binnenplaats en oefenden onze riddermoves op het plein. In het donker liepen we terug naar de camping. We dachten een stukje af te snijden door een andere weg te nemen maar dit pakte net verkeerd uit. We liepen uiteindelijk een stuk om maar voor ons als ridder was dat geen probleem. Moe van alle gevechten en indrukken, vielen wij al snel in slaap.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *