Take One

We sliepen uit tot 8:30 uur en pakten de laatste spullen nog in. We hadden voordat we vertrokken nog een lekker ontbijt bij het zwembad. De eigenaar kwam nog vragen of alles naar wens was en wilde Ronac wel daar houden.

In ruil voor een paar dromedarissen kon het wel besproken worden, zei pappa. Uiteindelijk ging Ronac natuurlijk gewoon met ons mee

We reden door Ouarzazate, een vrij nieuwe stad die in 1928 werd opgebouwd vanuit het niets. Het was een garnizoensstad om te fungeren voor het Franse vreemdelingenlegioen. De stad diende om het grensgebied van de Sahara en de opstandige Berbervolken in de gaten te houden. Tegenwoordig is de stad vooral bekend om de grootste filmstudio ter wereld, de Atlas Studios. De stad wordt ook wel het “Hollywood van Marokko” genoemd. Er is een nieuw en een oud studiocomplex.

Het oude complex is toegankelijk gemaakt en het is een soort van museum. Wij bezochten het oude complex en zagen verschillende decors die gebuikt waren voor bekende films. Hier werden onder andere films als Gladiator, Jewel of the Nile, Kundun, Passion of Christ, Ben Hur, Asterix & Obelix, Kindom of Heaven en vrij recent de film Babel en serie Game of Thrones. Het was verbazingwekkend hoe de decors zijn opgebouwd.

Veel is van piepschuim en wordt met de hand beschilderd zodat het er echt uitziet. Achter het decor staan houten constructies die het decor omhoog houden. Ongelofelijk, zo waren we in een Chinese tempel en niet veel later weer in een Griekse tempel of bij de piramides.

We tilden met gemak een reuze rotsblok en Ronac was voor even een farao. Leuk om de wereld van de filmindustrie eens van een andere kant te bekijken. Na de filmstudio reden we weer richting de Tizi ’n Tichka. We namen een andere route dan de eerste keer. Eeuwen lang trokken de “Blauwe mannen” uit de woestijn (de Touaregs) via deze karavaanroute met hun kamelen en handelswaar de woestijn door. Slaven, goud, zout, thee, suiker enzovoort werden meegenomen dwars door de onmetelijke Sahara om in verschillende handelscentra van eigenaar te verwisselen.

Eén van de belangrijkste handelsroutes liep vanuit Timboektoe (Mali) via Zagora, de Dra-vallei, de vallei van Ounila en Marrakech naar Essaouira. We kwamen door Aït Ben Haddou waar het nu een stuk drukker was. Het was een vrij rustige maar goede weg en er was veel te zien que gesteente, valleien, dorpjes en uitzichten.

We kwamen langs de ruïnes van kasbah Tamdaght en langs het dorp Telouet. De weg werd steeds slechter en op een aantal plaatsen waren ze de weg ook aan het herstellen. Soms vroegen we ons wel af of het de juiste route was en we goed reden. Ronac werd weer misselijk en we stopten op sommige plaatsen om te genieten van al het moois. Vooral het contrast tussen het droge rood-oranje landschap en het uitbundige groen langs de oevers van rivier was opmerkelijk.

Hier en daar zagen we vrouwen die hun was doen en te drogen legden op de rotsen. De route was uiteindelijk wel een uur of anderhalf uur langer dan die op de heenweg. Net voor het hoogste punt draaiden we de doorgaande weg weer op. Ook hier veel wegwerkzaamheden dus echt opschieten deed het niet. Uiteindelijk arriveerden we rond de klok van 16:30 uur bij Palais Ghiat.

Het hotel is gelegen tussen de akkers bij één van de voorsteden van Marrakesh. We belden aan bij de dichte poort maar er werd niet opgedaan. We probeerden rond te rijden maar dat lukte niet. We draaiden om en keerden terug en toen ging het hek ineens wel open? We checkten in en kregen thee en cake op het terras.Het hotel had een mooie tuin en een zwembad. Er liep een pauw rond die af en toe zijn veren showde en later kwam er ook een puppy aanlopen.

Ronac was helemaal verliefd op het kleine hondje. Ik ging even zwemmen in het zwembad, lekker verfrissend. In de omgeving was niets te doen dus aten we bij het hotel.

Het eten viel een beetje tegen. De kiptajine was niet echt mals en na het eten werd de tafel ook niet afgeruimd. We speelden nog wat spelletje smet de kaarten en gingen daarna naar bed.

Oasis du Fint

We deden vandaag rustig aan en hadden niet echt iets op het programma staan. We bleven wat langer in bed liggen en zaten pas om 10:00 uur aan het ontbijt. Op aanraden van de eigenaar maakten we een uitstapje naar de oase van Fint. Het ligt op slechts 12 kilometer van Ouarzazate.

Een deel van de weg er naar toe is geasfalteerd maar dan verandert de omgeving en rijden we door een soort van maanlandschap. Het is een steenwoestijn en de weg bestaat uit grind. We zien een enkele auto maar verder alleen maar een droog en dor landschap en veel stenen. Zomaar ineens doemt de oase voor ons op. Een groene zee van palmbomen met een paar dorpjes en een rivier.

De oase ligt tussen de bergen van de hoge Atlas en de anti Atlas.  We reden de berg af naar beneden voor een bezoek aan de oase. Vlak voor de oase probeerden mannetjes ons te ronselen om de auto te parkeren met de reden dat we met de auto niet verder mochten rijden. We trapten er niet in en reden verder. Een tiental meter hetzelfde verhaal. Iedereen wilde onze gids zijn et cetera. We reden uiteindelijk achter iemand aan die ons leidde naar de parkeerplaats die ook op onze navigatie stond.

Net voor we de parking opreden, kwam er een vrouw met ezel langs. Er was eigenlijk geen ruimte voor haar om te passeren maar ze duwde haar ezel gewoon door. We horen een schurend geluid langs de auto. De takken die op de ezel gebonden waren, krasten in onze auto, ai, ai. Nou ja, we konden er nu niets meer aan doen en zouden het wel horen als we de auto moeten inleveren.

We gaven de jongen aan dat we zelf een rondje wilden lopen en dat respecteerde hij. De oase is nog niet zo heel lang bewoond en degenen die er wonen, zijn vooral voormalige slaven uit het zuiden. Het grootste deel van de oase is nog authentiek en heerlijk rustig. Toch hebben de laatste jaren ook de touringcars hun weg gevonden naar deze prachtige plek. Vandaag was het nog niet druk en we liepen door de oase met zijn akkers, boomgaarden en palmen.

Bij de rivier waren vrouwen de was aan het doen en kinderen waren aan het voetballen. We bleven even staan kijken bij alle bezigheden en liepen toen verder. Aan de overkant van de rivier lag een kleinschalig hotel. Vanaf het terras had je een prachtig uitzicht over de omgeving. We liepen terug naar de auto en besloten om in het restaurant nog wat te drinken. We kregen pindanootjes en een heel groot brood dat gebakken was in de traditionele oven.

We hadden niet veel honger maar namen uit beleefdheid toch allemaal een stukje. We kregen gezelschap van een lieve poes en een Italiaans stel met hun gids. De eigenaar kwam er ook bij zitten en we hadden wat leuke gesprekken. Toen we ons drinken op hadden, besloten we om verder te gaan. Onze volgende stop was het Cinema museum en de Taourirt kashba ten oosten van de stad Ouarzazate.

Het was niet ver rijden en we vonden direct een parkeerplek. We brachten een bezoekje aan het Cinema Museum. Het was best leuk om hier even rond te wandelen. We zagen foto’s, ornamenten, kleding en decorstukken die voor films zijn gebruikt. Ook was er een zaal met oude filmapparatuur. Het was jammer dat het ontbrak aan uitleg.

Nergens stond iets bij dus we hadden geen idee in welke films de rekwisieten waren gebruikt. Na het museum staken we de weg over naar de Taourirt kashba. Het dorp werd in de 13e eeuw gesticht en rond 1920 werd een grote vesting gebouwd op de overblijfselen van het oude fort. In de jaren 90 werd jet met hulp van UNESCO gerestaureerd. We liepen eerst om de kashba met zijn hoge kantelen en versierde gevels heen.

De kashba werd als decor gebruikt bij het draaien van meerdere films zoals ‘Jewel of the Nile’ en ‘Lawrence of Arabia’. We besloten om geen tour te doen en liepen zelf door het openbare gedeelte met de wirwar van straatjes. Een verkoper van tapijten wees ons een hotel waar we vanaf het dakterras een geweldig uitzicht hadden. De eigenaar was een Fransman en zeer vriendelijk. Het hotel was echt een pareltje.

Na ons tochtje door de straatjes waren we toe aan iets verfrissends. We wilden een ijsje halen. De eerste verkoper kon de sleutel van zijn diepvries niet vinden dus liepen we naar de tweede en kochten daar een lekker ijsje. Na de verfrissing liepen we terig naar de auto. We gaven de beveiliger een paar dirham en reden terug naar Dar Farhana.

Hier besteedden we onze vrije tijd lekker aan het zwembad en op het dakterras. ’s Avonds was het opnieuw genieten van het heerlijke eten dat door het personeel van Dar Farhana werd klaar gemaakt. De tajine was toch weer anders dan we hem elders hadden gehad. We lagen wat later in bed maar hebben morgen dan ook weer een rustige dag.

Dromedarisrit

Zo wat koelde het af in de nacht. Het was echt koud ondanks de dikke dekens die we hadden gekregen. Midden in de nacht ben ik mijn fleecevest nog aan gaan doen. Rond 6:15 uur werden we wakker gemaakt voor de zonsopgang maar Ronac en ik hadden geen zin om op te staan. Pappa was wel meteen wakker en mamma verliet 10 minuten later ook de tent om de zonsopgang te zien.

Wij bleven nog een half uur liggen en toen moesten we echt opstaan. We vertrokken rond de klok van 7:15 uur terug naar de bewoonde wereld. De temperatuur was een stuk aangenamer dan gisterenmiddag. De rit was minder prettig omdat we toch wel een beetje pijn aan de billen en bovenbenen hadden.

Rond 8:30 uur waren we terug bij het huis van Hassan. We konden al het zand afspoelen onder de douche en waren daarna weer helemaal schoon. We kregen na de douche nog een ontbijt aangeboden. Heerlijke lekkernijen kwamen er weer op tafel. De dadelpasta was verrukkelijk en we kregen van Hassan een pot cadeau om mee te nemen naar huis. Na het ontbijt laadden we de auto weer in en nemen afscheid.

We begonnen aan een lange rit naar Ouarzazate. Via Rissani reden we in de richting van Nkob en vervolgens naar Agdz. We kwamen door de vallei van de rivier de Draa. In de plaats Agdz maakten we een stop voor een late lunch. We bestelden spiesjes die op de barbecue voor het restaurant werden gegrild. Naast ons zat een Nederlandse familie waarvan de jongste zoon nog even mee deed met toepen (kaartspel). Het eten smaakte goed.

We hadden nog wat kilometers voor de boeg en reden na een uur pauzeren weer verder. Het laatste stuk ging weer door de bergen met scherpe bochten. De uitzichten waren fantastisch. In de late middag arriveerden we bij Maison d’ hotes Dar Farhana in Ouarzazate. We kregen thee met wat lekkers en werden daarna naar de kamers gebracht. We probeerden duidelijk te maken dat we een driepersoonskamer hadden gereserveerd maar dit werd niet begrepen.

We kregen twee tweepersoonskamers tegenover elkaar. We zetten onze spullen neer en trokken onze zwemkleding aan. Na anderhalf uur kwam de eigenaar ons vertellen dat we de verkeerde kamers hadden en vroeg of we onze spullen wilden verplaatsen. Gelukkig was er nog niet veel uitgepakt en hadden pappa en mamma het al snel geregeld. Ik zwom lekker in het zwembad maar net zoals bij alle andere zwembaden tot nu toe vond Ronac het te koud.

De accommodatie is echt super. De sfeervolle kamers, mooie binnentuin en het zwembad, heerlijk relaxen zo. We aten opnieuw bij de accommodatie. Het werd geserveerd in de speciale eetkamer met uitzicht op de tuin en het verlichte zwembad. We kregen salade vooraf, soep en als hoofdgerecht hadden we pastilla. Het nagerecht was vers fruit, sinaasappel en meloen. Na het eten mochten we nog even gamen en een korte film kijken voordat we naar bed gingen.

De woestijn bij Erg Chebbi

Wat hebben we heerlijk geslapen in de ksar. Het was zo stil dat we langer sliepen dan de bedoeling was. We hadden ontbijt op het terras. Keyro had slechte zin omdat internet niet goed werkte. Voordat we vertrokken bezochten we nog het museum dat in de ksar gevestigd was. Ik had er ook weinig zin in maar toen we eenmaal binnen waren vond ik het erg interessant. Er was veel te zien in het museum. We zagen veel over hoe de verschillende stammen met elkaar samen leefden in de oase. Er waren verschillende gebruiksvoorwerpen, klederdracht en nog veel meer. We weten niet of we het hele museum bezocht hebben omdat ik ineens heel nodig naar de wc moest.

We checkten uit en deden de bagage in de auto. We hadden een flinke rit voor de boeg. We vervolgden onze route naar de poort van de woestijn, Merzouga. Het is een klein plaatsje aan de rand van de Sahara in de buurt van de Algerijnse grens. Het eerste deel van de route ging over een goede weg en verliep voorspoedig. Het gebied begon al woestijnachtig uit te zien met af en toe groene oases.

Na ongeveer een uur kwamen we in meer bewoonde omgeving en reden we niet harder dan 40 kilometer per uur. We reden dorpje in dorpje uit. Er waren veel controles onderweg. Bij sommigen mochten we doorrijden bij anderen moesten we even stoppen. De agenten waren meer geïnteresseerd in waar we vandaan kwamen en waar we naar toe gingen dan in de autopapieren of het rijbewijs. We kwamen door een klein gehucht waar op een plein een grote markt werd gehouden. We stopten even om de benen te strekken en rond te kijken.

We kwamen vervolgens door de grote stad Erfoud en al snel kwamen we in de buurt van Rissani. Het is de laatste stad voor de woestijn. Tussen Erfoud en Rissani hadden we verschillende musea of verkooppunten gezien van fossielen. We besloten om aan eentje een bezoek te brengen. Er kwam meteen een jongen naar ons toe en hij begon te vertellen over hoeveel fossielen en mineralen er in dit gebied gevonden worden. Het gebied is zeer bekend bij paleontologen en vooral de trilobieten uit deze regio zijn zeer geliefd.

In de harde kalksteen van het Atlasgebergte zijn de fossielen goed bewaard gebleven. Er is een grote diversiteit en er zijn verschillende bijzondere vormen gevonden van Cambrium tot en met het Devoon tijdperk. Trilobieten zijn uitgestorven geleedpotigen die in de zee leefden. Het lichaam van de trilobiet is opgebouwd uit een aantal delen. Het kopschild en staartschild zijn duidelijk te herkennen. Ze zagen er een beetje buitenaards uit. We liepen rond en zagen ook nog vele mineralen. Alles was natuurlijk te koop maar of het allemaal echt was, is en blijft natuurlijk de vraag.

We kochten voor een paar euro een steentje voor onze verzameling en doneerden een klein bedrag voor het behoud van het museum. We stappen weer naar buiten en in onze auto. Gelukkig met airco want het was al flink heet. Na Rissani volgen we de borden naar Merzouga, nog zo’n 35 kilometer te gaan. We rijden door een grindwoestijn met af en toe wat lage zandduinen. Soms zien we hoe de wind het zand opneemt en er kleine zandwervelstormpjes ontstaan. Ons idee van de woestijn en dat het allemaal zand is, klopt dus niet echt.

De woestijn is voor een groot gedeelte zwart gruis met zand eronder. Door de wind zijn de hoge zandduinen bij Erg Chebbi ontstaan. We zagen de rood kleurige duinen al van ver opdoemen in het landschap. We reden het dorp voorbij en zouden ergens naar rechts af moeten slaan maar we zagen geen weg. Degene waar we ons moesten melden voor de woestijntocht had ook geen adres maar alleen GPS coördinaten door gegeven. We reden door maar keerden weer om. Op de plaats waar we af zouden moeten, zagen we in de verte wel een groepje huizen liggen. In het zwarte grind zagen we bandensporen en we besloten om het er op te wagen. We volgden de sporen, reden rustig en kwamen bij het groepje huizen uit.

Bij de eerste mensen die we zagen vroegen we naar Hassan Lhou. De mannen bleken de buren te zijn en wezen ons het eerste huis dat we gepasseerd waren. Hassan kwam al aanlopen en we werden warm ontvangen. De auto konden we achter het huis parkeren en we werden naar de gastenkamer gebracht. We konden hier de spullen achter laten tijdens onze woestijntocht en morgen konden we hier gebruik maken van de douche. Het was nog veel te warm om te vertrekken en we moesten nog wat tijd door zien te komen. We gingen naar het platte dak en hadden daar vandaan uitzicht over het gebied.

We gingen alvast kijken bij de dromedarissen die ons straks de woestijn in zouden brengen. We gaan per dromedaris de woestijn in en niet per kameel. Beide dieren behoren tot de kameelachtigen en ze hebben veel overeenkomsten. Een dromedaris is een een bultige kameel die zijn oorsprong vind in het Midden Oosten. De kameel daarentegen komt oorspronkelijk uit Centraal Azië en komt nog in het wild voor. Beiden worden gebruikt als vervoersmiddel in de woestijn. Ze kunnen goed tegen de warmte en zweten weinig. Ze kunnen wel  meer dan 100 kilometer per dag afleggen zonder dat zij onderweg water drinken. We speelden ook nog een paar kaartspellen.

Gelukkig konden we binnen zitten want buiten was het echt bloedheet (35 graden).  Tegen 16:00 uur was het tijd en konden we vertrekken. Hassan ging zelf niet mee maar we maakten kennis met Omar de kamelenman. Ik moest als eerste opstappen en zou voorop gaan. Daarna volgde mamma, Keyro en pappa was als laatste. Omar had mijn kameel vast en de rest werd met een touw achter elkaar vastgemaakt zodat ze niet zomaar weg konden. We moesten eerst het stuk naar de weg afleggen. We zagen op de vlakte veel karkassen liggen van dode kamelen. Nadat we de weg hadden overgestoken kwamen we al meteen bij de woestijn en zandduinen.

Er werden in mijn zadeltassen nog wat groenten en voorraad gestopt en toen gingen we echt de woestijn in. Wow, wat vond ik dit prachtig. Ik keek mijn ogen uit en kon er geen genoeg van krijgen. De zandduinen bij Erg Chebbi zijn zo’n 150 meter hoog, 30 km lang en 10 km breed.

De Sahara is de grootste zandwoestijn op aarde. De naam Sahara is afgeleid van het Arabische woord sahra, dat woestijn in algemene zin betekent. De Sahara is zeer droog en er valt maar weinig neerslag per jaar. Niet de hele Sahara bestaat uit de kenmerkende ergs (zandduinen) maar er zijn ook veel rots gebieden.

Hier zagen we voornamelijk rood zand. Het was in totaal ongeveer 1 ½ uur tot we bij het woestijnkamp aan kwamen. Het kamp bestond uit een aantal berbertenten waar we de nacht in zouden doorbrengen. Er waren 5 gastententen, een gezamenlijk tent en een tent voor de kamelenmannen.

Na aankomst waren we vrij om te doen wat we wilden. Pappa en mamma gingen op een board staan en gingen sandboarden de berg af. Echt hard ging het niet. Wij rolden gewoon de zandduinen af en hadden al snel het zand overal zitten.

Na ongeveer een half uur begonnen we te lopen naar de grootste zandduin (Erg) van het gebied. Het was een flinke klim naar boven. We wilden de zonsondergang zien maar helaas. Even voordat de zon zou verdwijnen, schoof er een grote wolk voor. In de schemering rolden we en liepen we terug naar het kamp. Er stond een pot met thee voor ons klaar die we op krukjes voor onze tent opdronken. We kregen gezelschap van een schattig poesje die zelfs voor een langere tijd bij mamma op schoot bleef liggen. We kregen rond 20:00 uur het eten geserveerd in de gezamenlijke ruimte.

Er was nog een Italiaans koppel en een Aziatische vader die Arabisch sprak met twee jonge zoontjes. Aan de laatsten zaten we ons een beetje te ergeren. Eerst haalden ze de poes die rondliep aan en gaven haar wat te eten om haar vervolgens te pesten en weg te jagen. Wij begrepen er helemaal niets van. Het eten was veel en lekker. Salade met rijst en mais vooraf, tajine met kip en groenten en fruit als toetje.

Na het eten waagden we een poging om djembé te spelen. Echt geweldig klonk het niet. Wat later op de avond gingen we nog even bij de kamelenmannen zitten die vannacht in de buitenlucht op een matras zouden slapen. Ze speelden djembé en zongen er bij. Het klonk een stuk beter dan ons getrommel. Het werd steeds donkerder en er kwamen steeds meer sterren tevoorschijn aan de hemel.

Het was bijna volle maan en het werd niet helemaal donker waardoor we minder sterren zagen dan gebruikelijk. Ondanks dat was het toch betoverend mooi. We maakten ons rond 22:00 uur klaar om naar bed te gaan. Morgenochtend worden we op tijd gewekt om de zonsopgang te zien.

Todgha kloof

Na het ontbijt verlaten we de Dadès kloof en gaan we op weg naar de bekende Todgha kloof (Todrakloof). Volgens de boeken zou dit gebied het hoogtepunt van het Atlasgebergte moeten zijn. Het eerste stuk was de doorgaande weg en vanaf het dorp Tinghir namen we de afslag naar de spectaculaire 15 kilometer lange kloof. We maakten een korte stop bij een uitzichtpunt over een oase, kashba en de bergen. Hier stonden veel verkopers en al snel werden we in berberstijl aangekleed.

We wilden doeken kopen die we in de woestijn zouden kunnen dragen. De onderhandelingen verliepen moeizaam. We kochten uiteindelijk toch vier doeken maar betaalden toch net te veel hiervoor. We reden verder en volgden de weg en rivier het steeds smaller wordende ravijn in. Het viel ons op hoe toeristisch het hier is. Bij de kloof betaalden we “entree” 5 MAD om de weg te mogen vervolgen. Het was superdruk. Overal stonden bussen geparkeerd en toeristen liepen als kippen zonder kop over de weg zonder te kijken. We reden eerst de kloof door draaiden de auto en zochten een parkeerplek.

Op sommige plaatsen was een parkeerverbod maar daar leek niemand zich iets van aan te trekken. We vonden een plekje en liepen het ravijn in. Het was erg fris zelfs met onze vestjes aan. De mooiste plaats was de reusachtige spleet met aan de ene de Oued Todra (rivier) en aan de andere kant de weg. Op dit punt zijn de 300 meter hoge bergwanden nog maar 10 meter van elkaar verwijderd. Je moest je hoofd in je nek leggen om dit wonder van Moeder Natuur op je in te laten werken. De kloof is ontstaan door de rivier de Todgha en de naburige rivieren die zich in de kalksteen hebben uitgesneden.

Uiteindelijk lopen we na niet al te lange tijd weer terug naar de auto. We verlaten de kloof rond het middaguur en gingen op weg naar Ksar El Khorbat in het dorp Tinejdad. Onze accommodatie voor vannacht bevindt zich in de oude ksar. Onderweg zien we langs de kant wilde dromedarissen lopen en het landschap wordt kaler en droger. De rit verliep voorspoedig en we arriveerden rond 13:00 uur bij de accommodatie. In het dorp was het nog even zoeken omdat onze navigatie het liet afweten en ons rondjes liet rijden.

El Khorbat is gelegen in de Ferkla Oase niet ver van het centrum van Tinejdad. De ksar werd in 1860 gebouwd en wordt nog steeds bewoond. In de ksar zijn een aantal huizen ingericht als verblijfplaats voor toeristen. We krijgen een kopje thee aangeboden en konden daarna naar onze kamer. De ksar is volledig opgebouwd uit aangestampte leem en binnen is het heerlijk koel. De kamer is donker maar qua sfeer fantastisch. Het feit dat we in een echte ksar logeren tussen de lokale bevolking maakte het extra speciaal. We zetten de bagage op de kamer en gaan terug naar de mooie groene tuin waar we konden lunchen.

Pappa en mamma bestellen briouts (bladerdeeghapje) en wij namen beiden de sandwich tuna. Na de lunch konden we relaxen in het zwembad. Het was bewolkt en ook hier ging ik alleen het zwembad in. Ronac vond het veel te koud. Tussendoor gingen pappa en mamma nog een stukje wandelen door de ksar en vingen zij een glimp op van het lokale leven. Het complex bestaat uit een hoofdsteeg en een aantal zijstegen.

De stegen zijn overdekt doordat de huizen eroverheen gebouwd zijn. Hier is het dan ook erg koel. Op sommige plaatsen valt het zonlicht door de steegjes en dit zorgt voor een prachtig lichteffect. De palmoase bleek ook weer droog en dor te zijn net zoals in Skoura. Het was heerlijk toeven in El Khorbat en we deden niet veel meer dan zwemmen, spelletjes en relaxen. ’s Avonds aten we in het restaurant.  Mamma had tajine met köfte (gehaktballetjes), pappa grillspies met kip en wij hadden spaghetti bolognese.

Toen het donker was gingen we terug naar de kamer. Het was gemakkelijk om in slaap te vallen want de kamer was donker en liet nergens licht door.

De Dadès vallei

Het was vandaag moeilijk om wakker te worden en op te staan. Uiteindelijk zaten we om 8:45 uur aan het ontbijt. We zouden om 9:30 uur starten met de wandeling. Het was nog koud maar het zonnetje begon al aardig te schijnen.

Onze gids heet Olaiyd en we hadden hem gisteren en vandaag al aan het werk gezien in het hotel. Hij vroeg ons wat geduld te hebben en even te wachten. We gingen naar buiten en genoten vanaf het terras van het uitzicht. Wat een verschil was met gisteren.

Om 10:00 uur kwam Olaiyd zich verontschuldigen dat onze lunch nog gemaakt moest worden en we nog niet konden vertrekken. Uiteindelijk was alle klaar en konden we gaan. We liepen een klein stukje langs de weg en sloegen daarna af de wadi (vallei) in.

We liepen langs de rivierbedding die vol met stenen ligt en er stroomt water doorheen.  We liepen langs akkers waar graan (gerst, tarwe), wortelen, kool en aardappelen verbouwd worden. Ook staan er veel palmbomen, amandelbomen en vijgenbomen. Veelal voor lokaal gebruik. We kwamen door slaperige berberdorpjes en langs stoffige ingestorte kashba’s. Zomaar ineens stonden we voor de kleurige rode bergen en vreemd uitziende rotspartijen. Hier loopt een smal bergpad de bergen in.

De tocht bestaat uit drie delen. Het eerste deel was vrij gemakkelijk lopen maar al snel werd het smaller en we moesten we flink gaan klimmen. Dit is dus het tweede deel. Op sommige stukken moeten we ons zien te redden op de bijna verticale rotsen. Met kleine pasjes liepen we over smalle richeltjes en trokken we ons omhoog aan de rotsen om de weg te vervolgen. Sommige stukken waren weer smal en waren we bang dat mamma kwam vast te zitten.

Voor hele dikke mensen is deze route niet aan te bevelen. We kwamen ook twee karkassen van berggeiten tegen die in de winter door het water in de kloof waren verdronken. Olaiyd steekt ons vaak een helpende hand uit maar de meeste tijd loop en klim ik als eerste naar boven. Het laatste stuk naar het plateau was een flinke klim en ging bijna steil omhoog. Olaiyd vertelde ons om rustig aan te doen en heel voorzichtig te zijn.

Ik ondervond geen problemen en stond als eerste boven. Leuk om mamma en Keyro zo te zien zwoegen. Het plateau is grauw en dor en er staan alleen maar rotsplanten en struiken.

We moeten nog een stukje lopen totdat we bij een berberwoning komen. De woning is uitgehakt in de rotsen. We worden door de familie (moeder met drie kinderen) uitgenodigd om binnen te komen kijken. Het is niet groot en best donker. De moeder en dochter verzorgen een kop thee.

Nu niet alleen met mint maar er bleek ook verse tijm aan toegevoegd te zijn. Naast de grot is nog een kleine ruimte waar het vee gestald staat. Er liep een ezel, een jonge geit en een kip. De jonge kinderen keken verlegen naar ons.

De dochter was bescheiden en verlegen maar ondanks at zeer geïnteresseerd in foto’s die we konden laten zien op de display van onze spiegelreflexcamera. De terugweg gaat bergaf en is een stuk gemakkelijker te lopen.

We komen weer uit in de groene vallei maar gaan nog niet terug. We lunchen op een vlak stuk met gras langs de rivier. Het broodje met kip, paprika en uien was het wachten wel waard geweest. Het was veel en er was ook nog banaan en sinaasappel.

De zon scheen behoorlijk fel en het werd aardig warm. We lopen nog een stuk tot we uitkomen bij een plek waar de rivier flink stroomt. We houden een rustpauze bij het water.

Ik was al aardig moe en er werd besloten om terug te lopen naar het hotel. We steken de (op deze plek) flink stromende rivier over. Geen stevige brug maar een smalle boomstam. Het grootste gedeelte van de terugweg lopen we langs de openbare weg.

Goed opletten want sommige auto’s scheurden toch nog best hard langs. Mamma nam me de laatste paar honderd meter op haar rug, super lief.

We waren rond 16:00 uur terug en verlangden naar een lekkere douche. Helaas viel dat tegen en werd het water niet warm. We spoelden ons snel schoon en droogden ons snel weer af. We deden het verder rustig aan. In de avond aten we weer bij het hotel. Helaas werd er exact hetzelfde eten geserveerd als gisteren. Na het eten waren we moe en gingen we direct slapen. Morgen rijden we verder naar nog een kloof in het Atlasgebergte en wel de bekende Todgha (Todra) kloof.

De rozenvallei

De dag begon met het typische Marokkaanse ontbijt. Bijna overal bestaat het tot nu toe zo’n beetje uit dezelfde ingrediënten. Met volle buikjes zetten wij de spullen weer in de auto om de Dadès vallei verder in te trekken. Het eerste stuk zou ongeveer een kilometer of veertig rijden zijn. Het gebied waar we vandaag door heen kwamen staat bekend als de rozenvallei.

De vallei dankt haar naam aan de talloze rozenstruiken die langs de oevers van de Dadès -rivier groeien. Bij het binnen rijden van Kelaa M’gouna zien we heel veel advertenties en winkeltjes die producten met rozen verkopen. We wilden een fabriekje bezoeken waar de rozen verwerkt worden maar gezien de donkere lucht in de verte besluiten we eerst door te rijden in de richting van Bou Tharar voor een korte wandeling.

We stopten nog bij een uitzichtpunt waar we hoofddoeken kopen voor onze tocht in de woestijn. We betalen er achteraf gezien veel te veel voor maar ja. De verkoper deed alle moeite om ons aan te kleden en foto’s te maken. We rijden verder door schilderachtige en slapende dorpjes. Het lijkt alsof we steeds verder terug gaan in de tijd. We zien ezels met kar en Marokkanen in traditionele kledij om even later weer afgewisseld te worden met een luxe auto en moderne geklede Marokkanen.

We stoppen langs de weg bij een gesloten restaurant om te zien of we daar vandaan kunnen wandelen in de vallei. We worden direct aangesproken door een oudere man die ons zegt waar we de auto kunnen parkeren en waar we naar toe kunnen gaan om te wandelen. Niet veel later gingen wij op weg. Het verhaal gaat dat in de 10e eeuw Mekka-reizigers een bepaalde rozensoort mee namen naar Marokko en deze hier plantte. Een ander verhaal vertelt dat de Feniciërs uit Persepolis in het oude Perzië de kleine, roze Perzische roos meebrachten.

Welk verhaal de juiste is weten we dus niet. We lopen langs vruchtbare akkertjes en zagen al snel de vele rozenhagen. Ze dienen als bescherming voor het land en tegen de loslopende geiten en schapen. Rozen worden al duizenden jaren gehouden om hun schoonheid. Ze worden bij veel rituelen en symbolen gebruikt en hebben verschillende betekenissen. Zo zijn rozen het symbool van de liefde maar kunnen ze ook symbool zijn voor rouw en dood.

De bloei van de rozen is van half april tot half mei en wij waren hier dus op het juiste moment!  Overal zagen we in de struiken de mooie roze rozen. De roos wordt vooral gebruikt voor de cosmetische en parfum-industrie. De blaadjes worden verwerkt in Franse parfums en andere geur- en smaak producten.  In de winkeltjes in de omgeving wordt rozencrème, rozenlotion, rozenzeep, rozenwater en rozenolie verkocht.

De bloemblaadjes worden met de hand geplukt en de olie wordt eruit gewonnen door stoomdestillatie. We dalen af naar de rivierbedding en steken de rivier over die in de loop van de jaren diepe geulen hebben uitgesleten in de bergen. Via een smalle balk steken we over. We lopen door een woud met fel groene planten en bomen.

Het gebied wordt gekenmerkt door het lichtroze tot diep rode gesteende van de bergen met op de achtergrond de Ighil M’Goun, die met zijn 4071 meter de op één na hoogste berg van Marokko is. Tussen de akkers zagen we een  irrigatiesysteem die ervoor zorgt dat alles hier zo goed kan groeien en bloeien. Er wordt van alles geteeld op de akkers en boomgaarden. Van granen, wortelen, kool, fruit et cetera. We lopen door een slapend dorpje met enkele huizen en keren hierna via een andere route weer terug naar de auto.

De uitzichten tijdens de wandeling waren fantastisch. We rijden in de auto door tot Bou Tharar maar dit dorp stelt niet zo heel veel voor. We draaien om voor de terugweg  naar Kelaa M’gouna .Ronac wordt ook tijdens deze rit weer misselijk en moest weer overgeven. Deze keer richtte hij minder goed in de plastic zak en we moesten een stop maken om hem schone kleding aan te doen. Halverwege komt de regen ineens met bakken uit de lucht. Goed dat we eerst de wandeling zijn gaan maken. Vanaf Kelaa M’gouna vervolgen we de weg voor de laatste vijfentwintig kilometer naar Boumalne de Dadés.

Een rozendestilleerderij komen we helaas niet meer tegen maar we besluiten om hier niet voor terug te rijden. We besluiten om de afslag naar de Dadeskloof te negeren en door te rijden naar het centrum van Boumalne om daar te lunchen. We rijden enkele keren de weg op en neer voor een parkeerplekje. Blijkbaar werd het gezien en plotseling werd er een parkeerplekje vrij gemaakt voor een restaurantje. We parkeren de auto en gaan naar binnen. Het restaurantje was simpel maar zag er verder netjes en schoon uit. We bestellen een sandwich en pappa en mamma nemen de kebabschotel.

Het is redelijk snel klaar en de porties enorm. We eten smakelijk. Na de lunch halen we wat eten en drinken en pinnen we weer wat geld. Bijna alles moet contant betaald worden en je pint maximaal maar € 200 en dan is het snel op. We verlaten Boumalne en rijden in de regen de Dadès kloof in. De weg naar de kloof is zestig kilometer lang en bleek zigzaggend door het landschap te lopen. Na iedere haarspeldbocht werden we verrast met spectaculaire uitzichten. Jammer van de regen en hopelijk is het morgen droog.

Onze accommodatie ligt op Onze accommodatie ligt op 18 kilometer van Boumalne in het gehucht Tamellalt. Auberge La Vallée des Figues  is gebouwd in traditionele Berberse stijl. We parkeerden de auto en gingen naar binnen. Ook hier weer ontvangst met Marokkaanse thee en allerlei zoetigheden. Omdat we vroeg waren konden we uit twee kamers kiezen. Iedere kamer bleek een terras te hebben met uitzicht op de bergen en valleien.

We zouden hier twee nachten verblijven.  Aan het einde van de middag klaarde het weer wat op maar het bleef goed koud (10 graden). Pappa en mamma gingen samen nog een wandelingetje maken. Wij hadden geen zin want voor morgen hadden we al een gids geregeld en moeten we dus ook gaan lopen. Volgens pappa en mamma is de omgeving prachtig.

Tijdens de wandeling liep er (ongevraagd) een jongen, Jamaal, met hun mee en hij liet ze berbergrotten zien en verlaten kashba’s. We hadden het diner bij de accommodatie. We hadden om 19:30 uur afgesproken maar moesten uiteindelijk toch wachten tot alle gasten beneden waren zodat het diner voor iedereen gelijktijdig werd geserveerd. We kwamen de tijd door met verschillende kaartspelletjes.

We kregen vooraf een soep met groenten en couscous en die moesten we met een soort pollepel uit de soepkom eten. Het tweede gerecht was pasta met kip en groenten. We aten goed en toen bleek dat we nog een hoofdgerecht kregen namelijk tajine rundvlees met vijgen. Een specialiteit van deze regio. Het dessert bestond uit fruit wat goed is om onze vitamientjes op peil te houden. We lagen uiteindelijk pas om 22:30 uur in bed.

Kashba Amerhidil

Onze dag begon rustig. Wat lezen, douchen en rond 8:30 uur zaten we aan het ontbijt. Verse jus d’orange, gekookt eitje, luchtige pannenkoekjes, warme broodjes met amandelschaafsel, honing, smeerkaas en jam. Om 9:15 uur vertrekken we en laten we Aït Ben Haddou achter ons.

We kwamen door de grote stad Ouarzazate waar we aan het einde van onze reis nog twee nachten zullen overnachten. Onze bestemming is Skoura, een klein dorp met ongeveer 2800 inwoners, gelegen in een (palm)oase aan de voet van het Atlas gebergte op de Kashbaroute in de Dadés vallei. Het ligt op de overgang tussen bergketens en woestijn. De oase bestaat uit de droge rivierbeddingen Oued El Hajaj , eindeloze rijen dadelpalmen en reusachtige zandkastelen. De oase werd in de 12e eeuw aangelegd door sultan Yacoub el-Mansour.

We zagen verspreid staande ksar en kashba’s langs de weg. De meeste dateren uit de 19e een 20e eeuw, maar er zijn er ook uit de 17e en 18e eeuw. Tijdens een heftige stammenoorlog in 1893 zijn vele oude kashba’s verwoest, evenals in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, toen de Fransen hier regeerden. Sommige zijn deels  nog bewoond en andere staan leeg omdat de bewoners naar moderne huizen in de buurt zijn verhuisd.

De beroemdste kashba in deze omgeving is die van Amerhidil (ook wel Imridil genoemd). De kashba stond zelfs afgebeeld op het oude 50 dirham biljet. We verlaten de verharde weg en volgen een paar kilometer de stoffige en hobbelige weg die leidt naar de kashba. We parkeren de auto en lopen naar de ingang. We worden al snel aangesproken door een meneer die ons direct in het Engels begint te vertellen over de geschiedenis van de kashba. Pappa weet hem te onderbreken om duidelijk te maken dat we niet zeker weten of we een rondleiding willen. Kareem is vriendelijk en zegt dat we ook zelf rond mogen kijken.

Hij spreekt goed Engels en als pappa hem vraagt wat het kost om hem als gids mee te nemen, blijkt hij een redelijke prijs te vragen. We besluiten om de kashba met hem te bezoeken. Kareem weet veel te vertellen en heeft ook nog humor. Onze namen werden veranderd in Mohammed en Ali (Keyro). Kashba Amerhidil dateert uit 1100 en is ontstaan als nederzetting gebouwd door koranleraar Thami El Glaoui., de laatste pasja van Marrakesh.

De nederzetting werd gebouwd van klei en stro en rijkelijk versierd met berbertekens. Er zijn vier torens voor de vier vrouwen van de pasja. In de jaren 60 werd de kashba nog bewoond maar werd later verlaten omdat het te duur was om de kashba nog te onderhouden. Bij regenval spoelt er namelijk een deel van de klei en leemlaag van de muren en dien je het te restaureren zodat de boel niet instort.

Een rijke familie nam het over en betaalde de kosten van een restauratie. Het is nu gedeeltelijk omgebouwd tot hotel en een deel is als museum ingericht voor het publiek. In de binnentuin zien we allemaal gereedschappen die op het land worden gebruikt. Via smalle gangen brengen we ook een bezoek aan vier verschillende keukens en de gebedsruimte. Ook was er een ruimte waar de kinderen lees kregen uit de Koran. De muren van de kashba zijn dik, de vertrekken zijn hoog en de toegangsdeuren laag.

Het is zo gebouwd om in de winter warm en behaaglijk te zijn en in de zomer blijven de vertrekken zo juist koel. Na de rondleiding lopen we naar de palmoase achter de kashba en krijgen we een glaasje thee bij familie van Kareem. Er was een soort showroom met handgemaakte producten maar er werd niets opgedrongen of verplicht om te kopen.

We hadden een leuk gesprek en vertrokken een half uur later weer terug naar onze auto. In totaal waren we dik anderhalf uur onderweg geweest met de rondleiding. We betaalden omgerekend ongeveer 12 euro, wat wij niet duur vonden voor deze goede en informatieve rondleiding. Vanaf kasbah Amerhidil reden we in één keer door naar onze accommodatie Chez Laila in Skoura.

We waren erg vroeg en onze kamer was nog niet klaar. We konden de auto daar laten staan en gingen te voet naar het centrum. We kwamen langs kale dorre vlakten met hier en daar een palmboom. Door de droogte van de laatste jaren zagen veel palmen er slecht uit of waren dood. Het zag er een beetje zielig uit. We belandden op de lokale weekmarkt waar werkelijk van alles verkocht werd. We kwamen verder maar weinig toeristen tegen. In de hoofdstraat zochten we naar een restaurantje om te kunnen lunchen. In onze Trotter reisgids werd restaurant La Kasbah aanbevolen en we gingen daar naar op zoek. We vonden het en werden  niet teleurgesteld.

Het terras werd overschaduwd door een prachtige boom. Er was geen menukaart maar gastheer Abdullatif ,die alleen Frans sprak, gaf ons de mogelijkheden door. We gingen voor de kipspiesen. Als voorafje kregen we een schaaltje olijven, beetje te bitter voor mij, en zelfgebakken brood. De gegrilde spiesen werden geserveerd met zelfgebakken, verse frieten en tomatensalade.

Onze gastheer gaf ons veel aandacht en maakte een leuk praatje. Hij gaf ons ook het gastenboek om een recensie te schrijven. Ik maakte hier ook een mooie tekening in. Als nagerecht hadden we voor een streekgerecht gekozen. Zelfgemaakte geitenkaas met honing uit de regio. Zo’n lekker kaas en honing hadden we allemaal nog nooit gegeten. Wat was dat lekker zoet en romig zeg! We kregen ook nog wat banaan en sinaasappel met kaneel als nagerecht geserveerd.

We namen afscheid van Abdullatif en pinden wat geld voor de komende dagen bij de bank. We liepen terug over de markt en kochten nog wat kruiden en nootjes. Mamma betaalde nog geen twee euro voor vier soorten kruiden. Bij een oude man kochten we de nootjes. We kochten 500 g zoute pinda’s en 500 g suikerpinda’s voor vijf euro. Alles werd op een oude weegschaal met echte gewichten afgewogen. Ondanks dat we de man niet konden verstaan, was hij super vriendelijk. Hij wilde zelfs met ons op de foto en straalde van oor tot oor toen mamma hem de foto liet zien.

Terug bij Chez Laila werden we direct naar onze kamer gebracht. Lang bleven we daar niet want er was een mooie tuin met zwembad. Helaas was het water erg koud en bleef ik meer aan de kant om te pootje baden. Keyro vond het wel heerlijk. Pappa en mamma zaten heerlijk wat te lezen onder één van de tenten.

’s Avonds hadden we het diner ook weer in onze accommodatie. Natuurlijk weer een voor- hoofd- en nagerecht. We startten met soep en daarna het hoofdgerecht. Mamma had de lokale specialiteit lam met vijgentajijne en Keyro en ik hadden een bord spaghetti. Het toetje was vers fruit. Uiteindelijk lagen we toch weer laat in bed. ’s Nachts onweerde het wat maar daar kregen wij niet veel van mee.

Tizi ’n Tichka pas

Na ons ontbijt namen we afscheid van Moumir en werden we om 9.10 uur opgehaald om naar het autoverhuurbedrijf te gaan. Het was een stuk drukker dan toen we aankwamen en na ongeveer 20 minuten kwamen we aan bij het kantoor van NJAM Car om onze huurauto voor de komende tijd op te halen. We werden vriendelijk ontvangen, zoals overal in Marokko tot nu toe, door de medewerkster. Meteen werd er gevraagd of pappa Marokkaanse roots had want ze vonden hen eruit zien als een Arabier. Haha, waarschijnlijk zullen we dit vaker gaan horen.

Er moesten wat formaliteiten in orde gemaakt worden. Er werd geen borg geblokkeerd op onze creditcard want ze vonden ons een betrouwbaar en eerlijk gezin. We kregen de auto waar we mee opgehaald waren, een Dacia Duster, precies zoals geboekt. De auto was nog maar een paar maanden oud en had zelfs nog geen nummerbord. Op de voor en achterkant zat een sticker met het kentekennummer. Blijkbaar duurt het administratieve proces en aanvragen van het nummerbord te lang en op deze manier mag je in Marokko toch in de auto rijden.

Alles was vrij snel geregeld en om 10:00 uur rijden we over de ringweg de stad uit. Met plattegrond van Njam Car en de gedownloade kaarten op de telefoon hebben we al vrij snel Marrakesh achter ons gelaten en rijden we op de N9 in de richting van Ouarzazate. De weg N9 is bijna 200 kilometer lang. Vanuit Marrakesh kun je de hoge bergketens van de Hoge Atlas al zien liggen. In de winter ligt er sneeuw en er zijn een twintigtal skipistes.

Ze liggen niet veel lager dan de Alpen en hebben meer dan de helft van het jaar sneeuw. De Jbel Toubkal is 4.167 meter hoog en de Jbel Sirouna erachter 2.773 meter. In een klein dorpje stoppen we even om wat drinken in te kopen. De weg is niet moeilijk te rijden, maar vergt wel enige stuurkunsten. Met pappa achter het stuur komt dat helemaal goed. Na ongeveer 2 uur rijden gaan we echt de bergen in. De weg is een aaneenschakeling van bochten en de uitzichten en landschappen zijn adembenemend.  Na iedere bocht veranderen de kleuren van groen naar bruin of rood. Er wordt op veel plaatsen aan de weg gewerkt en dat geeft wat op onthoud. Halverwege passeren we de Tizi n Tichka bergpas. Het is de hoogste bergpas van Afrika op bijna 2300 meter hoogte.

Langs de route staan veel lokale handelaren die enthousiast (of wanhopig?) geodes verkopen. Een “geode” is een bolvormig stuk gesteente waar de binnenkant begroeid is met gekleurde kristallen. De kleuren zijn knal roze, blauw en groen. Ze zien er onnatuurlijk uit en je ziet direct dat het vervalsingen zijn. Blijkbaar verkopen ze af en toe toch wat want ze blijven het aanbieden en proberen. Ronac werd van de bochtige wegen goed misselijk en spuugde een deel van zijn ontbijt uit. Gelukkig wel in een plastic zak die mamma ons bij voorbaat al had gegeven.

Bij een van de weinige restaurants op de bergroute maakten we een korte stop. We kochten wat drinken en Oreo koekjes en betaalden natuurlijk de hoofdprijs (95 dirham). Ronac was kwaad dat hij geen Pringles (chips) kreeg en maakte flinke stampij.  Na de Tizi n Tichka bergpas gaat de weg naar beneden en passeren we oude verlaten kasbah’s, kleine dorpjes en groene rivierbeddingen. We rijden om 14:30 uur onze plaats van bestemming binnen: Aït Ben Haddou. Onze accommodatie, Kasbah Valentine,  vinden we meteen en  we gastvrij ontvangen.

We krijgen eerst een kopje Marokkaanse muntthee. De Marokkanen drinken hun thee heel sterk en met heel veel suiker of honing. De typische Marokkaanse muntthee wordt dan ook wel eens “Marokkaanse whiskey” genoemd. Andere namen zijn: Toearegthee, Sahrawithee, Atay Benaa’naa’ of muntthee . Het is een thee die in Noord Afrika en in Arabische landen wordt gedronken. De muntthee staat centraal in het sociale leven in het Maghrebgebied. De thee wordt uit kleine theeglaasjes gedronken. Hoewel de ceremonie niet zo uitgesproken is, is de bereiding wel strikt. Eerst wordt de Chinese groene thee die de basis van muntthee vormt, in een metalen theepot gedaan en met een scheut kokend water gewassen. Na het afgieten van het water gaan de suiker en verse blaadjes van de munt in de pot en wordt het kokende water erop geschonken.

Vervolgens worden enkele blaadjes verse thee toegevoegd. De thee moet daarna nog 5 minuten doorkoken. Het eerste glaasje thee dat uit de pot geschonken wordt, wordt weer terug gegoten in de pot zodat alle smaken goed door elkaar trekken. Daarna worden de glazen ingeschonken. Ik vind de thee echt heerlijk. Bij de thee worden koekjes, dadels en nootjes geserveerd. Na het theemoment konden we naar onze kamer. De kamer bleek traditionele berberstijl ingericht.

Bijna de helft van de Marokkanen behoort tot het berbervolk. Berbers stammen af van de oorspronkelijke bewoners van Marokko. Ze hebben hun eigen taal, literatuur en muziek. De Arabieren vormen in Marokko de grootste groep. Toch hebben zij niet altijd in dit land gewoond. Ze kwamen in de zevende eeuw vanuit Arabië naar Marokko om de bevolking tot de islam te bekeren. De Berbers hebben de Arabieren eeuwenlang als indringers beschouwd.

Ze konden het slecht met elkaar vinden. Inmiddels is dat voorbij en nu leeft de bevolking in harmonie samen. Arabieren en Berbers hebben al meer dan duizend jaar dezelfde godsdienst, cultuur en geschiedenis. Vanaf het dakterras hadden we een prachtig uitzicht over de omgeving en de beroemde kasbah van Aït Ben Haddou. Deze middeleeuws verstevigde stad ligt in een vallei langs een rivier. De stad is bekend om zijn schitterende kasbah’s en staat op de werelderfgoedlijst van UNESCO. De kasbah’s zijn tegen een heuvel aangebouwd en opgebouwd uit leem, een grondsoort die fijner is dan zand. De kasbah is het verdedigbare deel van de medina (oudste deel van de stad) en wordt omringd door hoge stadsmuren.

Bijna iedere nederzetting in Marokko heeft haar eigen kasbah. Vroeger gebruikte men de kasbah als woning voor het dorpshoofd. Als er meerdere kasbah’s zijn noem je het ook wel een ksar. Een kasbah die als woonplaats wordt gebruikt noemt men ook wel een dar. Indien een kasbah als opslagruimte van graan wordt gebruikt, noem je het een igherm. En in sommige gevallen, zoals ook hier, doet de graanschuur tevens dienst als bewakingspost. Je noemt het dan agadir.

Vroeger  lag Aït Ben Haddou aan de handelsroute van de Afrikaanse Sahara naar Marrakech verbond. Toen de zon wat lager stond liepen wij naar de kasbah. Vanuit de verte leek het net op een zandkasteel. Voordat we de site konden bezoeken moesten we eerst de wadi (rivier) Maleh oversteken. Vertaald betekend wadi Maleh, “zoutrivier”. Het water is zeer zoutrijk en niet geschikt voor te drinken. Er stond niet heel veel water maar we moesten toch over de zandzakken en stenen lopen om geen natte voeten te krijgen.

De kasbah is één van de best bewaarde en best gedecoreerde kasbah’s van het land en staat inmiddels onder bescherming van Unesco. Er wonen niet veel mensen meer in de kasbah.  Er leven nog ongeveer tien families maar de meeste bewoners zijn weggetrokken naar het nieuwe gedeelte van de stad. De families die er nog wonen leven van het toerisme en niet meer van de opbrengsten van het land. We liepen via de smalle steegjes naar boven. De huizen (kasbah’s) zijn gegroepeerd in de verdedigingsmuren en die worden op de hoeken versterkt door hoektorens.

Bovenop de heuvel bevond zich de agadir (opslagplaats en bewakingspost). Het uitzicht over de omgeving, de palmenplantage, de woestijn en de Atlas is prachtig. De kasbah was ook het decor voor verschillende film. Zo werden onder andere de films:  Jewel of the Nile, Gladiator, Lawrance of Arabia, End of Times en Game of Thrones. We hadden ondertussen flink honger gekregen want we hadden niet geluncht. We liepen terug naar onze accommodatie en vroegen of het al mogelijk was om te eten. Het was geen probleem en al snel zaten we aan tafel en kregen we de menukaart. We bestelden als voorgerecht harira, gevulde soep met onder andere kikkererwten en linzen.


De kasbah werd ook gebruikt als decor voor de serie “Game Of Thrones”

Ik bestelde tajine rundvlees en groenten als hoofdgerecht, mamma nam couscous met kip, Ronac nam pizza en pappa had een speciaal gerecht pastilla. Vooraf werden er schaaltjes gemengde noten, amandelen, walnoten, olijven en dadels op tafel gezet. Zo lekker! We speelden kaartspelletjes tot het eten geserveerd werd. De soep kwam al snel en bleek aardig te vullen. De tajine, couscous en pizza kwamen ook vrij snel. Net pappa moest wachten op zijn gerecht. De pastilla werd vers gemaakt en is een hartig gevulde taart. Van oorsprong kom het gerecht uit Andalusië.

 

De buitenkant is van een heel dun deeglaagje en kan gevuld worden met verschillende soorten vleesvulling. De meest voorkomende vulling is met duif of kip en amandelen. Als de pastilla in de oven is gebakken wordt deze bestrooid met poedersuiker en kaneel. Het gerecht zag er prachtig uit en wordt dan ook vaker geserveerd op feesten. We wilden allemaal een hapje proeven van het gerecht. Een vreemde maar lekkere smaak. Het hartige in combinatie met de nootjes, poedersuiker en kaneel maakte het zeer zoet. Het toetje bestond uit sinaasappel met kaneel erover. Op de kamer keken we nog een filmpje en daarna gingen we naar bed.

Salaam Aleikum

Vanwege de late aankomst en donkere kamer werden we pas rond 9:00 uur wakker. De luiken voor de ramen zaten dicht en je hoort behalve wat vogeltjes nauwelijks andere geluiden. De kamer bleek er super en sfeervol uit te zien. We gingen naar beneden voor ons ontbijt dat geserveerd in de centrale ruimte.  De hele Riad straalt sfeer uit. Er is veel aandacht besteed aan details en afwerking. Het overdadige ontbijt werd geserveerd door Moumir en Aziza. Er was onder andere matlou (plat brood), beghrir (luchtige pannenkoekjes), verse jus d ’oranje, yoghurt, verschillende soorten jam, honing, koffie en Marokkaanse thee. Het smaakte prima. Na het ontbijt vertrokken we om de stad te gaan verkennen. Eerst moesten we aan geld zien te komen. Aan het einde van de straat vonden we een geldautomaat en konden we Dirhams, de nationale munteenheid pinnen. Het omrekenen is vrij gemakkelijk, 1 Dirham is ongeveer € 0.10.

Marokko is natuurlijk niet altijd hetzelfde geweest. De oudste staat van het land zoals we het nu kennen was het koninkrijk Mauretania (huidig Marokko en Algerije). De Berbers waren de allereerste bewoners van Marokko. In de 2e eeuw voor Christus tot begin 4e eeuw na Christus waren de Romeinen de baas in Marokko. In de 7e eeuw kwamen de Arabieren. Zij veranderden de geschiedenis van Marokko totaal. De Arabieren zijn afkomstig uit Arabië en brachten hun cultuur en godsdienst, de islam, met zich mee. Vanaf dat moment volgden mensen van dezelfde familie elkaar telkens op aan het hoofd van Marokko. In het begin van de twintigste eeuw ging het niet goed in Marokko door de ruzies en gevechten in het land. De Spanjaarden maakten hier handig gebruik van en vestigen zich in 1912 in het Noorden van Marokko. Vanaf 1830 had Frankrijk interesse in Marokko en er werd een overeenkomst gesloten met Frankrijk. De sultan van Marokko regeerde over zijn land, maar eigenlijk was de Franse regering de baas. Uiteindelijk kwamen de Marokkanen in opstand. Zo kwam sultan Mohammed Ben Youssef in 1956 op de troon terecht. Hij verklaarde Marokko onafhankelijk. Sinds 1999 kwam de huidige koning Mohammed VI aan het hoofd van het koninkrijk.

In de twaalfde eeuw was het de hoofdstad van de Almohaden. De handelsstad lag op de karavaanroutes in de Sahara die destijds bijna allemaal naar Timboektoe liepen. Rondom de stad loopt een negen kilometer lange rode aarden wal. Na de Franse bezetting in 1913 werd het moderne gedeelte van de stad gebouwd. Om de hoek bij onze Riad lag één van de koninklijke paleizen. Het Palais de la Bahia  is het mooiste en grootste paleis van de stad.

Eén gedeelte van het paleis wordt nog gebruikt door de huidige Koninklijke familie wanneer zij in Marrakesh zijn. Het werd gebouwd aan het einde van de 19e eeuw in opdracht van Abu ‘Bou’ Ahmed. Hij was voorheen een negroïde slaaf die uiteindelijk Eerste Minister voor de Sultan werd. Abu Ahmed had vier echtgenotes en een harem van 24 concubines. De hoeveelheid kamers, 150 in totaal, moesten er voor zorgen dat de harem vrouwen elkaar zoveel als mogelijk konden ontwijken. We haalden de entreekaartjes en kinderen bleken gratis toegang te hebben. Het paleis was prachtig maar wordt overspoeld door vele toeristen. We liepen er een aardige tijd rond en volgden de aangegeven route zodat we niets van al het moois zouden missen. In het paleis zagen we sierlijk beschilderde plafonds, wanden van mozaïek en marmer, beschilderde houten deuren, mooie binnenpleinen en een zeer grote tuin.

Na het paleis liepen we verder en kwamen we bij een mooi plein met restaurants en winkeltjes. Hier liepen wat verkopers rond die iedere toerist aanklampte om iets te verkopen. Sommigen spraken zelfs wat woordjes Nederlands. Zo zei één verkoopster tegen mamma: kijken, kijken en zegt mamma “niet kopen” waarop de verkoopster zegt: kijken, kijken, verkopen! Haha, een verkoopster met humor in ieder geval. We konden de verkopers netjes afwimpelen en liepen verder. We kwamen bij een ander fraai paleis, het El Badi. Hoewel dit paleis vroeger een paar honderd kamers meer had dan het Bahia paleis, is het tegenwoordig niet veel meer dan een ruïne. Sommige delen van dit zestiende -eeuws paleis zijn nog redelijk in tact.

We besloten om het toch een bezoek te brengen en het stelde zeker niet teleur. Op de muren van het paleis waren op verschillende plaatsen ooievaarsnesten te zien.  Ondertussen hadden we honger gekregen en besloten we op het pleintje waar we eerder waren geweest te gaan lunchen.

Bij Place des Saveurs bestelden we allemaal een ander gerecht. Pappa nam brochette boeuf (spiesjes rundvlees), mamma nam briwatte kofte (bladerdeeghapje met gehakt), Keyro nam swarma poulet (kipshoarma) en ik bestelde een cheeseburger. Het gerecht van mamma duurde lang en werd als laatste gebracht toen wij al klaar waren met eten. Desalniettemin smaakte alles erg lekker.

Met gevulde buikjes dwaalden we door een netwerk aan straatjes en pittoreske steegjes in de richting van het populaire centrale plein, Djemaa el Fna. Jammer dat we af en toe opgeschrikt werden door de brommers die als bezetenen langs rijden. Ook werden we af en toe ingehaald door ezel en wagen. De wirwar van markten ofwel soeks waren leuk om langs te struinen. Bij elkaar vormen de souks rondom het Djemaa el Fna plein de grootste overdekte markt van Afrika. We keken onze ogen uit van de verschillende kleuren, geuren, gesluierde vrouwen en ambachtslieden die we zagen.

Ieder heeft zijn eigen soek dus het ene moment liepen we tussen de tajine, lampen, tapijten of theepotten en dan weer tussen de kruiden, meubels of slippers. We hadden verwacht dat de verkopers zeer opdringerig zouden zijn maar wij ervaarden dit totaal niet zo. Bij een klein winkeltje kocht ik alvast mijn eerste souvenir, een mini tajine. Uiteindelijk kwamen we aan op het Djemaa el Fna plein.

De letterlijke vertaling is “Plein des doods” omdat hier vroeger executies plaats vonden. Op het plein stonden veel kramen waar je een glas versgeperst fruitsap kon kopen. Wij liepen naar een van de kramen  en konden proeven voor welke fruitsoort we wilden. We bestelden allebei een beker met gemengd fruit voor maar 10 dirham (ongeveer 1 euro).

We liepen wat over het plein en zagen slangenbezweerders en mannen met aangeklede aapjes. Er wordt vooral bij de toeristen geprobeerd om slangen om de nek te hangen of een aapje op de schouder te zetten. Wij maakten goed duidelijk dat we dit niet wilden en we werden netjes met rust gelaten.

Bij één van de kraampjes kochten we voor Keyro een FC Barcelona shirt en voor mij een Real Madrid pakje. We zochten een plaatsje bij een van de cafés met dakterras zodat we een goed uitzicht hadden over het plein. Mamma nam Marokkaanse muntthee, pappa cola en wij kregen een ijsje. Naar het wat later op de middag werd kwamen er langzaam karren het plein op. Er werd in recordtijd eetkraampjes opgebouwd.

Wij hadden afgesproken om in onze Riad te eten waar Aziza voor ons zou koken. Ons diner bestond uit voor- hoofd en nagerecht. Als eerste werden er olijven en diverse Marokkaanse salades geserveerd. Er was een aardappelsalade met peterselie, een wortelsalade met kurkuma en komijn en een tomaten komkommersalade. Het hoofdgerecht was een kip tajine met citroen en olijven en als toetje werd er verschillende soorten fruit geserveerd. Verrukkelijk allemaal.

Na het eten vertrokken we weer naar het Djemaa el Fna plein om het in de avond te bekijken. De eetstalletjes deden goed zaken, er waren muzikanten en er werden spelletjes gedaan. Leuk om zo rond te lopen. Na wat afdingen wisten we nog twee petjes te kopen om ons te beschermen tegen de zon. We kwamen uiteindelijk om 22:00 uur pas weer terug in onze riad. Helaas moeten we morgen deze geweldige stad al verlaten en werden de spullen ingepakt. We vertrekken morgenochtend op tijd en zouden Aziza niet meer zien. We namen daarom vanavond al afscheid van haar. Keyro en ik kregen een knuffel en dikke kus op onze wang. Wat een ontzettend warm en lief mens