Seventeen Islands

Vermoeid van de onrustige nacht maakten pappa en mamma ons rond 7:00 uur wakker. We hadden allebei geen zin om op te staan. Ronac zijn humeur was duidelijk nog een tikje erger dan die van mij. Een kwartier later dan gepland, werden we door Elvis naar de haven gebracht. Hier lag de boot voor onze snorkeltrip voor ons klaar. Eigenlijk belachelijk want de haven was aan het einde van de weg en zo’n 300 meter lopen vanaf ons verblijf!


Riung is een klein vissersdorp en langs de kust zagen we de traditionele huizen die gebouwd zijn op palen. De bevolking van Riung bestaat uit een mengeling van islamitische Buginezen en Bajau (zee nomaden) oorspronkelijk afkomstig van het eiland Sulawesi en katholieken uit het achterland. Voor de kust liggen verschillende eilanden behorende bij het National Park Pulau Tujuhbelas (Zeventien eilanden) en deze zijn bekend vanwege de koralen, vissen en duizenden vliegende honden. We maakten kennis met de bootsman en zijn twee zonen en gingen aan boord. We voeren als eerste naar het eiland Ontoloe begroeid met mangroevebossen.


Vliegende honden

De bomen hangen er vol met duizenden kalongs (vliegende honden). Ze zijn familie van de vleermuizen maar in tegenstelling tot hun, ook overdag actief. Hun oranje-bruin kop blijkt echt op een hondenkop te lijken. Je moet dan wel heel goed kijken want ze zaten best ver weg. Als een aantal kalongs opvliegen is het een spectaculair gezicht. Daarna moesten we een aardig stuk varen en meerden we aan bij een mooi eiland met prachtig wit zandstrand. Vanaf het strand konden wij direct gaan snorkelen. Terwijl wij tussen de koralen en wuivende grassen op zoek gingen naar de oranje en geel gestreepte “Nemo ”visjes, werd onze lunch klaargemaakt.

lekker vers gebakken vis.

De vers gevangen vis werd schoongemaakt en geroosterd op een vuurtje. De geur alleen al was onbeschrijfelijk. De lunch was voortreffelijke en bestond naast de geroosterde vis uit mie goreng of nasi putih (witte rijst), kroepoek en bananen. Na de lunch gingen we aan boord en voeren we een stukje terug. De bootsman gaf aan dat we tussen de twee eilanden overboord konden gaan om te snorkelen en zo naar het eiland konden zwemmen. Hij zou ons dan aan de andere kant van het eiland weer oppikken. Met zijn vieren gingen we overboord. Ik samen met pappa en Ronac met mamma. We zagen koraal in de meest schitterende kleuren: blauw, roze, geel, wit en alles kleuren die daartussen zitten. De vormen variëren van hertengewei en mensenhersens tot uitwaaierende rokken van flamenco-danseressen.


Finding Nemo.

Natuurlijk kwamen er ook weer een boel felgekleurde vissen voorbij zwemmen en lagen er een hoop zee-egels en zeesterren op de bodem. We vermaakten ons na het snorkelen nog een uurtje op het strand voordat we terugkeerden naar het dorp. Elvis stond ons al op te wachten en bracht ons naar het huis om onze spullen op te halen. Deze nacht zouden we in het Bintang Wisata Hotel doorbrengen. In de avond zijn wij gaan eten bij Rumah Makan Murah Muriah restaurant en zij staan bekend om hun ikan asam pedas (soep). Mamma bestelde het en pittig was het inderdaad maar wel lekker. Terwijl wij wachten tot het eten klaar was, las ik in mijn werkboek Indonesië en leerde Ronac van alles met getallen in een werkboek over hoe kan het ook anders getallen. Teruggekomen bij het hotel, was het voor onze kamer een gezellige boel. Een aantal families waren noedelsoepjes aan het maken en er was een groot kampvuur. We waren bang dat we weer lang wakker zouden liggen vanwege geluidsoverlast maar dat bleek gelukkig niet het geval. We gingen naar bed, keken een aflevering Raveleijn en vielen direct in slaap.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *